id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 02 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090602.14 Rolnummer: 43.776 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-10-13 Raadplegingen: 136 - laatst gezien 2026-07-02 19:53 Fiches 1 - 2 De bepaling van een intern reglement, waarbij aan de werknemer verbod wordt opgelegd eender welke verklaring in de pers af te leggen en eender welke informatie aan een derde door te geven, is in strijd met het recht op vrije meningsuiting, zoals dat vastgelegd wordt door artikel 19 van de Grondwet. Deze bepaling is verder ook in strijd met art. 17,3° a van de wet van 3 juli 1978, dat bepaalt hoever de confidentialiteitsverplichting van de werknemer t.a.v. werkgever zich uitstrekt in het kader van een arbeidsovereenkomst. Een conventionele uitbreiding van deze verplichting is niet verenigbaar met artikel 6 van de wet. . Er kan aan de werknemer niet het recht ontzegd worden om klachten die hij heeft in verband met zijn werksituatie, aan de pers en aan derden mede te delen, onder het enkele voorbehoud dat hij geen valse aantijgingen mag doen en niet moedwillig zijn werkgever schade mag berokkenen. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Vrijheid - Vrijheid meningsuiting - art. 19 Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GRONDWET - Recht op vrije meningsuiting. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Nota: Gerangschikt onder I J N art. 19; eveneens gerangschikt onder II AAN art. 17, 3°. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Rechten en plichten Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Vertrouwelijkheidsverplichting. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 17,3° - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN art. 17, 3°; eveneens gerangschikt onder I J N art.
- Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 2 JUNI
- 3DE KAMER Bediendecontract Op tegenspraak Definitief In de zaak: L. , wonende te [xxx]. Appellante op hoofdberoep en geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr W. SUYKENS loco Mr R. RYMENANS, advocaat te Antwerpen. Tegen: N.V. BRUSSELS AIRLINES (voorheen BRUSSELS AIRLINES FLY en daarvoor VIRGIN EXPRESS), met maatschappelijke zetel gevestigd te 1050 BRUSSEL, Jaargetijdenlaan 100-
- Geïntimeerde op hoofdberoep en appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr L. VAN DAEL loco Mr H. HACHEZ, advocaat te Brussel. Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Brussel op 25 februari 2002; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 17 januari 2003; - de besluiten, aanvullende en synthesebesluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 5 mei 2009 waarna de debatten gesloten werden. Gelet op de door de partijen neergelegde stukken. I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
- Mevrouw L. was in dienst van de maatschappij Virgin Express, thans de nv Brussels Airlines, als cabinechef. Bij aangetekend schrijven van 5 februari 1998 werd een einde gesteld aan haar arbeidsovereen-komst om dringende redenen. Bij schrijven van 6 februari 1998 werden de dringende redenen ter kennis gebracht. Aan mevrouw L. werd verweten dat zij, in het kader van een stakingsactie, een interview had afgelegd voor de VRT waarin zij, in strijd met haar arbeidsovereenkomst en de regelingen die daar deel uit van maakten, verklaringen had afgelegd aan derden met betrekking tot zaken van de vennootschap. Daarbij werd haar in het bijzonder kwalijk genomen dat zij bij het publiek de indruk had gewekt dat bij Virgin Express de veiligheidsvoorschriften, door een tekort aan personeel, niet werden nageleefd, terwijl zijzelf aan de basis zou gelegen hebben van het door haar vermelde incident. Verder wordt haar verweten een ridicule en onware opmerking te hebben gemaakt over de wijze waarop de directie zou gereageerd hebben op de klachten van het personeel. (De essentiële passages van de kennisgeving van de dringende redenen werden in het vonnis van de eerste rechter weergegeven en het hof verwijst daar verder naar).
- Op 29 januari 1999 heeft mevrouw L. Virgin Express gedagvaard voor de arbeidsrechtbank te Brussel. Zij vorderde de veroordeling van Virgin Express tot betaling van een verbrekingsvergoeding, een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht en een forfaitaire vergoeding, overeenstemmend met het loon van 1 jaar, omdat zij ontslagen werd met miskenning van haar beschermd statuut als vakbonds-afgevaardigde. Zij vorderde verder de toekenning van een pro rata eindejaarspremie en diverse sommen als achterstallig loon en gewaarborgd loon. Voor de eerste rechter stelde Virgin Express een tegenvordering in en vroeg zij de veroordeling van mevrouw L. tot betaling van een schadevergoe-ding van 66.498,36 euro voor de schade die zij de vennootschap had toegebracht door haar verklaringen.
- Bij vonnis van 25 februari 2002 heeft de arbeids-rechtbank de vorderingen van mevrouw L. tot betaling van een verbrekingsvergoeding, een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht, een forfaitaire vergoeding wegens ontslag in strijd met het statuut van vakbondsafgevaardigde en de betaling van een eindejaarspremie afgewezen. De vorderingen met betrekking tot het achterstallig loon en het gewaarborgd loon werden toegekend. De tegenvordering van Virgin Express werd als ongegrond afgewezen.
- Bij verzoekschrift van 17 januari 2003 heeft mevrouw L. hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis voor wat betreft de gevorderde verbrekingsvergoe-ding, de vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht en de forfaitaire vergoeding wegens een ontslag in strijd met het statuut van vakbondsafgevaardigde. In besluiten heeft Virgin Express een incidenteel hoger beroep ingesteld, in zoverre zij van haar tegeneis werd afgewezen. De nv Brussels Airlines heeft het geding hernomen dat tegen haar rechtsvoorganger werd ingesteld. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het beroep is regelmatig naar de vorm. Er wordt geen betekeningsakte van het vonnis voorgelegd, zodat het beroep geacht wordt tijdig te zijn ingesteld. Het hoofdberoep is aldus ontvankelijk. Het incidenteel beroep is eveneens ontvankelijk. III. HET HOOFDBEROEP.
- Het ontslag om dringende redenen. De gevorderde verbrekingsvergoeding.
- Mevrouw L. voert in haar beroepsakte in de eerste plaats aan dat de door haar afgelegde verklaringen niet in strijd waren met de diverse bepalingen van de arbeidsovereenkomst of van andere reglementen, waarnaar de nv Brussels Airlines verwijst en dat deze documenten in ieder geval in strijd zijn met het recht op een vrije menings-uiting. Zij stelt verder dat de nv Brussels Airlines, daarin gevolgd door de eerste rechter, ten onrechte ervan uitgegaan is dat zij in haar verkla-ring verwees naar een incident van twee jaar vroeger, waarin zijzelf een bepaalde aansprakelijk-heid droeg. Volgens mevrouw L. had haar verklaring betrekking op een incident dat zich zes maanden voor het ontslag had voorgedaan, en waarin zij geen enkele aansprakelijkheid droeg. Mevrouw L. onderlijnt verder dat het ging om een onvoorbereid interview, afgelegd in de context van een sociale betwisting. Haar verklaringen zouden dan ook moeten gerelativeerd worden in deze context. De nv Brussels Airlines stelt dat er wel degelijk sprake is van een inbreuk op de individuele arbeidsovereenkomst, dat mevrouw L. bewust het imago van de maatschappij Virgin Express heeft geschaad en dat het interview helemaal niet zo onvoorbereid was als mevrouw L. het laat voorkomen.
- Overeenkomstig artikel 35 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten wordt onder dringende reden verstaan de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Ontslag om dringende reden mag niet meer zonder opzegging of vóór het verstrijken van de termijn worden gegeven, wanneer het feit, ter rechtvaardiging ervan, sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept. Het feit dat het ontslag zonder opzegging recht-vaardigt is het feit vergezeld van alle omstandig-heden die het de aard van een dringende reden kunnen geven (Cass. 18 februari 1980, Arr. Cass. 1979- 80,724). Het is aan de partij die een dringende reden inroept het bewijs te leveren van de feiten die zij inroept, evenals van het respect van de termijn voor het ontslag om dringende reden en de kennisgeving van de dringende reden (artikel 35, laatste alinea).
- Uit de kennisgeving van de dringende redenen blijkt dat de maatschappij Virgin Express bijzonder aanstoot heeft genomen aan twee verklaringen van mevrouw L.. De eerste verklaring betreft een veiligheidsincident dat in de verklaring van mevrouw L. zes maanden vroeger gesitueerd was en waarbij zij vastgesteld had dat een lid van het personeel vergeten was, voor het opstijgen, de opblaasbare glijbanen te "armeren" aan de deur (hetgeen volgens de toelichtingen, verstrekt door partijen, tot doel heeft dat bij een noodsituatie, waarbij alle deuren automatisch geopend worden, de glijbaan automatisch op te blazen hetgeen een snelle noodevacuatie moet toelaten). Mevrouw L. verklaarde daarbij letterlijk (volgens het relaas opgenomen in de ontslagbrief dat door geen van beide partijen betwist wordt): " Er zijn meer en meer jongere mensen dat ze aannemen, ook de opleiding wordt beperkt. Ik heb over zes maanden een vlucht uitgevoerd op Londen. Het is zo de gewoonte dat voor het opstijgen de opblaasbare glijbanen moeten gearmeerd worden aan de deur. Dit heb ik gevraagd. Als ik achteraan ging zien. Ik ben naar achter gegaan om na te kijken en dat was niet gebeurd. Vergeten, met andere dingen bezig". In de kennisgeving van de dringende redenen schrijft Virgin Express: " Sterker nog is het feit dat u een incident schetst dat uzelf hebt veroorzaakt een tweetal jaren gele-den. U had immers zelf nagelaten om te controleren of een deur van het vliegtuig ontwapend was zodat door het openen van diezelfde deur de rubberen glijbaan werd geactiveerd." Uit de vergelijking van de verklaring van mevrouw L. en de reactie van Virgin Express is het duidelijk dat Virgin Express, bewust of onbewust, twee zaken door elkaar gehaald heeft. Het incident dat mevrouw L. aanhaalde in haar verklaring staat immers duidelijk los van het feit dat zich twee jaar vroeger voordeed. In het relaas van mevrouw L. ging het om een deur die niet "gewapend" "gearmeerd" was voor het opstijgen. Het incident waarnaar de nv Brussels Airlines verwijst betreft een deur die na landing niet "ontwapend" was. Het incident, verteld door mevrouw L. was daarbij, en dit in tegenstelling met hetgeen de eerste rechter oordeelde, wel degelijk een veilig-heidsincident. Voor het opstijgen waren, voor de tussenkomst van mevrouw L., niet alle nodige maatregelen genomen om een noodevacuatie mogelijk te maken. De nv Brussels Airlines betwist niet het concrete incident dat door mevrouw L. in haar verklaring vermeld werd en toont derhalve niet aan dat mevrouw L. moedwillig een incident heeft verteld dat niet met de werkelijkheid overeenstemde, met het inzicht de vennootschap schade te berokkenen.
- De nv Brussels Airlines nam volgens de kennisgeving van de dringende reden ook bijzonder aanstoot aan de volgende verklaring van mevrouw L. : " We moeten maar blij zijn dat we voor Virgin werken. Dat is geen antwoord. En we moeten maar fun maken met de passagiers. Fun en Hello Guys. Bijvoorbeeld als er een vertraging is en wij zitten met passagiers aan boord. Dat kan soms 1 of 2 uren zijn. Dan had de directie gezegd: waarom niet met het toiletpapier gooien in de cabine. Dat is fun. Of grappen maken. Ja. Maar wij weten niet meer of dat de directie serieus met ons is en ik ga dat persoonlijk nooit doen, met toiletpapier gooien". Virgin Express stelde in de kennisgeving van de dringende reden wel dat het ging om een "ridicule en onware opmerking" maar blijft in gebreke aan te tonen dat de door mevrouw L. afgelegde verkla-ring onjuist is. Hetgeen mevrouw L. in haar verklaring heeft willen aangeven is dat de bemer-kingen van het cabinepersoneel niet serieus genomen werden maar weggewuifd werden met goedkope antwoorden. Ook hier is niet aangetoond dat mevrouw L. moedwillig een onjuiste verklaring heeft afgelegd.
- In het licht van deze vaststellingen dient onder-zocht te worden of door het afleggen van de verklaringen zelf, ongeacht hun waarheidsgehalte, mevrouw L. te kor gekomen is aan haar arbeids-overeenkomst of aan andere regels die ingevolge de arbeidsovereenkomst op haar van toepassing waren, en of deze inbreuk kunnen voldoende zwaarwichtig waren om een verbreking van de arbeidsovereenkomst om dringende redenen te rechtvaardigen. In tegenstelling met hetgeen de nv Brussels Airlines voorhoudt ziet het hof in de verklaring van mevrouw L. geen inbreuk op art. 17, 3° a van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten. Overeenkomstig deze bepaling is de werknemer ver-plicht, gedurende de overeenkomst en na het beëin-digen ervan, zich ervan te onthouden om fabrieks-geheimen, zakengeheimen of geheimen in verband met persoonlijke of vertrouwelijke aangelegenheden, waarvan hij in de uitoefening van zijn beroep kennis kan hebben, bekend te maken. De verklaringen van mevrouw L. houden geen verband met fabrieks-geheimen of zakengeheimen noch met persoonlijke of vertrouwelijke aangelegenheden in de zin van deze bepaling. De verklaringen zijn ook geen "vertrouwe-lijke informatie van commerciële, technische of financiële aard" in de zin van artikel 9 van de individuele arbeidsovereenkomst. In zoverre artikel 39 van het arbeidsreglement en artikel 7 van het handboek voor "cabineattendants" een verbod inhouden om eender welke verklaring in de pers af te leggen en eender welke informatie aan een derde door te geven, zijn ze in strijd met het recht op vrije meningsuiting, zoals dat vastgelegd wordt door artikel 19 van de Grondwet en in strijd met art. 17,3° a van de wet van 3 juli
- Dit artikel stelt de perken vast van hoever de confidentiali-teitsverplichting gaat van de werknemer t.a.v. werkgever in het kader van een arbeidsovereenkomst. Een conventionele uitbreiding van deze verplichting is niet verenigbaar met artikel 6 van de wet, dat bepaalt dat alle bedingen die strijdig zijn met de bepalingen van de wet nietig zijn voor zover ze ertoe strekken de rechten van de werknemer in te korten of zijn verplichtingen te verzwaren (J. Funck, ‘La clause de confidentialité dans le contrat de travail' in X. Clauses spéciales dun contrat de travail. Utilité-Validité-Sannction, p. 193; C.T . Mons, 1.12.1997, R.R.D. 1998, 198). Er kan aan de werknemer niet het recht ontzegd worden om klachten, die hij heeft in verband met zijn werksituatie, aan de pers en aan derden mede te delen, onder het enkele voorbehoud dat hij geen valse aantijgingen mag doen en niet moedwillig zijn werkgever schade mag berokkenen. Mevrouw L. maakte ook geen inbreuk op artikel 17, 2° van de wet van 3 juli 1978, dat haar oplegt te handelen volgens de instructies van de werkgever. Zij dient de "instructies" van de werkgever slechts te volgen wanneer deze in overeenstemming zijn met de wet.
- Het hof komt dan ook tot het besluit dat mevrouw L., door de verklaringen die zij afgelegd heeft in de pers, niet tekort gekomen is aan de verplich-tingen van haar arbeidsovereenkomst. Minstens kan deze tekortkoming, indien er toch sprake zou zijn van enige tekortkoming, niet aanzien worden als een zwaarwichtige tekortkoming die de onmiddellijke verbreking van de overeenkomst om dringende reden rechtvaardigt. Mevrouw L. heeft dan ook recht op een verbrekingsvergoeding.
- Mevrouw L. vordert een verbrekingsvergoeding overeenstemmend met het loon van 4 maanden. Zij verwijst daarbij naar haar leeftijd, haar anciënni-teit en de uitgeoefende functie. Volgens de dagvaarding bedroeg de jaarwedde, waarvan mevrouw L. uitgaat voor de berekening van de verbrekingsvergoeding 918.615,00 BF of 22.771,87 euro . Terecht merkt de nv Brussels Airlines op dat deze jaarwedde lager ligt dan de jaarwedde die voor het jaar 1998 was vastgesteld voor de toepassing van artikel 82 §3 van de wet van 3 juli 1978 (928.000,00 BF). Mevrouw L. kan derhalve slechts aanspraak maken op een verbrekingsvergoeding van 3 maanden overeenkomstig artikel 82 § 2 van dezelfde wet. Voor het overige bestaat er geen betwisting over het basisloon zodat de verbrekingsvergoeding vastgesteld kan worden op 22.721,87 euro x 3/12 = 5.692,96 euro bruto.
- Het hoger beroep is op dit punt dan ook gedeeltelijk gegrond.
- De schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht.
- Mevrouw L. is van oordeel dat Virgin Express misbruik gemaakt heeft van haar ontslagrecht. Volgens mevrouw L. was het de bedoeling van de nv Brussels Airlines om een precedent te scheppen ten aanzien van de acties die op dat ogenblik werden gevoerd, als afschrikmiddel voor de rest van het personeel. Zij stelt dat zij aldus een bijzondere schade geleden heeft die onderscheiden is van deze die gedekt wordt door de verbrekingsvergoeding. Zij verwijst naar een overeenkomst die zou bestaan hebben tussen Virgin Express en het toenmalige Sabena om geen personeel aan te nemen dat bij één van de maatschappijen ontslagen was. Zij verwijst verder naar de ruchtbaarheid die gegeven werd aan haar ontslag, met name door het schrijven dat Virgin Express op 6 februari 1998 richtte aan de tour-operator, waarmee Virgin Express samenwerkte, waarbij deze geïnformeerd werd over het ontslag om dringende reden van mevrouw L..
- Op basis van de regel dat overeenkomsten ter goeder trouw moeten uitgevoerd worden en dat dus ook bij de beëindiging van de overeenkomsten de goede trouw dient nageleefd te worden kan de uitoefening van het ontslagrecht door de werkgever betwist worden ingeval er sprake is van misbruik van recht. Er is o.m. sprake van een misbruik van recht wanneer de werkgever zijn ontslagrecht afgewend heeft van de finaliteit waartoe dit ontslagrecht gegeven werd, te weten de goede werking van de onderneming; wanneer het ontslag gepaard gaat met bijzondere omstandig-heden en elementen die van aard zijn om zonder reden de integriteit van de werknemer in twijfel te trekken of wanneer de werkgever op kennelijk onredelijke wijze gebruik maakt van zijn ontslagrecht en daarbij aan de werknemer een schade berokkent die onevenredig groot is in vergelijking met het voordeel dat de werkgever uit de uitoefening van het ontslagrecht kan putten. De werknemer die van oordeel is dat de werkgever misbruik gemaakt heeft van zijn ontslagrecht draagt de bewijslast van deze tekortkoming (zie Van Eeckhoutte e.a. Sociaal Compendium, 2006-2007, Arbeidsrecht, band 2, p.2059, met verdere verwijzingen naar rechtspraak). Het recht op een vergoeding, volgend uit misbruik van ontslagrecht veronderstelt verder dat de werk-nemer een specifieke schade aantoont en met name een schade die onderscheiden is van deze die gedekt wordt door de verbrekingsvergoeding, die forfaitair alle schade dekt die het gevolg is van het ontslag, inclusief de morele schade ( Cass. 7.05.2001, J.T.T. 2001, 410, Cass. 26.09.2005, www.juridat.be ).
- Het is niet aangetoond dat Virgin Express niet tot het ontslag van mevrouw L. is overgegaan omwille van in de ontslagbrief aangehaalde reden, doch vanuit het bijzonder oogmerk om een precedent te scheppen ten aanzien van de andere personeels-leden. Zelfs indien het hof van oordeel is dat aan mevrouw L. geen tekortkoming kan aangewreven worden, dan betekent zulks niet noodzakelijk dat aan het ontslag een ander motief ten grondslag lag. Virgin Express heeft zich kunnen vergissen - en heeft zich klaarblijkelijk ook vergist met betrekking tot het veiligheidsincident waarvan sprake -, over de feiten die zij aanvoerde ten aanzien van het ontslag. Daarbij dient rekening gehouden te worden met het feit dat de werkgever slechts over een termijn van drie dagen beschikt om tot ontslag over te gaan en dit, in casu, in een conflictuele context waarbij wellicht nog veel minder tijd was voor een grondige reflectie. Ten overvloede dient vastgesteld te worden dat mevrouw L. geen schade aantoont die onderscheiden is van deze die gedekt wordt door de verbrekings-vergoeding. Uit de mevrouw L. voorgelegde stukken blijkt niet dat er een afspraak zou bestaan met andere luchtvaartmaatschappijen waardoor werknemers, die bij één maatschappij ontslagen worden, niet in dienst te zouden genomen worden door andere maatschappijen. De omstandigheid dat aan de touroperator, waarmee Virgin Express samenwerkte, geschreven werd dat een personeelslid dat verkla-ringen had afgelegd in de pers om dringende reden ontslagen werd, bewijst als dusdanig geen bijzondere morele schade in hoofde van mevrouw L..
- Het hoger beroep dient op dit onderdeel dan ook als ongegrond afgewezen te worden.
- De schadevergoeding wegens ontslag met miskenning van een beschermd statuut. Mevrouw L. stelt dat zij op het ogenblik van haar ontslag vakbondsafgevaardigde was zodanig dat zij, in toepassing van artikel 28 van een C.A.O. van 5 juli 1978, recht had op een forfaitaire vergoeding gelijk aan het loon van één jaar. Voor het Hof is onduidelijk op welke C.A.O. mevrouw L. zich beroept. Er werd geen C.A.O. neergelegd en op datum van 5 juli 1978 vindt het hof geen C.A.O. die van toepassing zou zijn op Virgin Express. In de brieven van de syndicale organisatie, waarbij de inrichting van een syndicale afvaardiging wordt gevraagd is overigens geen sprake van deze C.A.O., maar wel van een C.A.O. van 24 oktober 1975, die evenmin werd voorgelegd, maar die blijkbaar wel betrekking heeft op het instellen van een syndicale delegatie in de luchtvaartsector. Het hof neemt aan dat het gaat om een C.A.O. afgesloten in het kader van de interprofessionele C.A.O. nr.5 van de Nationale Arbeidsraad van 24 mei 1971 betreffende het statuut van de syndicale afvaardiging en van het personeel der ondernemingen (die verder diende uitgevoerd te worden op paritair niveau). Uit de C.A.O. van 24 mei 1971 is alvast duidelijk dat er slechts sprake kan zijn van een syndicale afvaardiging en van een bescherming van de syndicaal afgevaardigden, vanaf het ogenblik waarop de werknemersorganisaties hun kandidaten voor de syndicale afvaardiging hebben voorgedragen. Het is niet betwist dat de kandidatuur van mevrouw L. al syndicaal afgevaardigde slechts werd voorgedragen bij schrijven van 6 februari 1998, terwijl mevrouw L. ontslagen werd op 5 februari
- Mevrouw L. had dan ook niet het statuut van syndicaal afgevaardigde en kan ook geen aanspraak maken op een beschermingsvergoeding. Het hoger beroep is ongegrond. IV. HET INCIDENTEEL BEROEP.
- Virgin Express stelde voor de eerste rechter een tegenvordering. Deze tegenvordering steunde hierop dat zij de kosten had dienen te maken van een dure krantenadvertentie om het negatieve veiligheids-imago, dat mevrouw L. had gecreëerd door haar interview, recht te zetten. Zij vroeg de terug-betaling van de kosten van deze advertentie. De eerste rechter was van oordeel dat uit de inhoud van de advertentie niet bleek dat deze een reactie was op het interview van mevrouw L. maar dat het eerder ging om een reactie op de staking die had plaatsgevonden, en dat er derhalve geen verband was tussen de gevorderde schade en de aan mevrouw L. ten laste gelegde fout.
- Bij de beoordeling van de gegrondheid van het ontslag om dringende reden is het hof tot het besluit gekomen dat niet bewezen is dat mevrouw L., in het betwiste interview, met kwaadwillige bedoelingen onjuiste informatie verstrekt heeft met betrekking tot de veiligheid op de vliegtuigen van Virgin Express of dat mevrouw L. een inbreuk gemaakt heeft op de ingeroepen wettelijke en conventionele bepalingen met betrekking tot het "verbod" om verklaringen af te leggen in het publiek. Daaruit volgt dat de vordering, die steunt op deze fout, niet kan toegewezen wordt. Ten overvloede is het hof met de eerste rechter van oordeel dat uit de persmededeling niet blijkt dat deze een rechtzetting inhield ten aanzien van de verklaringen van mevrouw L. of daardoor noodzakelijk werd gemaakt. Het incidenteel beroep is dan ook ongegrond. OM DEZE REDENEN : Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk en als volgt gegrond; Veroordeelt de nv Brussels Airlines tot betaling aan mevrouw L. van een verbrekingsvergoeding van 5.692,96 euro bruto, te verhogen met de wettelijke intresten op het overeenstemmende nettobedrag vanaf 5 februari 1998 en de gerechtelijke intresten; Wijst het hoger beroep voor het overige af; Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond; Veroordeelt Brussels Airlines tot 8/10e van de kosten van beide aanleggen en mevrouw L. tot 2/10e van de kosten; Begroot de kosten in hoofde van mevrouw L. op 138,05 euro dagvaardingskosten, 218,64 euro rechtspleging-vergoeding in eerste aanleg en 2.000,00 euro rechts-plegingsvergoeding in graad van beroep; Begroot de kosten in hoofde van de nv Brussels Airlines op 218,64 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 2.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep; Aldus gewezen door de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : Mr. F. KENIS: Raadsheer. De Heren : J. LINDEMANS : Raadsheer in sociale zaken als werkgever, R. VANDENPUT : Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, En bijgestaan door : D. DE RAEDT : Griffier, J. LINDEMANS, R. VANDENPUT, D. DE RAEDT, F. KENIS, En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 2 juni 2009 door Mr. F. KENIS, Raadsheer, bijgestaan door D. DE RAEDT, griffier, D. DE RAEDT, F. KENIS, PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090602.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div