← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090528.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 28 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL

§2

van de organieke wet van 8 juli 1976 dient het OCMW geen materiële hulp voor kinderen toe te kennen, daar deze dient te worden verstrekt in een federaal opvangcentrum.

§ 2

is een wettelijke beperking en voldoet thans aan de vereisten van evenredigheid en voorzienbaarheid daar ingevolge art. 22 Wet 27 december 2005 de aanwezigheid van de ouders in het opvangcentrum gewaarborgd wordt. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Taken OCMW - Vreemdelingen OCMW Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG - OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN - Organieke wet -

§ 2

. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 57,§2 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN NEGEN. 7e KAMER not. 580, 8°, Ger. W. maatschappelijke dienstverlening tegenspraak definitief In de zaak : 1.S. H., 2.S. R., appellanten, beiden wonende te en beiden optredend in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen M., Md. Ah. en A. S.; appellanten, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester P. Vandendriessche, advocaat te Brussel, tegen : OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN SCHAARBEEK, met zetel te 1030 Schaarbeek, Vifquinstraat 2, geïntimeerde, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester M. Legein, advocaat te Brussel. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken : -het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis van de twintigste kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel, uitgesproken op tegenspraak op 6 maart 2008 en ter kennis gebracht op 12 maart 2008 aan de appellanten overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W.; -het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 14 april 2008; -de voorgelegde stukken; -de conclusies voor de beide partijen; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 2 april 2009, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 8 april 2009 zijn schriftelijk advies ter griffie neergelegd. Aan de partijen werd de mogelijkheid geboden om tot 30 april 2009 een repliek op dat advies ter griffie neer te leggen, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden. * * * 1. FEITEN EN RECHTSPLEGING Appellanten hebben door middel van diverse pogingen tot het bekomen van politiek asiel en tot het bekomen van regularisatie van een onwettelijk verblijf getracht om een legaal verblijf in België te bekomen. Telkens werden deze aanvragen afgewezen. Zij deden bij het OCMW te Schaarbeek ook meerdere aanvragen tot het bekomen van materiële steun en financiële hulp voor hun drie kinderen. Hierbij werden ze uitgenodigd door de maatschappelijk werker van het OCMW voor een toelichting over het stelsel van het KB van 24 juni 2004 tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft. Appellanten wensten klaarblijkelijk geen beroep te doen op hulp in een federaal opvangcentrum. Bij beslissing van het OCMW te Schaarbeek van 20 juni 2007, hen ter kennis gebracht op 7 augustus 2007, werd aan appellanten financiële steun toegekend gelijk aan het bedrag van het leefloon voor een gerechtigde met gezinslast, doch met de voorwaarde dat deze financiële steun diende terugbetaald te worden. De heer S. H. ondertekende op 8 augustus 2007 een verbintenis tot terugbetaling voor een bedrag van euro 5.259, terug te betalen met maandelijkse stortingen van euro 10 vanaf de datum van de beslissing van de arbeidsrechtbank. Op 5 september 2007 betekende het OCMW een beslissing van het bijzonder comité tot terugbetaling van dit bedrag door middel van maandelijkse betalingen van euro 10, met een verwijzing naar het bekomen van een vergoeding voor gehandicapte personen. Op 7 november 2007 tekenden appellanten bij de arbeidsrechtbank te Brussel verhaal aan tegen de beslissing van het OCMW van 20 juni 2007 in de mate dat deze betrekking had op de verplichting tot terugbetaling. Tevens vroegen ze dat de verbintenis tot terugbetaling van 8 augustus 2007 zonder voorwerp zou worden verklaard. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 6 maart 2008 werd deze vordering afgewezen als zijnde ontvankelijk doch ongegrond, omdat appellanten ingevolge

§ 2

van de OCMW-wet lastens het OCMW geen aanspraak konden maken op financiële steun, zodat de rechtbank aan een onwettelijk verleende steun geen wettelijk karakter kon verlenen door in te gaan op de vraag om de wettelijke beperkingen inzake terugvordering toe te passen. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 14 april 2008, tekenden appellanten hoger beroep aan tegen dit vonnis en hernemen ze hun oorspronkelijke vordering. 2. BEOORDELING Het bestreden vonnis werd met gerechtsbrief ter kennis gebracht van appellanten op 12 maart 2008, zodat het hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof op maandag 14 april 2008, tijdig is, wat niet wordt betwist. Het OCMW meent dat het hoger beroep ontoelaatbaar is, omdat appellanten enkel beroep kunnen aantekenen in naam en voor rekening van hun kinderen. Van hun hoedanigheid als ouders werd melding gemaakt in het verzoekschrift tot hoger beroep en in de verdere procedurestukken. Terecht stelt het Openbaar Ministerie bovendien dat de terugbetalingsverplichting van de financiële steun op appellanten zelf weegt en de terugbetalingverbintenis van 8 augustus 2007 werd ook door de heer H. S. als dusdanig ondertekend. Het hoger beroep is dan ook toelaatbaar. 2.1.

§2OCMW-wet.

Appellanten roepen de schending in van enkele algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De eerste rechter stelde daarbij dat deze schendingen slechts konden worden onderzocht in het licht van

§2van de OCMW-Wet, waarin bepaald wordt : §2.

In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk werk beperkt tot : 1e het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft; 2e het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft. In het geval bedoeld in 2e, wordt de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum overeenkomstig de voorwaarden en nadere regels bepaald door de Koning. De aanwezigheid in het opvangcentrum van de ouders of van de personen die het ouderlijk gezag over het kind daadwerkelijk uitoefenen, wordt gewaarborgd. ... Uit deze beperking van de taak van het OCMW vloeit voort dat geïntimeerde geen materiële hulp voor de kinderen kon toekennen, daar deze dient te worden verstrekt in een federaal opvangcentrum. Ten onrechte stellen appellanten dat de eerste rechter door deze vaststelling ruimer zou geoordeeld hebben dan wat gevraagd werd in het inleidend verzoekschrift. De beslissing van het OCMW van 20 juni 2007 verbond immers de door appellanten betwistte terugbetalingsplicht aan het illegaal statuut van het gezin, waardoor de toegekende steun diende terugbetaald te worden. Om die reden werden appellanten overigens uitgenodigd om de sociale assistente te contacteren teneinde de verbintenis tot terugbetaling te ondertekenen, wat de heer S. H. op 8 augustus 2007 is komen doen. De terugbetaling en de steun zijn dan ook twee kanten van een zelfde medaille. Terecht merkte de eerste rechter tevens op dat de OCMW-wet de openbare orde raakt, wat uitsluit dat een openbaar centrum een financiële steun zou geven wanneer de wettelijke voorwaarden daartoe niet vervuld zijn. Dit kan ambtshalve worden vastgesteld. Ten onrechte houden appellanten voor dat

§2

in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM en artikel 22 van de Grondwet.

§ 2

is immers een wettelijke beperking en voldoet thans aan de vereisten van evenredigheid en voorzienbaarheid (vgl. Arbitragehof 131/05 van 19 juli 2005, B6, waarna aanpassing art. 57 door art. 22 Wet 27 december 2005 (B.S. 30 december 2005), waardoor de aanwezigheid van de ouders in het opvangcentrum wordt gewaarborgd met vervolgens het goedkeurend arrest Arbitragehof 43/06 van 15 maart 2006) Bovendien heeft de maatschappelijk werker van het OCMW appellanten uitgenodigd om hen toelichting te geven over het stelsel van het KB van 24 juni 2004, maar zij zijn daar niet op ingegaan, omdat ze klaarblijkelijk geen financiële steun via een federaal asielcentrum wensen. Terecht heeft de eerste rechter dan ook vastgesteld dat de bestreden beslissing in verband met de toekenning van steun geen wettelijke grondslag had, waardoor deze steun een onverschuldigde betaling werd, zodat het OCMW deze diende terug te vorderen. 2.

  1. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur Ten onrechte houdt appellanten voor dat de beslissing tot terugbetaling in strijd zou zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het redelijkheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel. Samen met het openbaar ministerie kan vastgesteld worden dat het redelijksbeginsel niet kan geacht worden geschonden te zijn omwille van de precaire financiële situatie van appellanten. Immers het is geenszins onredelijk in de bestreden beslissing een voorwaarde tot terugbetaling op te nemen, zodat het OCMW zich op die voorwaarde kan beroepen wanneer de terugbetalingsmogelijkheid reëel werd. Het staat daarbij in eerste instantie aan het OCMW om de reële mogelijkheid tot terugbetaling te evalueren en hiermee rekening te houden. In de bestreden beslissing werden appellanten bovendien uitgenodigd om in verband met de terugbetaling contact op te nemen met de sociale assistent van het OCMW, wat ook onmiddellijk gebeurde, gelet op de ondertekening van de verbintenis tot terugbetaling. In verband met de motivering willen appellanten ten onrechte een foutieve vermelding aanvechten in een latere aangetekende brief van 5 september 2007, terwijl huidige betwisting betrekking heeft op de beslissing van het OCMW van 20 juni 2007 en de verbintenis tot terugbetaling van 8 augustus
  2. Evenmin kan een schending van het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel aanvaard worden, nu deze beginselen maar van toepassing kunnen zijn mits de wet correct wordt toegepast, wat ten deze niet het geval is geweest ten aanzien van

§2van de OCMW-wet, dat de openbare orde raakt.

Terecht heeft de eerste rechter dan ook de oorspronkelijke vordering ongegrond verklaard en het hoger beroep is derhalve ongegrond. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het schriftelijk advies van advocaat-generaal J. J. André, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 8 april 2009 waarop geen repliek vanwege de partijen is gevolgd, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond, Bevestigt het bestreden vonnis. Veroordeelt geïntimeerde op grond van artikel 1017 tweede lid Ger. W. tot de kosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van appellanten begroot op euro 145,78. Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: L. Lenaerts raadsheer, voorzitter; M. Van Aken raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; J.-P Van Coningsloo raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; L. Herregodts, griffier. L. Lenaerts L. Herregodts J.-P Van Coningsloo M. Van Aken en uitgesproken op de openbare terechtzitting van achtentwintig mei tweeduizend en negen van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel door: L. Lenaerts raadsheer, voorzitter, Bijgestaan door L. Herregodts griffier. L. Lenaerts L. Herregodts PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090528.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.