← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090515.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 15 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090515.8 Rolnummer: 51.225 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-06-10 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-02 19:46 Fiche Het statutair dienstverband en de arbeidsovereenkomst hebben met elkaar gemeen dat in beide gevallen een rechtsbetrekking tussen twee partijen ontstaat, waarbij de ene arbeid verricht onder het gezag van de andere of m.a.w. waarbij de andere arbeid doet verrichten in een verhouding van ondergeschiktheid. Het verschil tussen beide rechtsposities ligt alleen in de wijze waarop de rechtsbetrekking tussen beide tot stand komt of meer bepaald in de aard van de rechtshandeling die de dienstbetrekking doet ontstaan. De arbeidsovereenkomst ontstaat op basis van een vrij aangegane verbintenis, terwijl het statutair dienstverband totstandkomt ingevolge een eenzijdige rechtshandeling, waarbij de rechtspositie en de arbeidsvoorwaarden eveneens éénzij dig worden vastgesteld. Wanneer een personeelslid in een statutair verhouding tegenover de overheid staat, vindt het arbeidsovereenkomstenrecht op deze rechtsbetrekking vanzelfsprekend geen toepassing UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Algemeen Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Verschil arbeidsovereenkomst en statutaire tewerkstelling. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 1,L2 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 15 MEI

  1. 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: Mevrouw C. V., Appellante, verschijnend in persoon en bijgestaan door Mter I. Derde, advocaat te 1831 Diegem; Tegen : DE COMMISSIE VOOR DE REGULERING VAN DE ELEKTRICITEIT EN HET GAS, afgekort CREG, autonoom organisme met rechtspersoonlijkheid, opgericht bij artikel 23 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, met zetel gevestigd te 1040 Brussel, Nijverheidsstraat, 26-38, met als ondernemingsnummer 0267.310.422, Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter K. Salomez loco Mtr. W. Van Eeckhoutte, advocaat te 9051 Gent; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (12de kamer) op 15 mei 2008; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 24 juli 2008; - de besluiten , aanvullende besluiten en aanvullende synthesebesluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 10 november 2008, 9 januari 2009 en 10 maart 2009; - de besluiten en aanvullende besluiten voor appellante partij neergelegd ter griffie, respectievelijk op 10 december 2008 en 10 februari 2009; - de bundel met stukken neergelegd door appellante partij ter griffie op 8 april 2009; - de bundel met stukken neergelegd door geïntimeerde partij ter griffie op 10 april 2009; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 24 april 2009, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x x 1.FEITEN EN RECHTSPLEGING. Bij Koninklijk Besluit van 9 januari 2000 werd mevrouw C. V. benoemd tot voorzitter van het directiecomité en directeur van de directie voor het marktcontentieux van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas ( hierna afgekort tot CREG) voor een termijn van 6 jaar met ingang van 10 januari
  2. (B.S. 20 januari 2000) De modaliteiten van de samenwerking werden vastgelegd in een overeenkomst van 7 januari
  3. In de preambule van deze overeenkomst wordt verwezen naar de toepasselijke wetgeving en reglementering en naar het benoemingsbesluit van mevrouw V. en wordt gesteld dat deze overeenkomst geen arbeidsovereenkomst is aangezien de functies van voorzitter en lid van het directiecomité los van elk ondergeschikt verband, kenmerkend voor een arbeidsovereenkomst, uitgeoefend worden. Wat betreft de toepassing van het sociaal zekerheidsstelsel wordt verwezen naar het werknemersstelsel met verwijzing naar artikel 1 §1 ( klaarblijkelijk wordt bedoeld artikel 11 §1) van het K.B. van 28 november
  4. In deze overeenkomst werden de verplichtingen van beide partijen nader omschreven en werd de bezoldigingsregeling bepaald. Zij werd ondertekend door mevrouw V. en door de minister bevoegd voor Energie, Olivier Deleuze. Mevrouw V. legt uit dat binnen haar dienst een aantal adviezen werden gevraagd aan diverse ‘huisadvocaten', waaruit men heeft afgeleid -dat de tewerkstelling van de directieleden, ongeacht de andersluidende vermelding in de preambule van haar overeenkomst van 7 januari 2000, beschouwd diende te worden als een samenwerking in het kader van een arbeidsovereenkomst; -dat na de installatie van het eerste directiecomité de minister bevoegd voor Energie niet langer de CREG diende te vertegenwoordigen voor de ondertekening van de overeenkomsten in verband met de bezoldiging van de leden van het directiecomité. Op basis hiervan werd op 18 maart 2002 een arbeidsovereenkomst tussen mevrouw V. en de CREG afgesloten, die in zijn bepalingen grotendeels gelijk was met de eerdere overeenkomst van 7 januari 2000, met dit verschil dat de arbeidsovereenkomst gold voor onbepaalde tijd en dat er een opzeggingsregeling werd in opgenomen met toepassing van artikel 82 §5 van de arbeidsovereenkomstenwet, die doorverwijst naar artikel 82 §3 van deze wet, mits de opzeggingstermijn wordt berekend vanaf de eerste dag dat mevrouw V. effectief in dienst is getreden en niet vanaf de datum van ondertekening van deze arbeidsovereenkomst. Voor zover het mandaat van mevrouw V. vroegtijdig zou beëindigd worden, werd eveneens in een specifieke regeling voorzien. Deze arbeidsovereenkomst werd langs werkgeverszijde ondertekend door directeur P.. Op regelmatige tijdstippen zullen aanhangsels bij deze arbeidsovereenkomst worden ondertekend, die voornamelijk betrekking hebben op de aanpassing van de wedde; deze worden van werkgeverszijde ondertekend door directeur L.. In de jaarverslagen van de CREG wordt van dan af voorzien in een provisie voor de contractuele vertrekvergoedingen van de directeurs. Naar aanleiding van het verstrijken van de oorspronkelijke benoemingstermijn van 6 jaar stelde mevrouw V. zich opnieuw kandidaat voor de functie van voorzitter van het directiecomité of van directeur en zij onderwierp zich aan de selectieprocedure van het bureau Hudson/De Witte & Morel. Toen ze vernam dat ze niet weerhouden werd voor een nieuwe benoeming, schreef ze op 26 januari 2007 een brief aan de CREG, waarin zij deze in gebreke stelde voor een voortzetting onder ongewijzigde omstandigheden van haar lopende overeenkomst, op straffe van verdere juridische stappen. Hierop antwoordde de minister en de administratief directeur van de CREG op 29 januari 2007 dat haar kandidatuur voor een nieuw mandaat niet weerhouden werd en dat er een einde kwam aan de contractuele relatie met de CREG op 30 januari 2007, mits uitbetaling van de bezoldiging voor de maand januari 2007, de pro rata 13e en 14e maand en het vertrekvakantiegeld. Bij schrijven van de raadslieden van mevrouw V. van 30 maart 2007 werd de CREG in gebreke gesteld in betaling van een opzeggingsvergoeding van 16 maanden, becijferd op euro 341.828,33 en in betaling van een niet-concurrentie vergoeding van 6 maanden ingevolge artikel 2 van het K.B. van 3 mei 1999 en in betaling van een schadevergoeding wegens negatieve publiciteit van euro 50.
  5. De niet- concurrentievergoeding zal haar worden betaald. Mevrouw V. vroeg bij de Raad van State de schorsing en de nietigverklaring van de benoemingsbesluiten van haar opvolgers, met name de heer P. als voorzitter van het directiecomité en de heer L. als directeur algemene directie. De vorderingen tot schorsing werden afgewezen wegens het ontbreken van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; de vorderingen tot nietigverklaring zijn nog hangende. Op 3 april 2007 dagvaardde mevrouw V. de CREG in betaling van een opzeggingsvergoeding van euro 353.472,06, te vermeerderen met moratoire en gerechtelijke intresten vanaf 29 januari 2007 op de bruto bedragen en in betaling van een schadevergoeding wegens de omstandigheden van haar ontslag van euro 50.000 te vermeerderen met intresten vanaf de ingebrekestelling tot de dag van betaling en in afgifte van de sociale documenten, alsook in betaling van de gerechtskosten. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank van Brussel van 15 mei 2008 werden deze vorderingen ontvankelijk doch ongegrond verklaard, wegens het ontbreken van een arbeidsrechtelijke verhouding. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 24 juli 2008, tekende mevrouw V. tegen dit vonnis hoger beroep aan en hernam zij haar oorspronkelijke vordering.
  6. BEOORDELING. De Creg maakt melding van de betekening van het vonnis op 26 juni 2008,zodat kan worden aangenomen dat het hoger beroep van 24 juli 2008 tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Alvorens de vorderingen van mevrouw V. kunnen worden onderzocht, moet eerst nagegaan worden of ze in een gezagsverhouding tewerkgesteld was bij de CREG ingevolge een geldige arbeidsovereenkomst. 2.
  7. Het juridisch kader. De CREG is een autonoom organisme met rechtspersoonlijkheid, opgericht bij de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. Haar bevoegdheid met betrekking tot de gasmarkt is bepaald in de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen. Ingevolge artikel 23 § 1 en 2 van de wet van 29 april 1999 en artikel 15/14 § 1 en 2 van de wet van 12 april 1965 is de CREG belast met een raadgevende taak ten behoeve van de overheid inzake de organisatie en werking van de elektriciteit- en gasmarkt en met een algemene taak van toezicht en controle op de toepassing van de desbetreffende wetten en reglementen. De twee organen van de CREG zijn het directiecomité en de algemene raad. - Het directiecomité staat in voor het operationeel bestuur van de commissie en stelt alle handelingen die nodig of dienstig zijn voor de uitvoering van de voormelde raadgevende taak en algemene taak van toezicht en controle( artikel 24 § 2 van de wet van 29 april 1999). De leden van het directiecomité, waaronder zijn voorzitter, worden benoemd bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit voor een hernieuwbare termijn van zes jaar. Bij een in Ministerraad overlegd besluit bepaalt de Koning de onverenigbaarheden met het mandaat van voorzitter of lid van het directiecomité en de regels die van toepassing zijn op de belangenconflicten. De minister bepaalt de basisprincipes met betrekking tot de bezoldiging van de voorzitter en de leden van het directiecomité. Aan dit laatste werd uitvoering gegeven in het Ministerieel Besluit van 16 december 1999, dat in zijn artikel 1 bepaalt dat het bedrag van de bezoldiging van de voorzitter en van de leden van het directiecomité wordt vastgelegd in een bijzondere overeenkomst afgesloten tussen enerzijds de CREG en anderzijds de voorzitter en elk van de leden van het directiecomité. Bij het onderhandelen over en de ondertekening van deze overeenkomst wordt de CREG vertegenwoordigd door de federale minister bevoegd voor Energie. De bezoldiging wordt in ruime zin beschouwd. Met uitzondering van de voorzitter beschikken de leden van het directiecomité over een identieke bezoldiging. Verder zijn er bepalingen in verband met de indexatie, de 13e maand, de groepsverzekering en de compenserende vergoeding ter compensatie van de verboden in verband met onverenigbaarheden en belangenconflicten. - Ten tijde van de benoeming van mevrouw V. was bepaald dat het directiecomité onder het toezicht van de algemene raad stond; deze is samengesteld uit vertegenwoordigers van de federale regering en organisaties van het middenveld; ook de gewestregeringen worden uitgenodigd om vertegenwoordigers af te vaardigen. De algemene raad heeft de volgende taken : 1e op eigen initiatief of op verzoek van de minister de richtsnoeren te bepalen voor de toepassing van de wet en haar uitvoeringsbesluiten; 2e de wijze waarop het directiecomité zijn taken uitvoert, te evalueren en in dit verband adviezen en aanbevelingen te formuleren aan de minister en het directiecomité; 3e een advies te formuleren betreffende elke kwestie die hem door te directiecomité wordt voorgelegd; 4e samen met het controlecomité toe te zien op de coördinatie van de activiteiten van de commissie en van het controlecomité; 5e een discussieforum te zijn over de doelstellingen en strategieën van het energiebeleid in de elektriciteitssector ( artikel 23 § 3 van de wet van 29 april 1999). 2.
  8. Toepassing. Bij toepassing van artikel 24 § 2 van de wet van 29 april 1999 werd mevrouw C. V. benoemd tot voorzitter van het directiecomité en tot directeur van de directie voor het marktcontentieux voor een termijn van zes jaar met ingang van 10 januari
  9. ( B.S. 20 januari 2000). Bij toepassing van artikel 1 van het M. B. van 16 december 1999 werd er op 7 januari 2000 een bijzondere overeenkomst ondertekend tussen mevrouw V. en de CREG, vertegenwoordigd door de minister bevoegd voor Energie, waarin haar bezoldiging wordt vastgelegd overeenkomstig de bepalingen van het M.B. van 16 december
  10. In de preambule van deze overeenkomst wordt uitdrukkelijk bepaald dat dit geen arbeidsovereenkomst is, aangezien de functies van voorzitter en van lid van het directiecomité los van elke ondergeschikt verband kenmerkend voor een arbeidsovereenkomst, uitgeoefend worden. Tevens wordt uitdrukkelijk gewezen op het benoemingsbesluit van mevrouw V.. Hieruit volgt dat mevrouw V. in haar functie benoemd werd in een statutair verband, wat overigens werd opgelegd door artikel 24 § 2, tweede lid van de wet van 29 april
  11. Artikel 23 § 1 van deze wet bepaalt bovendien dat de CREG een autonoom organisme met rechtspersoonlijkheid is. Ook haar opvolgers werden benoemd in statutair verband, wat door mevrouw V. niet betwist wordt, daar ze deze benoemingen aanvecht voor de Raad van State. 2.
  12. Kan een dergelijke benoeming samengaan met een arbeidsovereenkomst? Artikel 1, tweede lid van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 bepaalt dat deze wet van toepassing is op de werknemers, tewerkgesteld door het Rijk, de openbare instellingen welke eronder ressorteren, de instellingen van openbaar nut, wier toestand niet statutair geregeld is. In zijn arrest van 13 juni 1973 leidt het Hof van Cassatie uit deze bepaling af dat, wanneer de bevoegde overheid besliste het personeel van een openbare dienst onder statuut te plaatsen, zelfs het ontbreken van een regelmatig uitgevaardigde regeling en het nemen van een onregelmatige, individuele beslissing in verband met de rechtspositie van het personeelslid, niet tot gevolg heeft dat de toestand van de betrokkenen niet meer statutair geregeld is en het arbeidsovereenkomstenrecht op een dergelijke dienstbetrekking van toepassing is ( Cass. 13 juni 1973, Arr. Cass. 1973, 995; arrest 7 in De grote arresten van het Hof van Cassatie in sociale zaken, p. 45 met conclusie Openbaar Ministerie). In de conclusie van het Openbaar Ministerie, voorafgaand aan dit arrest, wordt uitgelegd dat het statutair dienstverband en de arbeidsovereenkomst met elkaar gemeen kunnen hebben dat in beide gevallen een rechtsbetrekking tussen twee partijen ontstaat, waarbij de ene arbeid verricht onder het gezag van de andere of m.a.w. waarbij de andere arbeid doet verrichten in een verhouding van ondergeschiktheid. Het verschil tussen beide rechtsposities ligt alleen in de wijze waarop de rechtsbetrekking tussen beide tot stand komt of meer bepaald in de aard van de rechtshandeling die de dienstbetrekking doet ontstaan. De arbeidsovereenkomst ontstaat op basis van een vrij aangegane verbintenis, terwijl het statutair dienstverband totstandkomt ingevolge een eenzijdige rechtshandeling, waarbij de rechtspositie en de arbeidsvoorwaarden eveneens éénzijdig worden vastgesteld. Wanneer een personeelslid in een statutair verhouding tegenover de overheid staat, vindt het arbeidsovereenkomstenrecht op deze rechtsbetrekking vanzelfsprekend geen toepassing. ( cfr. conclusie O.M. in De grote arresten..., p. 45 en 47 - cursieve tekst = citaat). Te gemakkelijk verschuilt mevrouw V. zich dan ook achter het advies van één van de huisadvocaten van de CREG om voor te houden dat ze ingevolge de overeenkomst van 7 januari 2000 zgn. in een gezagsverhouding werkte, waardoor zij, ongeacht de andersluidende vermelding in de preambule, toch in het kader van een arbeidsovereenkomst was tewerkgesteld. Terecht wijst geïntimeerde erop dat dit advies vertrekt vanuit een foutieve premisse, daar in 1.3.1 van het advies als opdracht gegeven wordt uit te gaan van de beschouwing dat er geen sprake is van een éénzijdige aanstelling door de overheid. Ondanks het feit dat in de preambule van de overeenkomst van 7 januari 2000 uitdrukkelijk verwezen wordt naar de wettelijke en reglementaire bepalingen in verband met de benoeming van mevrouw V. en dat er zelfs uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van het benoemingsbesluit, neemt het advies de uitsluiting van de statutaire tewerkstelling zonder meer aan, omdat er in deze overeenkomst geen enkele verwijzing zou zijn naar een administratief statuut. Hierna wordt in het advies onderzocht of er een gezagsverhouding is op basis van de op dat ogenblik gangbare indiciënmethode. Enige tijd later zal het Hof van Cassatie echter deze indiciënmethode sterk relativeren in de zgn. kwalificatiearresten. Los van het feit dat de gezagsuitoefening ten aanzien van een voorzitter van het directiecomité niet altijd gemakkelijk vast te stellen is, is de vraag of men in een gezagsverhouding werkt, echter niet bepalend voor het onderscheid tussen het statutair dienstverband en een arbeidsovereenkomst. Dit onderscheid moet worden gemaakt vanuit de wijze waarop de rechtsbetrekking tot stand komt of vanuit de aard van de rechtshandeling die de dienstbetrekking doet ontstaan. Gelet op de benoeming, werd in de bijzondere overeenkomst van 7 januari 2000 dan ook terecht bepaald dat deze overeenkomst geen arbeidsovereenkomst is. Deze overeenkomst vond immers zijn rechtsgrond in artikel 24 § 2 van de wet van 29 april 1999 en artikel 1 van het M.B. van 16 december 1999, tengevolge waarvan het bedrag van de bezoldiging en een aantal andere voordelen schriftelijk dienden te worden vastgelegd in een bijzondere overeenkomst. Omdat de dienstbetrekking van mevrouw V. ontstaan is vanuit haar benoemingsbesluit, kon het directiecomité ( en/of een collega directeur) namens de CREG geen geldige arbeidsovereenkomst afsluiten, daar een dergelijke arbeidsovereenkomst onmogelijk is ingevolge artikel 1, tweede lid van de arbeidsovereenkomstenwet. Zelfs indien mevrouw V. zou willen voorhouden dat haar rechtspositie onvolkomen of onregelmatig zou geregeld zijn, dan nog brengt dit niet mee dat daardoor het statutair dienstverband zou dienen vervangen te worden door een tewerkstelling in het kader van het arbeidsovereenkomstenrecht ( Cass. 13 juni 1973, hierboven aangehaald). Partijen zijn het erover eens over eens dat de sociale zekerheidsregeling van mevrouw V. gestoeld was op artikel 11 § 1 van het uitvoeringsbesluit R.S.Z.-wet, wat een uitbreidingsbepaling is ten aanzien van artikel 1 § 1 van de R.S.Z.-wet, waarin het toepassingsgebied in eerste instantie bepaald wordt ten aanzien van de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Ook deze uitbreidingsbepaling gaat dus uitdrukkelijk uit van het ontbreken van een arbeidsovereenkomst (cfr. art. 2 § 1 van deze wet). Artikel 11 § 1 van het uitvoeringsbesluit impliceert dan ook dat er geen arbeidsovereenkomst is. In die zin zijn de overige beschouwingen in verband met de premissen, waarop de zogenaamde arbeidsovereenkomst van 18 maart 2002 gebaseerd is, de wijze van totstandkoming, ondertekening en uitvoering, het ministerieel stilzwijgen en de vermeldingen in de jaarverslagen en op de sociale documenten, alsook de vergelijking met gedelegeerd bestuurders van overheidsbedrijven, niet ter zake dienend. Evenmin kan mevrouw V. zich steunen op de leer van de schijnvertegenwoordiging, omdat een dergelijke vertegenwoordiging maar aan de orde kan komen op voorwaarde dat er een geldige arbeidsovereenkomst kon afgesloten worden, wat hier niet het geval is. Bovendien diende mevrouw V. als voorzitter van het directiecomité te weten dat de rechtsbetrekking van haarzelf en van haar collega's met de CREG gebaseerd was op een benoemingsbesluit, zodat ze zich ten onrechte beroept op een rechtmatig vertrouwen en een toerekenbare schijn in verband met een zogenaamd schijnmandaat van haar collega's voor het ondertekenen van mekaars arbeidsovereenkomsten. In haar inleidende dagvaarding heeft mevrouw V. haar vorderingen in betaling van een opzeggingsvergoeding en een bijkomende schadevergoeding uitdrukkelijk gebaseerd op de arbeidsovereenkomst. Door het ontbreken van een geldige arbeidsovereenkomst omwille van het statutair verband, zijn deze vorderingen ongegrond. De materiële bevoegdheid wordt bepaald naar het onderwerp van de vordering zoals deze door de eiser wordt geformuleerd, ongeacht de vraag of de vordering op deze basis gegrond kan bevonden worden ( Cass., 8 september 1978, R.W.1978-1979, 960; Cass., 4 mei 1981, R.W. 1982-1983, 147). De bevoegdheid niet betwist(baar) zijnde, in de zin dat de vordering gesteund is op het bestaan van een arbeidsovereenkomst, heeft de eerste rechter dus terecht de vordering van mevrouw V. ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. In haar beroepsconclusie p. 33, zoals neergelegd op 10 februari 1999, maakt mevrouw V. in ondergeschikte orde nog enkele opmerkingen, waarin zij vaststelt dat volgens haar, wanneer de arbeidsovereenkomst van 18 maart 2002 niet zou worden weerhouden, artikel 5 van de overeenkomst van 7 januari 2000 dient te herleven, zodat de CREG haar dan consequent een vergoeding van 1 jaar zou moeten betalen omwille van de herroeping van haar mandaat voor het verstrijken ervan. Ongeacht deze opmerking stelt zij dienaangaande voor ons geen duidelijke vordering (zij herneemt dit evenmin in het beschikkend gedeelte), want op pagina 29 van dezelfde beroepsconclusie behoudt zij zich het recht voor om in de hypothese van de beëindiging van haar statutaire benoeming een nieuwe vordering in te leiden voor de rechtbank van eerste aanleg. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis, Veroordeelt mevrouw V. tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde de CREG begroot op betekeningskosten euro 205,77 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 7.000 en voor zover als nodig aan haar zijde begroot op euro 7.000 Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw S. ALAERTS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, Mevrouw B. MUSSCHE, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS, S. ALAERTS. B. MUSSCHE. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 15 mei 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS. L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090515.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.