id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090604.15 Rolnummer: 50.717 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-08-12 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-07-02 19:54 Fiche De vermeerdering van de administratiekosten overeenkomstig artikel 195 § 2 van de gecoördineerde ZIV-wet geldt ten aanzien van de sommen die worden teruggevorderd met toepassing van artikel 164, voor zover de ten onrechte gedane betaling niet voortvloeit uit een fout, een vergissing of nalatigheid van het ziekenfonds. De teruggave van de bedrijfsvoorheffing ingevolge ten onrechte door de mutualiteiten betaalde sociale uitkeringen, gebeurt door de fiscale overheid door een systeem van compensatie, waarbij voor de belastingsplichtige negatieve fiches worden opgemaakt, die als bewijs van de terugbetaling gelden. Een gelijkaardige werkwijze wordt gehanteerd in verband met de inhoudingen RVP. Ten onrechte herleidt het RIZIV dit systeem tot een boekhoudkundige regularisatie. De verzekeringsinstellingen dienen immers de nodige actieve stappen te zetten voor het terugbekomen van de ten onrechte uitgekeerde prestatie. Het ziekenfonds bekomt door deze werkwijze dan ook vergoeding van de waarde van het gedeelte van de ten onrechte betaalde prestatie. Deze waarde wordt daadwerkelijk vergoed aan het verzekeringssysteem die ze heeft verleend. Hieruit volgt dat de verhoging van de administratiekosten op deze gerecupereerde bedragen kan worden aangerekend, zodat NVSM terecht vroeg dat de andersluidende controleverslagen van het RIZIV zouden worden vernietigd. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Instituut en hulpkas Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - Vermeerdering van de administratiekosten - Teruggave van de bedrijfsvoorheffing en de inhoudingen voor de RVP. Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - 195,§2 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIER JUNI TWEEDUIZEND EN NEGEN. 7e KAMER ziekteverzekering tegenspraak definitief In de zaak : RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, openbare instelling, met zetel te 1150 Brussel, Tervurenlaan 211, appellante, vertegenwoordigd door meester G. Ooms loco meester M. Van Bever, advocaat te Grimbergen, tegen : NATIONAAL VERBOND VAN SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN, met zetel te 1000 Brussel, Sint-Jansstraat 32-38, geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester S. Libeer, advocaat te Brussel. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken : -het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 14 december 2007 door de tiende kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel; -het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 27 februari 2008; -de conclusies voor de beide partijen; -de voorgelegde stukken; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 7 mei 2009, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden. * * *
- FEITEN EN RECHTSPLEGING Het RIZIV betekende 4 controle verslagen aan NVSM, met name - controleverslag 003105CE00093000 van 21 oktober 2005 - controleverslag 003105CE00093400 van 25 oktober 2005 - controleverslag 003105CE00096300 van 28 oktober 2005 - controleverslag 003105CE00099400 van 8 november 2005 De eerste drie controleverslagen hebben betrekking op een vaststelling inzake de compensatie van bedrijfsvoorheffing; het laatste betreft de compensatie van de inhoudingen voor de RVP en in dit controleverslag wordt ook een sanctie voorgesteld op grond van artikel 318, 20° van het KB van 3 juli
- In essentie houdt het RIZIV voor dat de recuperatie van de bedrijfsvoorheffing en van de inhouding RVP niet mag leiden tot een verhoging van de administratiekosten, omdat het niet gaat om effectief terugbetaalde bedragen, maar wel om sommen die boekhoudkundig werden geregulariseerd. NVSM betwist dit standpunt en dagvaardde op 17 november 2005 het RIZIV voor de arbeidsrechtbank te Brussel teneinde de vernietiging te bekomen van de 4 controleverslagen voor wat betreft de daarin gedane vaststellingen aangaande de bedrijfsvoorheffing en de inhoudingen RVP. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 14 december 2007 werd deze vordering ontvankelijk en gegrond verklaard en werden de aangeduide controleverslagen op het gevraagde punt vernietigd. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen op de griffie van het arbeidshof op 27 februari 2008, tekent het RIZIV hoger beroep aan en vraagt dat de oorspronkelijke vordering ongegrond zou worden verklaard, zodat de controleverslagen volledig gehandhaafd blijven.
- BEOORDELING. NVSM maakt melding van de betekening van het vonnis op 19 februari 2008, zodat kan worden aangenomen dat het hoger beroep van 27 februari 2008 tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.
- Het wettelijk kader. Artikel 195 §2 van de gecoördineerde ZIV-wet van 14 juli 1994 bepaalt : Onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten die door de Koning worden bepaald, worden de administratiekosten vermeerderd met minimum 8% en maximum 20% van de sommen die worden teruggevorderd met toepassing van... artikel 164, voor zover in dit laatste geval de ten onrechte gedane betaling niet voortvloeit uit een fout, een vergissing of een nalatigheid van de verzekeringsinstelling. Deze bepaling werd uitgevoerd door artikel 1 van het KB van 7 oktober 1993, waaruit volgt dat de administratiekosten worden verhoogd met het bedrag van de prestaties die effectief zijn teruggevorderd bij toepassing van artikel 164 van de ziekteverzekeringswet met inbegrip van de geïnde interesten. Artikel 164 van de gecoördineerde ZIV-wet van 14 juli 1994 bepaalt : Onder voorbehoud van ..., is hij die, ten gevolge van een vergissing of bedrog, ten onrechte prestaties heeft ontvangen van de verzekering voor geneeskundige verzorging, van de uitkeringsverzekering of van de moederschapsverzekering, verplicht de waarde ervan te vergoeden aan de verzekeringsinstelling die zij heeft verleend. ... Gelet op het feit dat artikel 195 §2 voor de verhoging van de administratiekosten verwijst naar de terugvorderingen bij toepassing van artikel 164, is de vraag dan ook of de inhoudingen wegens bedrijfsvoorheffing en bijdrage RVP kunnen teruggebracht worden naar de ten onrechte ontvangen prestaties en in hoeverre NVSM hiervoor een terugvordering heeft gedaan. Wanneer het dagbedrag van de invaliditeitsuitkeringen een bepaald plafond overschrijdt, dient het ziekenfonds hierop immers een inhouding te doen van 3,5% ten voordele van de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen. Het in aanmerking nemen van de terugbetaling van deze inhouding bij het ontvangen van onterechte prestaties wordt geviseerd in het controleverslag 003105CE00099400 van 8 november
- Ook de bedrijfsvoorheffing betreft een inhouding op prestaties, die moeten worden terugbetaald wanneer ze voldoen aan de voorwaarde van artikel 164 van de gecoördineerde ZIV-wet. (hierover gaan de overige 3 controleverslagen) Deze bedrijfsvoorheffing wordt geregeld in de artikelen 270 e.v. WIB 1992 en zij wordt overeenkomstig artikel 249 van dit wetboek geheven bij wijze van voorheffing op de beroepsinkomsten. Het Hof van Cassatie leert dat de voorheffing geen belasting is, maar slechts een wijze van heffing van de over alle inkomsten verschuldigde gezamenlijke belasting waarmee die voorheffing dient te worden verrekend. ( Cass. 25 mei 1989, Arr. Cass. 1988 -89, 548) Na deze berekening kan de bedrijfsvoorheffing in aanmerking komen voor teruggave aan de belastingplichtige ( Cass. 20 december 1985, Arr. Cass. 1985-86, 274). Een bedrijfsvoorheffing is dus een voorschot op belastingen, dat wordt afgehouden aan de bron en wordt geïnd gedurende het jaar zelf waarin de inkomsten worden ontvangen en zij wordt berekend op de inkomsten die een zekere stabiliteit vertonen. De storting van de bedrijfsvoorheffing is verplicht en ten laste van de schuldenaar ( hier het ziekenfonds) van de belastingplichtige ( Grondw. Hof 34/2008 van 28 februari 2008, B.7.3.en B.10). 2.
- Toepassing. De bedrijfsvoorheffing en de inhouding RVP worden dus bij wijze van bronheffing op de prestaties aangerekend en het ziekenfonds is voor de doorstorting van deze inhoudingen de schuldenaar lastens de fiscus en de sociale zekerheidsinstelling. Aangezien deze inhoudingen worden aangerekend op de prestatie, maken ze hiervan deel uit, ook al maken ze geen deel uit van het bedrag dat aan de verzekerde wordt uitgekeerd. Wanneer de prestatie bij vergissing of bedrog ten onrechte wordt uitgekeerd, dan dient de waarde ervan door de ontvanger te worden vergoed aan de verzekeringsinstelling die zij heeft verleend. ( artikel 164 van de gecoördineerde ZIV-wet) Artikel 164 is in algemene termen gesteld en heeft niet enkel betrekking op de uitkering aan de verzekerde, zodat ook de fiscus en de RVP gehouden zijn om het door hen ontvangen gedeelte van de ten onrechte uitgekeerde prestatie aan het ziekenfonds te vergoeden. Ook in verband met vergoeding van de waarde van de ten onrechte ontvangen prestatie wordt een zeer algemene terminologie gebruikt, zodat het zonder belang is of deze vergoeding gebeurt bij wijze van betaling of compensatie. De vermeerdering van de administratiekosten overeenkomstig artikel 195 §2 van de gecoördineerde ZIV-wet geldt ten aanzien van de sommen die worden teruggevorderd met toepassing van artikel 164, voor zover de ten onrechte gedane betaling niet voortvloeit uit een fout, een vergissing of nalatigheid van het ziekenfonds (deze beperking is hier niet van toepassing). In de circulaire CI.RH.241/292.938 van 28 juli 1978 wordt de regeling beschreven die de fiscus hanteert in verband met de teruggave van de bedrijfsvoorheffing ten aanzien van ten onrechte door de mutualiteiten betaalde sociale uitkeringen. Deze regeling komt erop neer dat de teruggave gebeurt door een systeem van compensatie, waarbij voor de belastingplichtige negatieve fiches worden opgemaakt, die als een bewijs van terugbetaling gelden. Partijen bevestigen dat een gelijkaardige werkwijze wordt gehanteerd in verband met de inhoudingen RVP. Ten onrechte herleidt het RIZIV dit systeem tot een boekhoudkundige regularisatie. De verzekeringsinstelling dient immers de nodige actieve stappen te zetten voor het terugbekomen van de ten onrechte uitgekeerde prestatie; het ziekenfonds bekomt door deze werkwijze dan ook vergoeding van de waarde van het gedeelte van de ten onrechte uitgekeerde prestatie. De verzekerde/belastingplichtige bekomt overigens bij wijze van negatieve fiche een bewijs van terugbetaling. Terecht stelt NVSM dat noch artikel 195 §2 van de gecoördineerde ZIV-wet, noch artikel 1 KB 7 oktober 1993, regels bepaalt in verband met de wijze van terugvordering. Enkel wordt verwezen naar artikel 164, dat spreekt over het vergoeden van de waarde van de ten onrechte uitgekeerde prestatie. Door het toegepaste systeem wordt deze waarde daadwerkelijk vergoed aan de verzekeringsinstelling die ze heeft verleend. Hieruit volgt dat de verhoging van de administratiekosten op deze gerecupereerde bedragen kan worden aangerekend, zodat NVSM terecht vroeg dat de andersluidende controleverslagen van het RIZIV zouden worden vernietigd op dit punt. Terecht merkt de eerste rechter hierbij op dat het RIZIV geen bezwaar maakt tegen de opname van de bedrijfsvoorheffing, wanneer deze bij de belastingplichtige gerecupereerd wordt op het ogenblik dat deze reeds verrekend is in de belastingsaanslag. Weliswaar maakt op dat ogenblik de recuperatie deel uit van de terugvordering bij de belastingplichtige/verzekerde, maar wanneer de terugvordering het gevolg is van de vergoeding van de waarde van de ten onrechte uitgekeerde prestatie door de fiscus zelf, dan valt deze evengoed onder de voorwaarde van artikel 195 §
- Anders oordelen, zou het pervers gevolg kunnen hebben dat de verzekeringsinstellingen er belang bij zouden hebben om te wachten met de terugvordering tot de bedrijfsvoorheffing in de belastingsaanslag verrekend is. Het hoger beroep is dan ook ongegrond. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis, Veroordeelt het RIZIV tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van NVSM begroot op rechtsplegingsvergoeding euro 120,
- Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: L. Lenaerts raadsheer, voorzitter; J.-M. Boulogne raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; J.-P Van Coningsloo raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; L. Herregodts, griffier. L. Lenaerts L. Herregodts J.-P Van Coningsloo J.-M. Boulogne en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vier juni tweeduizend en negen van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel door: L. Lenaerts raadsheer, voorzitter, Bijgestaan door L. Herregodts griffier. L. Lenaerts L. Herregodts PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090604.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div