← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090625.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 25 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090625.2 Rolnummer: 51.346 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-06 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-02 20:05 Fiche Artikel 2 van de wet van 24 januari 1997 houdende wijziging van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1993 tot regeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen, strekkende tot verplichte inschrijving in de bevolkingsregisters van de personen die in België een verblijfplaats hebben . UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RIJKSREGISTER - Algemeen (rijksregister) Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - PUBLIEK- EN ADMINISTRATIEF RECHT - Wet betreffende [de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten] en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen - Artikel 1 - Voorwaarden referentieadres OCMW. Wettelijke bepalingen: Wet - 19-07-1991 - 1 - 31 ELI link Pub nr 1991000380 Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN NEGEN. 7e KAMER not. 580, 8°, Ger. W. maatschappelijke integratie tegenspraak gedeeltelijk definitief en heropening van de debatten In de zaak : S. L., zonder gekende woon- of verblijfplaats wegens ambtshalve afvoering, met postadres te (...) appellant, verschijnend in persoon, tegen : OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN BRUSSEL, met zetel te 1000 Brussel, Hoogstraat 298 A, geïntimeerde, vertegenwoordigd door meester N. Dugardin loco meester S. Wahis, advocaat te Brussel. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken : -het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 26 juni 2008 door de twintigste kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel en ter kennis gebracht van de partijen bij gerechtsbrief van 4 juli 2008 overeenkomstig art. 792, tweede lid, Ger. W.; -het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 11 september 2008; -de conclusies voor de beide partijen; -de voorgelegde stukken; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 7 mei 2009, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 20 mei 2009 zijn schriftelijk advies ter griffie neergelegd. Partijen konden tot 5 juni 2009 een repliek op dat advies ter griffie neerleggen, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden. * * *

  1. FEITEN EN RECHTSPLEGING. Op 14 september 2006 vraagt de heer L. S. aan het OCMW te Brussel een referentieadres; hij vraagt daarbij geen financiële steun aan, want hij verklaart geholpen te worden door vrienden en zijn onafhankelijkheid te willen behouden. Na een onderhoud met de sociaal assistente vraagt hij toch een leefloon. Op 2 oktober 2006 beslist het OCMW hem geen referentieadres toe te kennen, omdat hij niet bewijst in de onmogelijkheid te zijn zich op een privé-adres in te schrijven; tevens wordt er geen recht op maatschappelijke integratie toegekend, omdat hij niet bewijst over onvoldoende bestaansmiddelen te beschikken. De heer S. tekent verhaal aan tegen deze beslissingen bij de arbeidsrechtbank te Brussel op 14 februari
  2. Hangende de procedure breidt hij zijn vordering uit en vraagt hij een schadevergoeding van aanvankelijk euro 9.000 wegens het niet bekomen van een referentieadres. Bij vonnis van 26 juni 2008 beslist de arbeidsrechtbank deze beslissingen te vernietigen en zegt zij voor recht dat de heer S. aanspraak kan maken op een provisioneel bedrag aan financiële steun van euro 2500 voor de periode van 14 september 2006 tot en met de datum van het vonnis en van een leefloon voor de categorie alleenstaande vanaf deze datum. Tevens wordt gezegd voor recht dat het OCMW de heer S. een referentieadres moet toekennen gedurende vier maanden vanaf de uitspraak van dit vonnis. Tenslotte wordt de zaak voor verdere evaluatie in voortzetting gesteld op de zitting van 18 september 2008 en wordt het vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad. Dit vonnis wordt aan de heer S. ter kennis gebracht op 17 juli 2008 en bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Brussel op 11 september 2008, tekent hij hoger beroep aan en vraagt hij een referentieadres zonder tijdsbeperking onder verbeurte van een dwangsom van euro 100 per dag vanaf de vijfde dag na de uitspraak van het arrest; tevens vraagt hij de veroordeling van het OCMW tot een schadevergoeding van euro 17.000 te vermeerderen met intresten wegens schade geleden door het niet bekomen van een referentieadres. Het OCMW tekent geen incidenteel beroep aan. In antwoord op vragen van het auditoraat generaal aan het OCMW betreffende de uitvoering van dit vonnis, meldt de raadsman van het OCMW in een brief van 13 januari 2009 dat het bedrag van euro 2.500 gestort werd op een rekening van de heer S. 000-3212718-18, dat betrokkene op 10 juni 2008 ingeschreven werd op een referentieadres te M., maar dat hij daar op 27 juni 2008 ambtshalve werd geschrapt en dat de sociale antenne CASU de heer S. niet meer heeft kunnen ontmoeten sinds 9 oktober 2008 en geen enkel nieuws meer van hem ontvangt niettegenstaande verschillende pogingen om hem te contacteren. Uit twee brieven van de heer S. aan het auditoraat generaal blijkt dat hij aanvankelijk niet eens wist dat het bedrag van euro 2.500 op de aangeduide rekening was gestort, maar dat hij dit uiteindelijk toch heeft kunnen ontvangen, dat hij moeilijkheden heeft met het bekomen van het referentieadres en de betaling van het leefloon, waarvan hij vraagt dat het op het bovenvermelde rekeningnummer wordt overgeschreven. Als contactadres geeft hij (...) L op met de uitdrukkelijk verzoek hem aan te schrijven per adres (p.a.). Ter zitting van 7 mei 2009 antwoordt hij op een vraag van de advocaat-generaal dat hij een reizend bestaan heeft en dat hij op dat ogenblik gedurende reeds enige tijd verblijft te S.
  3. BEOORDELING Het vonnis van 26 juni 2008 werd aan de heer S. ter kennis gebracht op 17 juli 2008, zodat zijn hoger beroep, ingesteld op 11 september 2008 tijdig is. Het is tevens ontvankelijk.
  4. Het referentieadres. Art. 2 van de wet van 24 januari 1997 houdende wijziging van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1993 tot regeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen, strekkende tot verplichte inschrijving in de bevolkingsregisters van de personen die in België een verblijfplaats hebben, bepaalt : "Op dezelfde wijze worden de personen die bij gebrek aan voldoende bestaansmiddelen geen verblijfplaats hebben en die bij gebrek aan inschrijving in de bevolkingsregisters geen maatschappelijke bijstand kunnen genieten van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of om het even welk ander sociaal voordeel, ingeschreven op het adres van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar zij gewoonlijk vertoeven". Uit deze bepaling volgt dat de persoon die een referentieadres wil, een gebrek aan voldoende bestaansmiddelen dient te hebben en dat hij gewoonlijk moet vertoeven in de gemeente waar hij het OCMW verzoekt het referentieadres de bekomen. De heer S. benadrukt dat in deze bepaling geen tijdsbeperking voorkomt en hij verwijt aan de eerste rechter dat deze slechts een referentieadres heeft toegekend voor vier maanden. De heer S. veronachtzaamt echter dat de eerste rechter de zaak voor verdere evaluatie in voortzetting heeft gezet op de zitting van 18 september 2008 teneinde op dat ogenblik de juiste situatie in verband met de behoeftigheid na te gaan en dit rekening houdend met het feit dat de heer S. tevens een leefloon voor de categorie alleenstaande toegekend kreeg. De eerste rechter heeft aldus de voorwaarden voor het referentieadres verder willen toetsen en de tijdelijkheid staat dan ook in verband met het feit dat de eerste rechter slechts een tussenvonnis heeft uitgesproken, waarbij in een verdere evaluatie werd voorzien. Aldus heeft de eerste rechter niet uitgesloten dat de heer S. ook na de termijn van vier maanden zijn referentieadres zou behouden. Hierbij kon nagegaan worden of de voorwaarden verder vervuld bleven. De grief van de heer S. berust dan ook op een onjuiste lezing van het bestreden tussenvonnis. Zijn hoger beroep is op dit punt ongegrond. Het hoger beroep van de heer S. heeft verhinderd dat de evaluatie op 18 september 2008 plaatsvond. Gelet op de devolutieve kracht van het hoger beroep, zal het hof hierop verder ingaan in punt 2.
  5. Nu reeds kan vastgesteld worden dat het OCMW hoger beroep, noch incidenteel beroep tegen het bestreden vonnis heeft aangetekend, zodat het de beslissing van de eerste rechter aanvaardt wat betreft de toekenning van het provisioneel bedrag van euro 2.500, dat inmiddels reeds is uitbetaald en wat betreft de toekenning van het leefloon alleenstaande. Hieruit volgt dat het OCMW, samen met de eerste rechter de behoeftigheid van de heer S. aanvaardt. De eerste rechter heeft aangegeven welke elementen zij hiervoor in aanmerking nam. Anderzijds heeft het OCMW vruchteloos getracht de heer S. te bereiken; de sociale antenne CASU kon de heer S. niet meer ontmoeten sinds 9 oktober 2008 en heeft sindsdien ook geen enkel nieuws meer van hem ontvangen, niettegenstaande verschillende pogingen om hem te contacteren ( zie schrijven raadsman OCMW aan auditoraat generaal van 13 januari 2009). Wel blijkt dat de heer S. tussen 20 juni 2008 en 27 juni 2008 een referentieadres bekwam te M., maar dat hij aldaar opnieuw ambtshalve werd afgeschreven. In zijn briefwisseling geeft de heer S. een adres te L. op. Ter zitting maakt hij melding van een reizend bestaan en een verblijf te S. Aldus staat helemaal niet vast in hoeverre de heer S. terecht een referentieadres te Brussel aanvroeg, daar hij hiervoor in deze gemeente gewoonlijk moet vertoeven. Zeer terecht heeft de eerste rechter dan ook slechts bij tussenvonnis beslist en verdere evaluatie noodzakelijk geacht.
  6. De schadevergoeding van euro 17.
  7. Om een schadevergoeding te kunnen bekomen, moet de heer S. een fout van het OCMW, zijn schade en het oorzakelijk verband hiertussen aantonen. Uit wat hierboven is vastgesteld, volgt dat de eigen levenswijze van de heer S. een toetsing van de voorwaarden voor het bekomen van een referentieadres precair en zeer moeilijk maakt, wat ook de eerste rechter heeft doen besluiten tot het in eerste instantie toekennen van een dergelijke adres gedurende slechts een bepaalde termijn om dan verder na te gaan in hoeverre de wettelijke voorwaarden vervuld bleven. Er dient immers een minimum lokaal aanknopingspunt te zijn, wat de wetgever heeft uitgedrukt door te verwijzen naar de gemeente waar de aanvrager van een referentieadres gewoonlijk vertoeft. Waar het OCMW te Brussel een sociale antenne voor daklozen heeft ingericht, doet zij alleszins pogingen om het contact met deze doelgroep actief na te streven; zelfs deze pogingen lieten niet toe de heer S. te lokaliseren. Terecht wijst het Openbaar Ministerie erop dat de heer S. ter zitting aangaf eigenlijk niet gesteld te zijn op een vaste woning, er niet naar uitkijkt en dat een rondreizend leven zijn bewuste keuze uitmaakt. Dit is zijn goed recht, maar het is al te gemakkelijk om de gevolgen, die deze keuze met zich meebrengen, af te wentelen op een zogenaamde fout van het OCMW. Een dergelijke fout wordt door de heer S. niet aangetoond, temeer daar de sociale assistent hem er nog op gewezen heeft dat hij een leefloon kon aanvragen indien hij behoeftig was, wat hij aanvankelijk niet wilde doen omdat hij zijn onafhankelijkheid wilde behouden en eerder verkoos geholpen te worden door vrienden. Waar de heer S. geen fout bewijst in hoofde van het OCMW en de ongemakken waarover hij zich nu beklaagt, eerder het gevolg blijken te zijn van zijn levenskeuze, toont hij alleszins het oorzakelijk verband met de schade, die hij voorhoudt, niet aan. Bovendien bewijst hij zijn schade niet. Terecht merkt het Openbaar Ministerie op dat hij deze in eerste aanleg nog begroot op euro 9.000, wat aangeeft dat hij in verband met de presentatie van zijn schade eerder lukraak te werk gaat. Zijn bijkomende vordering is op dit punt dan ook ongegrond. Het hoger beroep kan niet worden aanvaard.
  8. De devolutieve kracht van het hoger beroep : verdere opvolging. Uit het bovenstaande volgt dat de eerste rechter eveneens terecht beslist heeft om de situatie verder te evalueren en het hof trekt dit onderdeel aan zich. In 2.1 werd reeds aangegeven dat een minimale lokale band van de heer S. met het OCMW te Brussel geenszins evident is, niettegenstaande de pogingen van het OCMW om de heer S. aan te treffen. Ook voor het voorlopig toegekende leefloon is de medewerking van de heer S. noodzakelijk. Teneinde tot een effectieve opvolging en reële evaluatie te kunnen komen, dient de heer S. dan ook binnen de 10 werkdagen na de kennisname van dit arrest contact op te nemen met het OCMW om een door hem na te komen afspraak vast te leggen, waardoor het aan het OCMW mogelijk wordt om een sociaal verslag op te maken in verband met zijn reële woon-, leef- en financiële situatie. Het arbeidshof heropent de debatten voor verdere evaluatie in voortzetting op de zitting van 3 september 2009 om 14u 30, zodat het de gepaste conclusies kan trekken uit de inhoud van het sociaal verslag of het ontbreken ervan. Het OCMW zal alsdan toelichting kunnen verschaffen over de klacht van de heer S. dat geen uitvoering werd gegeven aan het vonnis van de eerste rechter wat betreft het toekennen van een referentieadres gedurende vier maanden en wat betreft de uitbetaling van het leefloon voor de categorie alleenstaanden vanaf de datum van uitspraak door de eerste rechter. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Gelet op het schriftelijk advies van de heer J.-J. André, advocaat-generaal, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 20 mei 2009 waarop repliek van de heer S. is gevolgd op 5 juni 2009, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond, Bevestigt het bestreden tussenvonnis wat betreft de voorlopige maatregelen. Trekt de zaak aan zich wat betreft de noodzakelijke verdere evaluatie en beveelt de heer S. om binnen de 10 werkdagen na de kennisgeving van dit arrest contact op te nemen met het OCMW om een door hem na te komen afspraak vast te leggen, waardoor het aan het OCMW mogelijk wordt om een sociaal verslag op te maken in verband met zijn reële woon-, leef- en financiële situatie. Stelt de zaak voor heropening van de debatten op de openbare terechtzitting van 3 september 2009 om 14u 30 voor een pleitduur van 20 minuten. De proceskosten worden aangehouden Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: L. Lenaerts raadsheer, voorzitter; J.-M. Boulogne raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; J.-P Van Coningsloo raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; S. Van der hoeven, griffier. L. Lenaerts S. Van der hoeven J.-P Van Coningsloo J.-M. Boulogne en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vijfentwintig juni tweeduizend en negen van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel door: L. Lenaerts raadsheer, voorzitter, Bijgestaan door S. Van der hoeven griffier. L. Lenaerts S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090625.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.