← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090611.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 11 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090611.7 Rolnummer: 50.928 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-08-12 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-02 19:57 Fiche Om de vraag te beantwoorden of er sprake is van vooraf bestaande toestand die de erkenning in de ziekteverzekering uitsluit, dient men zich niet te plaatsen op het ogenblik waarop de verzekerde zijn intrede doet op de arbeidsmarkt, waarbij concreet verwezen wordt naar het ogenblik waarop de verzekerde is beginnen werken of zich voor de arbeidsmarkt heeft opengesteld door zich als werkzoekende in te schrijven. Uit de tekst van de wet vloeit alleen voort dat bij de erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid dient onderzocht te worden of er sprake is van een onderbreking van arbeid als onmiddellijk gevolg van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen, waardoor een bestaande arbeidsgeschiktheid verloren gaat. Het Hof dient dus enkel te onderzoeken of er ooit een arbeidsongeschiktheid aanwezig is geweest.. Het feit van zijn middelbare studies te hebben beëindigd kan op zich reeds een indicatie inhouden dat de betrokkene op dat ogenblik in een toestand verkeerde waarin zijn vermogen tot verdienen niet l11Ct meer dan 2/3e was aangetast. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Uitkeringsverzekering - Evaluatie ongeschiktheid Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - Arbeidsongeschiktheid - Begrip - Vooraf bestaande toestand. Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - 100,§1,al.1 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Nota: Gerangschikt onder VII. D.N. art. 100, § 1, al.

  1. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ELF JUNI TWEEDUIZEND EN NEGEN. 7e KAMER Z.I.V. werknemers Tegensprekelijk Definitief NOT. 580 1) Ger.Wb. In de zaak: C. E., Appellant, vertegenwoordigd door Mr. G. Ooms, advocaat te Brussel; Tegen:
  2. RIJKSINSTITUUR VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, openbare instelling met zetel te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan 211; Eerste Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. M/ Peerenboom loco Mr. M. Van Bever, advocaat te Grimbergen;
  3. LANDSBOND DER ONAFHANKELIJKE ZIEKENFONDSEN, met zetel te 1150 BRUSSEL, Sint-Huibrechtstraat 19; Tweede geïntimeerde, verschijnt niet ter zitting en wordt er niet vertegenwoordigd; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 10e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 21 maart 2008 (AR nr 82.090/04) en per gerechtsbrief aan partijen betekend op 8 april 2008; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 5 mei 2008; - de besluiten van de beide partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 14 mei 2009 waarna de debatten gesloten werden. Gehoord het mondeling advies van het Openbaar Ministerie, waarop partijen niet wensten te repliceren en waarna de zaak in beraad werd genomen. p p p I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
  4. De heer C. is geboren op ...
  5. Hij voltooide zijn secundaire studies op 30 juni 1996, hetzij op de leeftijd van 20 jaar. Daarna schreef hij zich in aan de universiteit maar slaagde driemaal op rij niet in zijn eerste jaar. Tijdens de vakantieperiodes deed hij wel vakantiejobs. Begin september 1999 schreef hij zich in voor een bedrijfsopleiding van opticien. Deze opleiding bestond uit een theoretisch gedeelte met twee lesdagen per week en drie dagen praktische en bezoldigde opleiding bij een opticien. Deze stage heeft hij stopgezet op 20 december 1999, volgens zijn verklaring ingevolge het overlijden van zijn stagemeester. Op 25 november 1999 heeft hij zich ingeschreven als werkzoekende. In de loop van het jaar 2000 werd hij erkend in de werkloosheid en ontving hij werkloosheidsuitkeringen. In de loop van het jaar 2001 heeft hij nog gewerkt van 29 januari tot 16 februari
  6. Op 11 oktober 2001 werd hij arbeidsongeschikt erkend door de adviserend geneesheer van de Landsbond der Onafhankelijke Ziekenfondsen (verder de Landsbond). Hij bleef verder erkend in de ziekteverzekering tot 14 juni
  7. Tijdens zijn periode van erkende arbeidsongeschiktheid heeft hij met toestemming van de adviserend geneesheer gedurende bepaalde periodes (deeltijds)gewerkt.
  8. Bij beslissing van 8 juni 2004 heeft de Geneeskundige Raad voor de Invaliditeit van het Rijksinstituut voor Ziekte -en Invaliditeitsverzekering (RIZIV) een einde gesteld aan de erkenning van de arbeidsongeschiktheid, en dit vanaf 14 juni
  9. Uit het verslag van de Geneeskundige Raad blijkt dat deze beslissing steunt op het feit dat de heer C. in feite nooit een verdienvermogen gehad had, en dat er sprake was van een vooraf bestaande toestand.
  10. Bij verzoekschrift van 9 september 2004 heeft de heer C. beroep aangetekend tegen deze beslissing.
  11. Bij vonnis van 21 maart 2008, ter kennis gebracht bij gerechtsbrief 8 april 2008, heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de vordering afgewezen. De arbeidsrechtbank volgde de stelling van het RIZIV dat er sprake was van een vooraf bestaande toestand. De rechtbank verwees naar een aantal medische verslagen waaruit zij afleidde dat de heer C. reeds vóór het jaar 2000 ernstig ziek was, en dat er geen sprake was van een verslechtering van de gezondheidstoestand van de heer C., in vergelijking met het ogenblik waarop hij zich op de arbeidsmarkt begaf. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de termijn van één maand na kennisgeving van het vonnis en is derhalve tijdig en ontvankelijk. ó ó ó III. BEOORDELING.
  12. De heer C. betwist dat hij nooit geschikt geweest is voor de arbeidsmarkt. Hij stelt dat hij vóór zijn hospitalisatie in de loop van de maand oktober 2001 geen ernstige gezondheidsproblemen heeft gehad. Hij verwijst daarbij naar medische attesten van zijn huisarts, die bevestigt dat deze hem tussen 1992 en 2001 nooit behandeld heeft voor psychiatrische aandoeningen noch hem doorverwezen heeft naar een psychiater. Hij wijst er ook op dat voor hem geen verhoogde kinderbijslag werd aangevraagd.
  13. Overeenkomstig artikel 100 § 1 al.1 van de gecoördineerde wetten van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen wordt als arbeidsongeschikt erkend de werknemer die alle werkzaamheid heeft onderbroken, als rechtstreeks gevolg van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen waarvan erkend wordt dat ze zijn vermogen tot verdienen verminderen tot een derde of minder dan een derde van wat een persoon van dezelfde stand en met dezelfde opleiding kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepencategorie waartoe de beroepsarbeid behoort, door de betrokkene verricht toen hij arbeidsongeschikt is geworden, of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitoefenen uit hoofde van zijn beroepsopleiding. Uit deze bepaling blijkt dat om arbeidsongeschikt erkend te worden in de zin van de voormelde bepaling, aan drie voorwaarden moet voldaan worden:

(1)de betrokkene moet alle werkzaamheid stopgezet hebben
(2)hij dient een vermindering van zijn vermogen tot verdienen ondergaan te hebben tot 1/3° of minder dan 1/3°
(3)deze vermindering dient het rechtstreeks gevolg te zijn van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen.
  1. Geen betwisting bestaat over het feit dat de heer C. zijn werkzaamheid heeft stopgezet en dat hij letsels vertoont die zijn verdienvermogen aantasten in de zin van de wet. De vraag is alleen of deze aantasting van het verdienvermogen "het directe gevolg is van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen". De laatst geciteerde zin werd in de wet van 9 augustus 1963 op de ziekte- en invaliditeitsverzekering (thans de gecoördineerde wetten van 14 juli 1994) ingelast door het volmachtbesluit nr. 22 van 23 maart
  2. Zoals uiteengezet in de studie van L. Verbruggen, adviseur bij het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering (Overzicht van rechtspraak in verband met de vooraf bestaande toestand - artikel 100 § 1 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, Informatieblad RIZIV 1998, p.557) gebeurde deze aanpassing n.a.v. van een cassatiearrest van 26 maart 1979 (Arr.Cass.1978-1979, p.875) waarin overwogen werd dat de tekst van artikel 56 van de wet van 9 augustus 1963, zoals die toen bestond, geen onderscheid maakte naargelang van de oorzaak van de bedoelde letsels of functionele stoornissen noch naargelang de vorige gezondheidstoestand. In het verslag van de Koning, dat het Koninklijk Besluit van 23 maart 1982 voorafgaat, wordt aangegeven dat de voorgestelde wijziging beoogt een einde te stellen aan de bestaande anomalie waardoor sommige rechthebbenden, wiens vermogen tot verdienen al in belangrijke mate verminderd was bij de aanvang van hun tewerkstelling en wiens arbeidsonderbreking niet het gevolg is van het verslechteren van een gezondheidstoestand, ingevolge een letterlijke interpretatie van artikel 56 als arbeidsongeschikt erkend konden worden. In de geciteerde studie van L. Verbruggen uit 1998 worden een aantal situaties opgesomd waarbij toepassing gemaakt werd van deze nieuwe bepaling. Verwezen wordt naar de situatie van verzekerden met een aangeboren aandoening, die nooit een beroepsactiviteit hebben uitgeoefend, naar de verzekerden die slechts hebben gewerkt in een beschermde omgeving en naar verzekerden wiens gebrekkige gezondheidstoestand reeds bestond op het ogenblik van hun ‘statuutwijziging' (bedoeld wordt de overgang van het stelsel van zelfstandigen naar dat van de werknemer).
  3. Een deel van de rechtspraak neemt, aansluitend op de administratieve praktijk van de Geneeskundige Raad voor de Invaliditeit, aan dat de vraag of er sprake is van vooraf bestaande toestand, die een erkenning in de ziekteverzekering uitsluit, dient beoordeeld te worden op het ogenblik dat de verzekerde zijn intrede doet op de arbeidsmarkt, waarbij concreet verwezen wordt naar het ogenblik waarop de verzekerde is beginnen te werken of zich voor de arbeidsmarkt heeft opengesteld door zich als werkzoekende te laten inschrijven. In deze benadering wordt het ogenblik waarop de vooraf bestaande toestand dient beoordeeld te worden aldus geïndividualiseerd volgens het ogenblik waarop de betrokkene zich op de arbeidsmarkt begeeft. Door een dergelijke benadering wordt echter volgens het Hof aan de wet een voorwaarde toegevoegd die zij niet bevat. Deze benadering leidt bovendien tot oplossingen die discriminerend zijn in functie van het ogenblik waarop een jongere zich effectief op de arbeidsmarkt begeeft en die aldus als bijzonder onbillijk aangevoeld worden. Een jongere van 18 jaar, die 6 maanden gewerkt heeft en op dat ogenblik het slachtoffer wordt van een verkeersongeval of een ernstige ziekte met een blijvende handicap, zal zonder enige betwisting vergoed worden zolang zijn handicap duurt en desgevallend levenslang. Een jongere daarentegen die na zijn 18 jaar zijn studies verder zet met het oog op de vergroting van zijn kansen op de arbeidsmarkt (waartoe de jongere ook door overheidscampagnes aangemoedigd worden) en die het slachtoffer wordt van een ongeval of ziekte net voor hij de stap naar de arbeidsmarkt kan zetten, zal in deze interpretatie nooit vergoed worden. Er kan als voorbeeld gewezen worden naar de student geneeskunde die minimaal tot zijn 25 jaar studeert (maar ook vaak nog langer), en die tijdens het laatste jaar van zijn studies, of zelfs tijdens zijn laatste vakantie, het slachtoffer wordt van een ongeval met blijvende handicap. Nochtans was die persoon voor zijn ongeval ongetwijfeld arbeidsgeschikt. Anders zou hij die moeilijke studie geen 7 jaar hebben kunnen volhouden en beëindigen. Hij heeft ook 7 jaar lang inspanningen geleverd om een goede positie op de arbeidsmarkt in te kunnen nemen. Het criterium dat de vooraf bestaande toestand dient geëvalueerd te worden op het ogenblik van het intreden van de arbeidsmarkt, kan ook niet gevonden worden in de omstandigheid dat een verzekerde eerst moet gewerkt hebben alvorens arbeidsongeschikt te kunnen worden verklaard. De student die zich aan het einde van zijn studies als werkloze inschrijft en na het volbrengen van een wachttijd werkloosheidsuitkering ontvangt, zal daardoor ook zijn stage in de ziekteverzekering kunnen vervullen en arbeidsongeschikt erkend kunnen worden zonder dat hij ooit gewerkt heeft.
  4. Uit de tekst van de wet vloeit alleen voort dat bij de erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid dient onderzocht te worden of er sprake is van een onderbreking van de arbeid als onmiddellijk gevolg van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen, waardoor een bestaande arbeidsgeschiktheid verloren gaat. Het Hof dient aldus enkel te onderzoeken of er bij de heer C. ooit een arbeidsgeschiktheid aanwezig geweest is.
  5. Volgens een attest, afgeleverd door de huisarts, heeft de heer C. vóór het jaar 2001 geen medische behandeling ondergaan of bijzondere gezondheidsproblemen gekend. Hij heeft in het jaar 1996 zijn middelbare studies beëindigd, hetgeen op zich reeds een indicatie inhoudt dat hij op dat ogenblik in een toestand verkeerde waarin zijn vermogen tot arbeiden niet met meer dan 2/3e was aangetast. Hij heeft daarna universitaire studies aangevat. Hij is uiteindelijk niet geslaagd in zijn eerste jaar, maar de reden daarvoor is niet bekend. Wel staat op basis van de neergelegde stukken vast dat de heer C., tijdens de periode van zijn studies, tweemaal een vakantiejob van 30 dagen heeft verricht, wat aanduidt dat er op dat ogenblik zeker een voldoende arbeidsgeschiktheid was. In de loop van de maand september 1999 heeft de heer C. zich dan ingeschreven voor een opleiding als opticien. Gedurende drie of vier maanden volgde hij deze opleiding met twee volledige lesdagen per week en 3 dagen bezoldigde stages. Uit het dossier blijkt dat hij die stage effectief gevolgd heeft en daarvoor een voldoende beoordeling heeft gekregen. Hij heeft de stage dienen stop te zetten in gevolge het overlijden van zijn stagemeester en het feit dat hij niet onmiddellijk een andere stagemeester vond. Hij heeft zich op dat ogenblik ook ingeschreven als werkzoekende. Ook in de maand februari 2001 heeft hij nog gewerkt Geen enkele element laat aldus toe te stellen dat de heer C. nooit arbeidsgeschikt geweest is. In het verslag van de Geneeskundige Raad voor de Invaliditeit worden (blijkbaar op basis van de ondervraging van de heer C.), de eerste gezondheidsproblemen gesitueerd in de maand oktober 1998, waarbij een vervreemding van de omgeving zou ontstaan zijn. Van een medische behandeling is echter, volgens de stukken van het RIZIV slechts sprake vanaf het jaar
  6. In het verslag van dokter A. wordt verwezen naar een gedwongen opname in de loop van de maand november 2000, doch na een onderzoek van de Vrederechter, werd deze maatregel onmiddellijk opgeheven.
  7. Bovendien is het zo dat, zelfs indien men op basis van het Verslag van de Geneeskundige Raad voor de Invaliditeit en op basis van het verslag van dokter A., aanneemt dat zich, vóór de erkenning door de adviserend geneesheer van de mutualiteit, symptomen ontwikkeld hebben van een ziekte, die zich later ontwikkelde tot schizofrenie, niets toelaat om aan te nemen dat deze symptomen op dat ogenblik reeds een (blijvende) arbeidsongeschiktheid van meer dan 66% met zich meebrachten. Een erkenning in ziekteverzekering kan echter niet alleen steunen op het intreden van letsels of functionele stoornissen, maar ook op de verergering van een vroegere toestand, die toen nog niet leidde tot een vermindering van het verdienvermogen tot minder dan 1/3e. M.a.w. zelfs indien de heer C. in de jaren voor zijn intrede in de ziekteverzekering reeds voor bvb. 50% arbeidsongeschikt was, belet zulks niet dat hij, ingevolge een verergering van die toestand, erkend kon worden in de ziekteverzekering, (waarbij de arbeidsongeschiktheid diende beoordeeld te worden aan de hand van het geheel van zijn medische situatie en niet enkel in functie van de verergering van die situatie: cfr. Cass. 1.10.1990, J.T.T. 1990, 465). Verder kan een weigering van erkenning omwille van een vooraf bestaande toestand niet gebeuren op basis van de enkele vaststelling dat een verzekerde een grote aanleg vertoont om een bepaalde ziekte te ontwikkelen.
  8. De aanstelling van een deskundige is, in de omstandigheden van de zaak, zonder nut voor de oplossing van het geschil. Vóór zijn erkenning in de ziekteverzekering was er bij de heer C. enkel sprake van bepaalde symptomen maar was nog geen enkele behandeling ingesteld. Er zijn derhalve geen objectieve elementen, noch een medisch dossier voorhanden die een deskundige zouden toelaten om te oordelen of de heer C. op dat ogenblik al dan niet meer dan 66% arbeidsongeschikt was.
  9. De heer C. is door de medisch adviseur van de Landsbond en door de Geneeskundige Raad voor de Invaliditeit arbeidsongeschikt erkend geworden van 11 oktober 2001 tot 14 juni
  10. Uit de verslagen van dokter A. van 8 september 2004 en van professor D. van 9 september 2004 blijkt voldoende dat de heer C. na 14 juni 2004 nog verder arbeidsongeschikt was. Overigens blijkt uit het verslag van de Geneeskundige Raad voor de Invaliditeit van 8 juni 2004 dat deze Raad op die datum de arbeidsongeschikt van de heer C. niet in vraag stelde, maar enkel oordeelde dat deze arbeidsongeschiktheid te wijten was aan een vooraf bestaande toestand. Uit de door de heer C. voorgelegde stukken blijkt verder dat hij daarna nog arbeidsongeschikt erkend werd door de medisch adviseur van de Landsbond in de periode van 3 januari 2006 tot 31 december
  11. Daarna werd zijn erkenning blijkbaar opnieuw te niet gedaan door de Geneeskundige Raad voor de Invaliditeit, maar steeds op dezelfde basis. (Tegen deze beslissing zou een beroep zijn ingesteld bij de arbeidsrechtbank te Nijvel). Uit een verslag van behandelend psychiater De. van 31 oktober 2008 blijkt dat de toestand van de heer C. sinds 2005 negatief evolueert en dat er een verdere progressieve verergering is van de symptomen. In die omstandigheden kan geoordeeld worden dat de heer C. op dit ogenblik nog steeds meer dan 66 % arbeidsongeschikt is. ó ó ó OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Rechtsprekend op tegenspraak, Gehoord in zijn advies, de heer Jean-Jacques André, advocaat-generaal, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, Doet de bestreden volgens teniet en opnieuw wijzend, Vernietigt de bestreden beslissing van de Geneeskundige Raad voor de Invaliditeit van het RIZIV van 8 juni
  12. Zegt dat de heer C. vanaf 14 juni 2004 tot op dit ogenblik arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 100 van de wet van 14 juli 1994 op de ziekte en invaliditeitsverzekering. Verklaart de beslissing gemeen aan de Landsbond van Onafhankelijke Ziekenfondsen. Veroordeelt het RIZIV tot de kosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van de heer C. op 145,78 euro rechtsplegingsvergoeding. ó ó ó Aldus gewezen door de 7e kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De Heren : F. KENIS : Raadsheer, J.-M. BOULOGNE : Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever H. SILON : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider L. COEN : Griffier, J.-M. BOULOGNE H. SILON L. COEN F. KENIS En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 7e kamer van het Arbeidshof te Brussel op 11 juni 2009 door : De heer F. KENIS : Raadsheer, Bijgestaan door : L. COEN : Griffier, L. COEN F. KENIS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090611.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.