id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 26 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090626.1 Rolnummer: 51.352 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-07-06 Raadplegingen: 169 - laatst gezien 2026-07-02 20:04 Fiche 1 Artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet vereist niet dat de ernstige tekortkoming een contractuele fout is. De rechter kan derhalve niet weigeren een feit als dringende reden te beschouwen op grond dat het om een daad uit het privé-leven gaat, zonder te onderzoeken of de feiten de voortzetting van de contractuele betrekkingen al dan niet onmogelijk maakten. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Ontslag om dringende reden Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Dringende reden - Feiten uit privéleven - Contractuele fout (geen). Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN art.
- Een andere korte inhoud is gerangschikt onder II AAN art. 28, 5°. Fiche 2 Artikel 28,5° van de arbeidsovereenkomstenwet brengt mee dat de voorlopige hechtenis op zich geen ontslag om dringende reden kan verantwoorden, maar dat neemt niet weg dat een ontslag om dringende reden mogelijk blijft omwille van de feiten die aan de grondslag liggen van de voorlopige hechtenis. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Ontslag om dringende reden Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Dringende reden - Feiten privéleven - Voorlopige hechtenis. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 28,5° - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN art. 28, 5°. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder II AAN art.
- Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN NEGEN. 3e KAMER bediendecontract tegenspraak definitief In de zaak : B.U., besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met maatschappelijke zetel te 8301 Knokke-heist, Molenstraat 1, ondernemingsnummer 0861.547.862, appellante op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester W. Derveaux, advocaat te Kortrijk, tegen : V.D. , wonende te [xxx], geïntimeerde op hoofdberoep, appellant op incidenteel beroep, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester M. Van Muylders loco meester S. Corbanie, advocaat te Brussel. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak, door de twaalfde kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel op 19 juni 2008; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 12 september 2008; - de conclusies voor de beide partijen, - de voorgelegde stukken; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter buitengewone openbare terechtzitting van 27 mei 2009, waarna de debatten werden gesloten en de zaak voor uitspraak werd gesteld op heden. * * *
- FEITEN EN RECHTSPLEGING Op 23 december 1997 ondertekenden de bvba Erotic Centre, ( thans genaamd bvba B.U. - hierna aangeduid als Erotic Centre) en de heer V.D. een arbeidsovereenkomst voor bedienden van onbepaalde tijd, waarbij de laatste werd aangeworven als filiaalhouder van een winkel van erotische producten. Op 24 februari 2006 werd de werkgever ingelicht door de echtgenote van de heer V.D. dat hij in Nederland in voorlopige hechtenis was genomen; deze voorlopige hechtenis van aanvankelijk twee weken werd tweemaal met 30 dagen verlengd. Na verloop van tijd vernam de werkgever dat een collega filiaalhouder van de heer V.D. (de heer M.) eveneens in dit strafonderzoek betrokken was wegens het kweken en verkopen van verboden hennepplanten. Bij het einde van de voorlopige hechtenis omstreeks eind april 2006 werd de heer V.D. bij de werkgever uitgenodigd voor een onderhoud in verband met de juiste toedracht van de zaken en ook de heer M. werd voor een afzonderlijk verhoor opgeroepen. Bij aangetekende brieven van 28 april 2006 en 3 mei 2006 van de bvba Erotic Centre werd de arbeidsovereenkomst wegens dringende reden beëindigd, als volgt gemotiveerd : Eind februari 2006, op vrijdag 24 februari 2006, werd de heer A.E. ( die onder meer verantwoordelijk is voor het opvolgen van de planning en sommige personeelszaken), in de loop van de dag door uw echtgenote, mevrouw M. B., gebeld. Zij deelde hij mee dat hij onmiddellijk een aantal dagen/weken verlof wenste op te nemen. Eind februari 2006, op vrijdag 24 februari 2006, werd de heer Alex Eggermont ( die onder meer verantwoordelijk is voor het opvolgen van de planning en sommige personeelszaken), in de loop van de dag door uw echtgenote, mevrouw Melanie Broekmeijer, gebeld. Zij deelde hij mee dat hij onmiddellijk een aantal dagen/weken verlof wenste op te nemen. De heer A.E. was hierover verwonderd. Normalerwijze worden verlofdagen en vakantieperiodes zoveel mogelijk gepland en dient het opnemen van verlof in ieder geval vooraf aangevraagd te worden. Tevens was de heer A.E. verwonderd over het feit dat uw echtgenote tussenkwam en dat u hiervoor zelf geen contact opnam. Eind februari 2006, op vrijdag 24 februari 2006, werd de heer Alex Eggermont ( die onder meer verantwoordelijk is voor het opvolgen van de planning en sommige personeelszaken), in de loop van de dag door uw echtgenote, mevrouw Melanie Broekmeijer, gebeld. Zij deelde hij mee dat hij onmiddellijk een aantal dagen/weken verlof wenste op te nemen. De heer Eggermont was hierover verwonderd. Normalerwijze worden verlofdagen en vakantieperiodes zoveel mogelijk gepland en dient het opnemen van verlof in ieder geval vooraf aangevraagd te worden. Tevens was de heer Eggermont verwonderd over het feit dat uw echtgenote tussenkwam en dat u hiervoor zelf geen contact opnam. Uw echtgenote verklaarde daarop dat u ‘(V.D.) eigenlijk was aangehouden' en dat u wellicht een tijdlang niet zou kunnen werken. Eind februari 2006, op vrijdag 24 februari 2006, werd de heer Alex Eggermont ( die onder meer verantwoordelijk is voor het opvolgen van de planning en sommige personeelszaken), in de loop van de dag door uw echtgenote, mevrouw Melanie Broekmeijer, gebeld. Zij deelde hij mee dat hij onmiddellijk een aantal dagen/weken verlof wenste op te nemen. De heer Eggermont was hierover verwonderd. Normalerwijze worden verlofdagen en vakantieperiodes zoveel mogelijk gepland en dient het opnemen van verlof in ieder geval vooraf aangevraagd te worden. Tevens was de heer Eggermont verwonderd over het feit dat uw echtgenote tussenkwam en dat u hiervoor zelf geen contact opnam. Uw echtgenote verklaarde daarop dat u ‘(Tom) eigenlijk was aangehouden' en dat u wellicht een tijdlang niet zou kunnen werken. We vernamen vervolgens dat uw aanhouding ( klaarblijkelijk) te maken had met het feit dat een strafrechtelijk onderzoek werd gevoerd naar diverse hennep - plantages en/of diverse drugsfeiten. Eind februari 2006, op vrijdag 24 februari 2006, werd de heer Alex Eggermont ( die onder meer verantwoordelijk is voor het opvolgen van de planning en sommige personeelszaken), in de loop van de dag door uw echtgenote, mevrouw Melanie Broekmeijer, gebeld. Zij deelde hij mee dat hij onmiddellijk een aantal dagen/weken verlof wenste op te nemen. De heer Eggermont was hierover verwonderd. Normalerwijze worden verlofdagen en vakantieperiodes zoveel mogelijk gepland en dient het opnemen van verlof in ieder geval vooraf aangevraagd te worden. Tevens was de heer Eggermont verwonderd over het feit dat uw echtgenote tussenkwam en dat u hiervoor zelf geen contact opnam. Uw echtgenote verklaarde daarop dat u ‘(Tom) eigenlijk was aangehouden' en dat u wellicht een tijdlang niet zou kunnen werken. We vernamen vervolgens dat uw aanhouding ( klaarblijkelijk) te maken had met het feit dat een strafrechtelijk onderzoek werd gevoerd naar diverse hennep - plantages en/of diverse drugsfeiten. Later dienden wij vast te stellen dat de eerste periode van ‘ voorhechtenis' ( de ‘ eerste periode van twee weken') werd verlengd. Nadien kwam er nog een verlenging. Uw ‘ voorhechtenis' van twee weken werd aldus twee keer verlengd, en dit telkens met 30 dagen... Eind februari 2006, op vrijdag 24 februari 2006, werd de heer Alex Eggermont ( die onder meer verantwoordelijk is voor het opvolgen van de planning en sommige personeelszaken), in de loop van de dag door uw echtgenote, mevrouw Melanie Broekmeijer, gebeld. Zij deelde hij mee dat hij onmiddellijk een aantal dagen/weken verlof wenste op te nemen. De heer Eggermont was hierover verwonderd. Normalerwijze worden verlofdagen en vakantieperiodes zoveel mogelijk gepland en dient het opnemen van verlof in ieder geval vooraf aangevraagd te worden. Tevens was de heer Eggermont verwonderd over het feit dat uw echtgenote tussenkwam en dat u hiervoor zelf geen contact opnam. Uw echtgenote verklaarde daarop dat u ‘(Tom) eigenlijk was aangehouden' en dat u wellicht een tijdlang niet zou kunnen werken. We vernamen vervolgens dat uw aanhouding ( klaarblijkelijk) te maken had met het feit dat een strafrechtelijk onderzoek werd gevoerd naar diverse hennep - plantages en/of diverse drugsfeiten. Later dienden wij vast te stellen dat de eerste periode van ‘ voorhechtenis' ( de ‘ eerste periode van twee weken') werd verlengd. Nadien kwam er nog een verlenging. Uw ‘ voorhechtenis' van twee weken werd aldus twee keer verlengd, en dit telkens met 30 dagen... Feit is dat ondertussen tevens steeds duidelijker is geworden dat u zeker betrokken was ( en wellicht zelfs in belangrijke mate) bij het ( streng verboden) kweken van verdovende middelen. Eind februari 2006, op vrijdag 24 februari 2006, werd de heer Alex Eggermont ( die onder meer verantwoordelijk is voor het opvolgen van de planning en sommige personeelszaken), in de loop van de dag door uw echtgenote, mevrouw Melanie Broekmeijer, gebeld. Zij deelde hij mee dat hij onmiddellijk een aantal dagen/weken verlof wenste op te nemen. De heer Eggermont was hierover verwonderd. Normalerwijze worden verlofdagen en vakantieperiodes zoveel mogelijk gepland en dient het opnemen van verlof in ieder geval vooraf aangevraagd te worden. Tevens was de heer Eggermont verwonderd over het feit dat uw echtgenote tussenkwam en dat u hiervoor zelf geen contact opnam. Uw echtgenote verklaarde daarop dat u ‘(Tom) eigenlijk was aangehouden' en dat u wellicht een tijdlang niet zou kunnen werken. We vernamen vervolgens dat uw aanhouding ( klaarblijkelijk) te maken had met het feit dat een strafrechtelijk onderzoek werd gevoerd naar diverse hennep - plantages en/of diverse drugsfeiten. Later dienden wij vast te stellen dat de eerste periode van ‘ voorhechtenis' ( de ‘ eerste periode van twee weken') werd verlengd. Nadien kwam er nog een verlenging. Uw ‘ voorhechtenis' van twee weken werd aldus twee keer verlengd, en dit telkens met 30 dagen... Feit is dat ondertussen tevens steeds duidelijker is geworden dat u zeker betrokken was ( en wellicht zelfs in belangrijke mate) bij het ( streng verboden) kweken van verdovende middelen. Na verloop van tijd ( weze op 24 maart 2006) werd ons ook gesignaleerd dat het strafonderzoek dat door de politiediensten gevoerd werd, ook betrekking had op het feit dat eind februari 2006 ( allicht op 23 februari 2006) ook een verboden hennepplantage/verboden hennepplanten werden teruggevonden in een pand ( schuur/loods) die toebehoort aan de heer M. die ( eveneens) als filiaalhouder werkzaam is in onze zusteronderneming (B.U. bvba). Eind februari 2006, op vrijdag 24 februari 2006, werd de heer Alex Eggermont ( die onder meer verantwoordelijk is voor het opvolgen van de planning en sommige personeelszaken), in de loop van de dag door uw echtgenote, mevrouw Melanie Broekmeijer, gebeld. Zij deelde hij mee dat hij onmiddellijk een aantal dagen/weken verlof wenste op te nemen. De heer Eggermont was hierover verwonderd. Normalerwijze worden verlofdagen en vakantieperiodes zoveel mogelijk gepland en dient het opnemen van verlof in ieder geval vooraf aangevraagd te worden. Tevens was de heer Eggermont verwonderd over het feit dat uw echtgenote tussenkwam en dat u hiervoor zelf geen contact opnam. Uw echtgenote verklaarde daarop dat u ‘(Tom) eigenlijk was aangehouden' en dat u wellicht een tijdlang niet zou kunnen werken. We vernamen vervolgens dat uw aanhouding ( klaarblijkelijk) te maken had met het feit dat een strafrechtelijk onderzoek werd gevoerd naar diverse hennep - plantages en/of diverse drugsfeiten. Later dienden wij vast te stellen dat de eerste periode van ‘ voorhechtenis' ( de ‘ eerste periode van twee weken') werd verlengd. Nadien kwam er nog een verlenging. Uw ‘ voorhechtenis' van twee weken werd aldus twee keer verlengd, en dit telkens met 30 dagen... Feit is dat ondertussen tevens steeds duidelijker is geworden dat u zeker betrokken was ( en wellicht zelfs in belangrijke mate) bij het ( streng verboden) kweken van verdovende middelen. Na verloop van tijd ( weze op 24 maart 2006) werd ons ook gesignaleerd dat het strafonderzoek dat door de politiediensten gevoerd werd, ook betrekking had op het feit dat eind februari 2006 ( allicht op 23 februari 2006) ook een verboden hennepplantage/verboden hennepplanten werden teruggevonden in een pand ( schuur/loods) die toebehoort aan de heer Arno Martinu die ( eveneens) als filiaalhouder werkzaam is in onze zusteronderneming (B.U. bvba). De heer M., die niet/nooit in voorhechtenis was, deelde ons toen op dat ogenblik ( 24 maart 2006) mee dat u huurder was van dit pand ( schuur/loods) en dat hij destijds niet wist voor welke doeleinden u dit pand zou gebruiken. De heer M. stelde dat het voor hem pas kort voor uw aanhouding duidelijk was geworden welke uw ‘activiteiten' waren. Eind februari 2006, op vrijdag 24 februari 2006, werd de heer Alex Eggermont ( die onder meer verantwoordelijk is voor het opvolgen van de planning en sommige personeelszaken), in de loop van de dag door uw echtgenote, mevrouw Melanie Broekmeijer, gebeld. Zij deelde hij mee dat hij onmiddellijk een aantal dagen/weken verlof wenste op te nemen. De heer Eggermont was hierover verwonderd. Normalerwijze worden verlofdagen en vakantieperiodes zoveel mogelijk gepland en dient het opnemen van verlof in ieder geval vooraf aangevraagd te worden. Tevens was de heer Eggermont verwonderd over het feit dat uw echtgenote tussenkwam en dat u hiervoor zelf geen contact opnam. Uw echtgenote verklaarde daarop dat u ‘(Tom) eigenlijk was aangehouden' en dat u wellicht een tijdlang niet zou kunnen werken. We vernamen vervolgens dat uw aanhouding ( klaarblijkelijk) te maken had met het feit dat een strafrechtelijk onderzoek werd gevoerd naar diverse hennep - plantages en/of diverse drugsfeiten. Later dienden wij vast te stellen dat de eerste periode van ‘ voorhechtenis' ( de ‘ eerste periode van twee weken') werd verlengd. Nadien kwam er nog een verlenging. Uw ‘ voorhechtenis' van twee weken werd aldus twee keer verlengd, en dit telkens met 30 dagen... Feit is dat ondertussen tevens steeds duidelijker is geworden dat u zeker betrokken was ( en wellicht zelfs in belangrijke mate) bij het ( streng verboden) kweken van verdovende middelen. Na verloop van tijd ( weze op 24 maart 2006) werd ons ook gesignaleerd dat het strafonderzoek dat door de politiediensten gevoerd werd, ook betrekking had op het feit dat eind februari 2006 ( allicht op 23 februari 2006) ook een verboden hennepplantage/verboden hennepplanten werden teruggevonden in een pand ( schuur/loods) die toebehoort aan de heer Arno Martinu die ( eveneens) als filiaalhouder werkzaam is in onze zusteronderneming (B.U. bvba). De heer A. Martinu, die niet/nooit in voorhechtenis was, deelde ons toen op dat ogenblik ( 24 maart 2006) mee dat uw huurder was van dit pand ( schuur/loods) en dat hij destijds niet wist voor welke doeleinden u dit pand zou gebruiken. De heer A. Martinu stelde dat het voor hem pas kort voor hun aanhouding duidelijk was geworden welke uw ‘activiteiten' waren. De heer M. verklaarde daarnaast dat hij dit ondertussen tevens had meegedeeld aan de politiediensten. Zelfs was het volgens de heer M. zo dat hij op een bepaald ogenblik zelf de overweging had gemaakt om een en ander aan de politie aan te melden. Eind februari 2006, op vrijdag 24 februari 2006, werd de heer Alex Eggermont ( die onder meer verantwoordelijk is voor het opvolgen van de planning en sommige personeelszaken), in de loop van de dag door uw echtgenote, mevrouw Melanie Broekmeijer, gebeld. Zij deelde hij mee dat hij onmiddellijk een aantal dagen/weken verlof wenste op te nemen. De heer Eggermont was hierover verwonderd. Normalerwijze worden verlofdagen en vakantieperiodes zoveel mogelijk gepland en dient het opnemen van verlof in ieder geval vooraf aangevraagd te worden. Tevens was de heer Eggermont verwonderd over het feit dat uw echtgenote tussenkwam en dat u hiervoor zelf geen contact opnam. Uw echtgenote verklaarde daarop dat u ‘(Tom) eigenlijk was aangehouden' en dat u wellicht een tijdlang niet zou kunnen werken. We vernamen vervolgens dat uw aanhouding ( klaarblijkelijk) te maken had met het feit dat een strafrechtelijk onderzoek werd gevoerd naar diverse hennep - plantages en/of diverse drugsfeiten. Later dienden wij vast te stellen dat de eerste periode van ‘ voorhechtenis' ( de ‘ eerste periode van twee weken') werd verlengd. Nadien kwam er nog een verlenging. Uw ‘ voorhechtenis' van twee weken werd aldus twee keer verlengd, en dit telkens met 30 dagen... Feit is dat ondertussen tevens steeds duidelijker is geworden dat u zeker betrokken was ( en wellicht zelfs in belangrijke mate) bij het ( streng verboden) kweken van verdovende middelen. Na verloop van tijd ( weze op 24 maart 2006) werd ons ook gesignaleerd dat het strafonderzoek dat door de politiediensten gevoerd werd, ook betrekking had op het feit dat eind februari 2006 ( allicht op 23 februari 2006) ook een verboden hennepplantage/verboden hennepplanten werden teruggevonden in een pand ( schuur/loods) die toebehoort aan de heer Arno Martinu die ( eveneens) als filiaalhouder werkzaam is in onze zusteronderneming (B.U. bvba). De heer A. Martinu, die niet/nooit in voorhechtenis was, deelde ons toen op dat ogenblik ( 24 maart 2006) mee dat uw huurder was van dit pand ( schuur/loods) en dat hij destijds niet wist voor welke doeleinden u dit pand zou gebruiken. De heer A. Martinu stelde dat het voor hem pas kort voor hun aanhouding duidelijk was geworden welke uw ‘activiteiten' waren. De heer A. Martinu verklaarde daarnaast dat hij dit ondertussen tevens had meegedeeld aan de politiediensten. Zelfs was het volgens de heer A. Martinu zo dat hij op een bepaald ogenblik zelf de overweging had gemaakt om een en ander aan de politie aan te melden. Eind april 2006 vernam onze directie dat er een einde kwam aan uw voorhechtenis en dat u binnen een bepaalde termijn zou vervolgd worden. Eind februari 2006, op vrijdag 24 februari 2006, werd de heer Alex Eggermont ( die onder meer verantwoordelijk is voor het opvolgen van de planning en sommige personeelszaken), in de loop van de dag door uw echtgenote, mevrouw Melanie Broekmeijer, gebeld. Zij deelde hij mee dat hij onmiddellijk een aantal dagen/weken verlof wenste op te nemen. De heer Eggermont was hierover verwonderd. Normalerwijze worden verlofdagen en vakantieperiodes zoveel mogelijk gepland en dient het opnemen van verlof in ieder geval vooraf aangevraagd te worden. Tevens was de heer Eggermont verwonderd over het feit dat uw echtgenote tussenkwam en dat u hiervoor zelf geen contact opnam. Uw echtgenote verklaarde daarop dat u ‘(Tom) eigenlijk was aangehouden' en dat u wellicht een tijdlang niet zou kunnen werken. We vernamen vervolgens dat uw aanhouding ( klaarblijkelijk) te maken had met het feit dat een strafrechtelijk onderzoek werd gevoerd naar diverse hennep - plantages en/of diverse drugsfeiten. Later dienden wij vast te stellen dat de eerste periode van ‘ voorhechtenis' ( de ‘ eerste periode van twee weken') werd verlengd. Nadien kwam er nog een verlenging. Uw ‘ voorhechtenis' van twee weken werd aldus twee keer verlengd, en dit telkens met 30 dagen... Feit is dat ondertussen tevens steeds duidelijker is geworden dat u zeker betrokken was ( en wellicht zelfs in belangrijke mate) bij het ( streng verboden) kweken van verdovende middelen. Na verloop van tijd ( weze op 24 maart 2006) werd ons ook gesignaleerd dat het strafonderzoek dat door de politiediensten gevoerd werd, ook betrekking had op het feit dat eind februari 2006 ( allicht op 23 februari 2006) ook een verboden hennepplantage/verboden hennepplanten werden teruggevonden in een pand ( schuur/loods) die toebehoort aan de heer Arno Martinu die ( eveneens) als filiaalhouder werkzaam is in onze zusteronderneming (B.U. bvba). De heer A. Martinu, die niet/nooit in voorhechtenis was, deelde ons toen op dat ogenblik ( 24 maart 2006) mee dat uw huurder was van dit pand ( schuur/loods) en dat hij destijds niet wist voor welke doeleinden u dit pand zou gebruiken. De heer A. Martinu stelde dat het voor hem pas kort voor hun aanhouding duidelijk was geworden welke uw ‘activiteiten' waren. De heer A. Martinu verklaarde daarnaast dat hij dit ondertussen tevens had meegedeeld aan de politiediensten. Zelfs was het volgens de heer A. Martinu zo dat hij op een bepaald ogenblik zelf de overweging had gemaakt om een en ander aan de politie aan te melden. Eind april 2006 vernam onze directie dat er een einde kwam aan uw voorhechtenis en dat u binnen een bepaalde termijn zou vervolgd worden. Onze directie besliste dan ook om u, evenals de heer M., zo spoedig mogelijk - weze zo spoedig mogelijk na het einde van uw voorhechtenis - te horen. Volgt dan een beschrijving van de wijze van uitnodiging voor deze verhoren. Eind februari 2006, op vrijdag 24 februari 2006, werd de heer Alex Eggermont ( die onder meer verantwoordelijk is voor het opvolgen van de planning en sommige personeelszaken), in de loop van de dag door uw echtgenote, mevrouw Melanie Broekmeijer, gebeld. Zij deelde hij mee dat hij onmiddellijk een aantal dagen/weken verlof wenste op te nemen. De heer Eggermont was hierover verwonderd. Normalerwijze worden verlofdagen en vakantieperiodes zoveel mogelijk gepland en dient het opnemen van verlof in ieder geval vooraf aangevraagd te worden. Tevens was de heer Eggermont verwonderd over het feit dat uw echtgenote tussenkwam en dat u hiervoor zelf geen contact opnam. Uw echtgenote verklaarde daarop dat u ‘(Tom) eigenlijk was aangehouden' en dat u wellicht een tijdlang niet zou kunnen werken. We vernamen vervolgens dat uw aanhouding ( klaarblijkelijk) te maken had met het feit dat een strafrechtelijk onderzoek werd gevoerd naar diverse hennep - plantages en/of diverse drugsfeiten. Later dienden wij vast te stellen dat de eerste periode van ‘ voorhechtenis' ( de ‘ eerste periode van twee weken') werd verlengd. Nadien kwam er nog een verlenging. Uw ‘ voorhechtenis' van twee weken werd aldus twee keer verlengd, en dit telkens met 30 dagen... Feit is dat ondertussen tevens steeds duidelijker is geworden dat u zeker betrokken was ( en wellicht zelfs in belangrijke mate) bij het ( streng verboden) kweken van verdovende middelen. Na verloop van tijd ( weze op 24 maart 2006) werd ons ook gesignaleerd dat het strafonderzoek dat door de politiediensten gevoerd werd, ook betrekking had op het feit dat eind februari 2006 ( allicht op 23 februari 2006) ook een verboden hennepplantage/verboden hennepplanten werden teruggevonden in een pand ( schuur/loods) die toebehoort aan de heer Arno Martinu die ( eveneens) als filiaalhouder werkzaam is in onze zusteronderneming (B.U. bvba). De heer A. Martinu, die niet/nooit in voorhechtenis was, deelde ons toen op dat ogenblik ( 24 maart 2006) mee dat uw huurder was van dit pand ( schuur/loods) en dat hij destijds niet wist voor welke doeleinden u dit pand zou gebruiken. De heer A. Martinu stelde dat het voor hem pas kort voor hun aanhouding duidelijk was geworden welke uw ‘activiteiten' waren. De heer A. Martinu verklaarde daarnaast dat hij dit ondertussen tevens had meegedeeld aan de politiediensten. Zelfs was het volgens de heer A. Martinu zo dat hij op een bepaald ogenblik zelf de overweging had gemaakt om een en ander aan de politie aan te melden. Eind april 2006 vernam onze directie dat er een einde kwam aan uw voorhechtenis en dat u binnen een bepaalde termijn zou vervolgd worden. Onze directie besliste dan ook om u, evenals de heer A. Martinu, zo spoedig mogelijk - weze zo spoedig mogelijk na het einde van uw voorhechtenis - te horen. Volgt dan een beschrijving van de wijze van uitnodiging voor deze verhoren. Nadat wij aldus ( op 27 april 2006) de heer M. hoorden en uzelf ( op 28 april 2006) hoorden, komen wij tot de vaststelling dat u onmiskenbaar in een bepaalde mate betrokken was bij het strafbaar kweken van hennepplanten en daarbij zelfs tot een bepaalde verstandhouding kwam met een collega - filiaalhouder uit een van onze zusterondernemingen. - de heer M. heeft ons op 27 april 2006 verklaard dat hij wel van begin af aan op de hoogte was van de activiteiten die u zou ondernemen in de loods die u ( van hem) in gebruik nam/huurde. Eind februari 2006, op vrijdag 24 februari 2006, werd de heer Alex Eggermont ( die onder meer verantwoordelijk is voor het opvolgen van de planning en sommige personeelszaken), in de loop van de dag door uw echtgenote, mevrouw Melanie Broekmeijer, gebeld. Zij deelde hij mee dat hij onmiddellijk een aantal dagen/weken verlof wenste op te nemen. De heer Eggermont was hierover verwonderd. Normalerwijze worden verlofdagen en vakantieperiodes zoveel mogelijk gepland en dient het opnemen van verlof in ieder geval vooraf aangevraagd te worden. Tevens was de heer Eggermont verwonderd over het feit dat uw echtgenote tussenkwam en dat u hiervoor zelf geen contact opnam. Uw echtgenote verklaarde daarop dat u ‘(Tom) eigenlijk was aangehouden' en dat u wellicht een tijdlang niet zou kunnen werken. We vernamen vervolgens dat uw aanhouding ( klaarblijkelijk) te maken had met het feit dat een strafrechtelijk onderzoek werd gevoerd naar diverse hennep - plantages en/of diverse drugsfeiten. Later dienden wij vast te stellen dat de eerste periode van ‘ voorhechtenis' ( de ‘ eerste periode van twee weken') werd verlengd. Nadien kwam er nog een verlenging. Uw ‘ voorhechtenis' van twee weken werd aldus twee keer verlengd, en dit telkens met 30 dagen... Feit is dat ondertussen tevens steeds duidelijker is geworden dat u zeker betrokken was ( en wellicht zelfs in belangrijke mate) bij het ( streng verboden) kweken van verdovende middelen. Na verloop van tijd ( weze op 24 maart 2006) werd ons ook gesignaleerd dat het strafonderzoek dat door de politiediensten gevoerd werd, ook betrekking had op het feit dat eind februari 2006 ( allicht op 23 februari 2006) ook een verboden hennepplantage/verboden hennepplanten werden teruggevonden in een pand ( schuur/loods) die toebehoort aan de heer Arno Martinu die ( eveneens) als filiaalhouder werkzaam is in onze zusteronderneming (B.U. bvba). De heer A. Martinu, die niet/nooit in voorhechtenis was, deelde ons toen op dat ogenblik ( 24 maart 2006) mee dat uw huurder was van dit pand ( schuur/loods) en dat hij destijds niet wist voor welke doeleinden u dit pand zou gebruiken. De heer A. Martinu stelde dat het voor hem pas kort voor hun aanhouding duidelijk was geworden welke uw ‘activiteiten' waren. De heer A. Martinu verklaarde daarnaast dat hij dit ondertussen tevens had meegedeeld aan de politiediensten. Zelfs was het volgens de heer A. Martinu zo dat hij op een bepaald ogenblik zelf de overweging had gemaakt om een en ander aan de politie aan te melden. Eind april 2006 vernam onze directie dat er een einde kwam aan uw voorhechtenis en dat u binnen een bepaalde termijn zou vervolgd worden. Onze directie besliste dan ook om u, evenals de heer A. Martinu, zo spoedig mogelijk - weze zo spoedig mogelijk na het einde van uw voorhechtenis - te horen. Volgt dan een beschrijving van de wijze van uitnodiging voor deze verhoren. Nadat wij aldus ( op 27 april 2006) de heer A. Martinu hoorden en uzelf ( op 28 april 2006) hoorden, komen wij tot de vaststelling dat u onmiskenbaar in een bepaalde mate betrokken was bij het strafbaar kweken van hennepplanten en daarbij zelfs tot een bepaalde verstandhouding kwam met een collega - filiaalhouder uit een van onze zusterondernemingen. - de heer A. Martinu heeft ons op 27 april 2006 verklaard dat hij wel van begin af aan op de hoogte was van de activiteiten die u zou ondernemen in de loods die u ( van hem) in gebruik nam/huurde. - u kwam frequent in deze loods alwaar een hennepplantage was ondergebracht. Eind februari 2006, op vrijdag 24 februari 2006, werd de heer Alex Eggermont ( die onder meer verantwoordelijk is voor het opvolgen van de planning en sommige personeelszaken), in de loop van de dag door uw echtgenote, mevrouw Melanie Broekmeijer, gebeld. Zij deelde hij mee dat hij onmiddellijk een aantal dagen/weken verlof wenste op te nemen. De heer Eggermont was hierover verwonderd. Normalerwijze worden verlofdagen en vakantieperiodes zoveel mogelijk gepland en dient het opnemen van verlof in ieder geval vooraf aangevraagd te worden. Tevens was de heer Eggermont verwonderd over het feit dat uw echtgenote tussenkwam en dat u hiervoor zelf geen contact opnam. Uw echtgenote verklaarde daarop dat u ‘(Tom) eigenlijk was aangehouden' en dat u wellicht een tijdlang niet zou kunnen werken. We vernamen vervolgens dat uw aanhouding ( klaarblijkelijk) te maken had met het feit dat een strafrechtelijk onderzoek werd gevoerd naar diverse hennep - plantages en/of diverse drugsfeiten. Later dienden wij vast te stellen dat de eerste periode van ‘ voorhechtenis' ( de ‘ eerste periode van twee weken') werd verlengd. Nadien kwam er nog een verlenging. Uw ‘ voorhechtenis' van twee weken werd aldus twee keer verlengd, en dit telkens met 30 dagen... Feit is dat ondertussen tevens steeds duidelijker is geworden dat u zeker betrokken was ( en wellicht zelfs in belangrijke mate) bij het ( streng verboden) kweken van verdovende middelen. Na verloop van tijd ( weze op 24 maart 2006) werd ons ook gesignaleerd dat het strafonderzoek dat door de politiediensten gevoerd werd, ook betrekking had op het feit dat eind februari 2006 ( allicht op 23 februari 2006) ook een verboden hennepplantage/verboden hennepplanten werden teruggevonden in een pand ( schuur/loods) die toebehoort aan de heer Arno Martinu die ( eveneens) als filiaalhouder werkzaam is in onze zusteronderneming (B.U. bvba). De heer A. Martinu, die niet/nooit in voorhechtenis was, deelde ons toen op dat ogenblik ( 24 maart 2006) mee dat uw huurder was van dit pand ( schuur/loods) en dat hij destijds niet wist voor welke doeleinden u dit pand zou gebruiken. De heer A. Martinu stelde dat het voor hem pas kort voor hun aanhouding duidelijk was geworden welke uw ‘activiteiten' waren. De heer A. Martinu verklaarde daarnaast dat hij dit ondertussen tevens had meegedeeld aan de politiediensten. Zelfs was het volgens de heer A. Martinu zo dat hij op een bepaald ogenblik zelf de overweging had gemaakt om een en ander aan de politie aan te melden. Eind april 2006 vernam onze directie dat er een einde kwam aan uw voorhechtenis en dat u binnen een bepaalde termijn zou vervolgd worden. Onze directie besliste dan ook om u, evenals de heer A. Martinu, zo spoedig mogelijk - weze zo spoedig mogelijk na het einde van uw voorhechtenis - te horen. Volgt dan een beschrijving van de wijze van uitnodiging voor deze verhoren. Nadat wij aldus ( op 27 april 2006) de heer A. Martinu hoorden en uzelf ( op 28 april 2006) hoorden, komen wij tot de vaststelling dat u onmiskenbaar in een bepaalde mate betrokken was bij het strafbaar kweken van hennepplanten en daarbij zelfs tot een bepaalde verstandhouding kwam met een collega - filiaalhouder uit een van onze zusterondernemingen. - de heer A. Martinu heeft ons op 27 april 2006 verklaard dat hij wel van begin af aan op de hoogte was van de activiteiten die u zou ondernemen in de loods die u ( van hem) in gebruik nam/huurde. - u kwam frequent in deze loods alwaar een hennepplantage was ondergebracht. - er was boven op de zolderverdieping van uw eigen winkel eveneens een hennepplantage ingericht waarvoor uzelf weliswaar ( op vrijdagmorgen, in het bijzijn van mevrouw Monique Seghers en de heer Erwin Cok) verklaarde dat u hier zelf niets van afwist (!!). Eind februari 2006, op vrijdag 24 februari 2006, werd de heer Alex Eggermont ( die onder meer verantwoordelijk is voor het opvolgen van de planning en sommige personeelszaken), in de loop van de dag door uw echtgenote, mevrouw Melanie Broekmeijer, gebeld. Zij deelde hij mee dat hij onmiddellijk een aantal dagen/weken verlof wenste op te nemen. De heer Eggermont was hierover verwonderd. Normalerwijze worden verlofdagen en vakantieperiodes zoveel mogelijk gepland en dient het opnemen van verlof in ieder geval vooraf aangevraagd te worden. Tevens was de heer Eggermont verwonderd over het feit dat uw echtgenote tussenkwam en dat u hiervoor zelf geen contact opnam. Uw echtgenote verklaarde daarop dat u ‘(Tom) eigenlijk was aangehouden' en dat u wellicht een tijdlang niet zou kunnen werken. We vernamen vervolgens dat uw aanhouding ( klaarblijkelijk) te maken had met het feit dat een strafrechtelijk onderzoek werd gevoerd naar diverse hennep - plantages en/of diverse drugsfeiten. Later dienden wij vast te stellen dat de eerste periode van ‘ voorhechtenis' ( de ‘ eerste periode van twee weken') werd verlengd. Nadien kwam er nog een verlenging. Uw ‘ voorhechtenis' van twee weken werd aldus twee keer verlengd, en dit telkens met 30 dagen... Feit is dat ondertussen tevens steeds duidelijker is geworden dat u zeker betrokken was ( en wellicht zelfs in belangrijke mate) bij het ( streng verboden) kweken van verdovende middelen. Na verloop van tijd ( weze op 24 maart 2006) werd ons ook gesignaleerd dat het strafonderzoek dat door de politiediensten gevoerd werd, ook betrekking had op het feit dat eind februari 2006 ( allicht op 23 februari 2006) ook een verboden hennepplantage/verboden hennepplanten werden teruggevonden in een pand ( schuur/loods) die toebehoort aan de heer Arno Martinu die ( eveneens) als filiaalhouder werkzaam is in onze zusteronderneming (B.U. bvba). De heer A. Martinu, die niet/nooit in voorhechtenis was, deelde ons toen op dat ogenblik ( 24 maart 2006) mee dat uw huurder was van dit pand ( schuur/loods) en dat hij destijds niet wist voor welke doeleinden u dit pand zou gebruiken. De heer A. Martinu stelde dat het voor hem pas kort voor hun aanhouding duidelijk was geworden welke uw ‘activiteiten' waren. De heer A. Martinu verklaarde daarnaast dat hij dit ondertussen tevens had meegedeeld aan de politiediensten. Zelfs was het volgens de heer A. Martinu zo dat hij op een bepaald ogenblik zelf de overweging had gemaakt om een en ander aan de politie aan te melden. Eind april 2006 vernam onze directie dat er een einde kwam aan uw voorhechtenis en dat u binnen een bepaalde termijn zou vervolgd worden. Onze directie besliste dan ook om u, evenals de heer A. Martinu, zo spoedig mogelijk - weze zo spoedig mogelijk na het einde van uw voorhechtenis - te horen. Volgt dan een beschrijving van de wijze van uitnodiging voor deze verhoren. Nadat wij aldus ( op 27 april 2006) de heer A. Martinu hoorden en uzelf ( op 28 april 2006) hoorden, komen wij tot de vaststelling dat u onmiskenbaar in een bepaalde mate betrokken was bij het strafbaar kweken van hennepplanten en daarbij zelfs tot een bepaalde verstandhouding kwam met een collega - filiaalhouder uit een van onze zusterondernemingen. - de heer A. Martinu heeft ons op 27 april 2006 verklaard dat hij wel van begin af aan op de hoogte was van de activiteiten die u zou ondernemen in de loods die u ( van hem) in gebruik nam/huurde. - u kwam frequent in deze loods alwaar een hennepplantage was ondergebracht. - er was boven op de zolderverdieping van uw eigen winkel eveneens een hennepplantage ingericht waarvoor uzelf weliswaar ( op vrijdagmorgen, in het bijzijn van mevrouw Monique Seghers en de heer Erwin Cok) verklaarde dat u hier zelf niets van afwist (!!). - u had ter zake bepaalde contacten/maakte ter zake bepaalde afspraken met een collega filiaalhouder. Eind februari 2006, op vrijdag 24 februari 2006, werd de heer Alex Eggermont ( die onder meer verantwoordelijk is voor het opvolgen van de planning en sommige personeelszaken), in de loop van de dag door uw echtgenote, mevrouw Melanie Broekmeijer, gebeld. Zij deelde hij mee dat hij onmiddellijk een aantal dagen/weken verlof wenste op te nemen. De heer Eggermont was hierover verwonderd. Normalerwijze worden verlofdagen en vakantieperiodes zoveel mogelijk gepland en dient het opnemen van verlof in ieder geval vooraf aangevraagd te worden. Tevens was de heer Eggermont verwonderd over het feit dat uw echtgenote tussenkwam en dat u hiervoor zelf geen contact opnam. Uw echtgenote verklaarde daarop dat u ‘(Tom) eigenlijk was aangehouden' en dat u wellicht een tijdlang niet zou kunnen werken. We vernamen vervolgens dat uw aanhouding ( klaarblijkelijk) te maken had met het feit dat een strafrechtelijk onderzoek werd gevoerd naar diverse hennep - plantages en/of diverse drugsfeiten. Later dienden wij vast te stellen dat de eerste periode van ‘ voorhechtenis' ( de ‘ eerste periode van twee weken') werd verlengd. Nadien kwam er nog een verlenging. Uw ‘ voorhechtenis' van twee weken werd aldus twee keer verlengd, en dit telkens met 30 dagen... Feit is dat ondertussen tevens steeds duidelijker is geworden dat u zeker betrokken was ( en wellicht zelfs in belangrijke mate) bij het ( streng verboden) kweken van verdovende middelen. Na verloop van tijd ( weze op 24 maart 2006) werd ons ook gesignaleerd dat het strafonderzoek dat door de politiediensten gevoerd werd, ook betrekking had op het feit dat eind februari 2006 ( allicht op 23 februari 2006) ook een verboden hennepplantage/verboden hennepplanten werden teruggevonden in een pand ( schuur/loods) die toebehoort aan de heer Arno Martinu die ( eveneens) als filiaalhouder werkzaam is in onze zusteronderneming (B.U. bvba). De heer A. Martinu, die niet/nooit in voorhechtenis was, deelde ons toen op dat ogenblik ( 24 maart 2006) mee dat uw huurder was van dit pand ( schuur/loods) en dat hij destijds niet wist voor welke doeleinden u dit pand zou gebruiken. De heer A. Martinu stelde dat het voor hem pas kort voor hun aanhouding duidelijk was geworden welke uw ‘activiteiten' waren. De heer A. Martinu verklaarde daarnaast dat hij dit ondertussen tevens had meegedeeld aan de politiediensten. Zelfs was het volgens de heer A. Martinu zo dat hij op een bepaald ogenblik zelf de overweging had gemaakt om een en ander aan de politie aan te melden. Eind april 2006 vernam onze directie dat er een einde kwam aan uw voorhechtenis en dat u binnen een bepaalde termijn zou vervolgd worden. Onze directie besliste dan ook om u, evenals de heer A. Martinu, zo spoedig mogelijk - weze zo spoedig mogelijk na het einde van uw voorhechtenis - te horen. Volgt dan een beschrijving van de wijze van uitnodiging voor deze verhoren. Nadat wij aldus ( op 27 april 2006) de heer A. Martinu hoorden en uzelf ( op 28 april 2006) hoorden, komen wij tot de vaststelling dat u onmiskenbaar in een bepaalde mate betrokken was bij het strafbaar kweken van hennepplanten en daarbij zelfs tot een bepaalde verstandhouding kwam met een collega - filiaalhouder uit een van onze zusterondernemingen. - de heer A. Martinu heeft ons op 27 april 2006 verklaard dat hij wel van begin af aan op de hoogte was van de activiteiten die u zou ondernemen in de loods die u ( van hem) in gebruik nam/huurde. - u kwam frequent in deze loods alwaar een hennepplantage was ondergebracht. - er was boven op de zolderverdieping van uw eigen winkel eveneens een hennepplantage ingericht waarvoor uzelf weliswaar ( op vrijdagmorgen, in het bijzijn van mevrouw Monique Seghers en de heer Erwin Cok) verklaarde dat u hier zelf niets van afwist (!!). - u had ter zake bepaalde contacten/maakte ter zake bepaalde afspraken met een collega filiaalhouder. Volgt dan een beschrijving van het feit dat deze omstandigheden als zeer ernstig beschouwd worden wegens de reputatieschade en dat wegens miskenning van de verantwoordelijkheden als filiaalhouder beslist wordt tot onmiddellijk ontslag zonder enige verzachtende omstandigheid. Eind februari 2006, op vrijdag 24 februari 2006, werd de heer Alex Eggermont ( die onder meer verantwoordelijk is voor het opvolgen van de planning en sommige personeelszaken), in de loop van de dag door uw echtgenote, mevrouw Melanie Broekmeijer, gebeld. Zij deelde hij mee dat hij onmiddellijk een aantal dagen/weken verlof wenste op te nemen. De heer Eggermont was hierover verwonderd. Normalerwijze worden verlofdagen en vakantieperiodes zoveel mogelijk gepland en dient het opnemen van verlof in ieder geval vooraf aangevraagd te worden. Tevens was de heer Eggermont verwonderd over het feit dat uw echtgenote tussenkwam en dat u hiervoor zelf geen contact opnam. Uw echtgenote verklaarde daarop dat u ‘(Tom) eigenlijk was aangehouden' en dat u wellicht een tijdlang niet zou kunnen werken. We vernamen vervolgens dat uw aanhouding ( klaarblijkelijk) te maken had met het feit dat een strafrechtelijk onderzoek werd gevoerd naar diverse hennep - plantages en/of diverse drugsfeiten. Later dienden wij vast te stellen dat de eerste periode van ‘ voorhechtenis' ( de ‘ eerste periode van twee weken') werd verlengd. Nadien kwam er nog een verlenging. Uw ‘ voorhechtenis' van twee weken werd aldus twee keer verlengd, en dit telkens met 30 dagen... Feit is dat ondertussen tevens steeds duidelijker is geworden dat u zeker betrokken was ( en wellicht zelfs in belangrijke mate) bij het ( streng verboden) kweken van verdovende middelen. Na verloop van tijd ( weze op 24 maart 2006) werd ons ook gesignaleerd dat het strafonderzoek dat door de politiediensten gevoerd werd, ook betrekking had op het feit dat eind februari 2006 ( allicht op 23 februari 2006) ook een verboden hennepplantage/verboden hennepplanten werden teruggevonden in een pand ( schuur/loods) die toebehoort aan de heer Arno Martinu die ( eveneens) als filiaalhouder werkzaam is in onze zusteronderneming (B.U. bvba). De heer A. Martinu, die niet/nooit in voorhechtenis was, deelde ons toen op dat ogenblik ( 24 maart 2006) mee dat uw huurder was van dit pand ( schuur/loods) en dat hij destijds niet wist voor welke doeleinden u dit pand zou gebruiken. De heer A. Martinu stelde dat het voor hem pas kort voor hun aanhouding duidelijk was geworden welke uw ‘activiteiten' waren. De heer A. Martinu verklaarde daarnaast dat hij dit ondertussen tevens had meegedeeld aan de politiediensten. Zelfs was het volgens de heer A. Martinu zo dat hij op een bepaald ogenblik zelf de overweging had gemaakt om een en ander aan de politie aan te melden. Eind april 2006 vernam onze directie dat er een einde kwam aan uw voorhechtenis en dat u binnen een bepaalde termijn zou vervolgd worden. Onze directie besliste dan ook om u, evenals de heer A. Martinu, zo spoedig mogelijk - weze zo spoedig mogelijk na het einde van uw voorhechtenis - te horen. Volgt dan een beschrijving van de wijze van uitnodiging voor deze verhoren. Nadat wij aldus ( op 27 april 2006) de heer A. Martinu hoorden en uzelf ( op 28 april 2006) hoorden, komen wij tot de vaststelling dat u onmiskenbaar in een bepaalde mate betrokken was bij het strafbaar kweken van hennepplanten en daarbij zelfs tot een bepaalde verstandhouding kwam met een collega - filiaalhouder uit een van onze zusterondernemingen. - de heer A. Martinu heeft ons op 27 april 2006 verklaard dat hij wel van begin af aan op de hoogte was van de activiteiten die u zou ondernemen in de loods die u ( van hem) in gebruik nam/huurde. - u kwam frequent in deze loods alwaar een hennepplantage was ondergebracht. - er was boven op de zolderverdieping van uw eigen winkel eveneens een hennepplantage ingericht waarvoor uzelf weliswaar ( op vrijdagmorgen, in het bijzijn van mevrouw Monique Seghers en de heer Erwin Cok) verklaarde dat u hier zelf niets van afwist (!!). - u had ter zake bepaalde contacten/maakte ter zake bepaalde afspraken met een collega filiaalhouder. Volgt dan een beschrijving van het feit dat deze omstandigheden als zeer ernstig beschouwd worden wegens de reputatieschade en dat wegens miskenning van de verantwoordelijkheden als filiaalhouder beslist wordt tot onmiddellijk ontslag zonder enige verzachtende omstandigheid. In een uitvoerig gemotiveerde brief van de raadsman van de heer V.D. van 27 oktober 2006 werd dit ontslag betwist en werd een opzeggingsvergoeding van 12 maanden, becijferd op euro 32.753,32, gevorderd, werd betaling van een correcte pro rata eindejaarspremie 2005 en 2006 en overuren gevraagd, samen met de afgifte van sociale en fiscale documenten. Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank te Middelburg van 31 januari 2007 werd de heer V.D. veroordeeld tot een gevangenisstraf van 270 dagen, waarvan een gedeelte met uitstel en tot een werkstraf van 240 uren voor meerdere betichtingen i.v.m. de zgn. Nederlandse Opiumwet. En volgde briefwisseling tussen de raadslieden waarbij geen oplossing werd gevonden, zodat de heer V.D. op 27 april 2007 zijn werkgever dagvaardde voor de arbeidsrechtbank te Brussel in betaling van : - een opzeggingsvergoeding van 12 maanden of euro 32.753,32 - pro rata eindejaarspremie 2006 van euro 583,54 - regularisatie eindejaarspremies 2004 en 2005 van euro 1 provisioneel - achterstallig loon voor gepresteerde overuren van euro 1 provisioneel, dit alles te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten op de bruto bedragen en met de gerechtskosten; tevens werd de afgifte gevraagd van correcte sociale en fiscale bescheiden onder verbeurte van een dwangsom. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 19 juni 2008 werd deze vordering in volgende mate ontvankelijk en gegrond verklaard : - een opzeggingsvergoeding van euro 19.022,42 - een eindejaarspremie van euro 512,45, vermeerderd met wettelijke en gerechtelijke intresten op netto vanaf 28 april 2006 en met de gerechtskosten; tevens werd de bvba veroordeeld tot afgifte van correcte sociale en fiscale bescheiden onder verbeurte van een dwangsom van euro 25 met ingang van een maand na de betekening van het vonnis en met een maximum van euro
- Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 12 september 2008, tekende de bvba Erotic Centre, inmiddels genaamd de bvba B.U., hoger beroep aan in zoverre de vordering door de eerste rechter werd toegekend; minstens werd een getuigenaanbod geformuleerd en ondergeschikt werd een herleiding van de gegrondverklaring gevraagd. De heer V.D. tekende incidenteel beroep aan in zoverre zijn oorspronkelijke vordering ongegrond werd geacht.
- BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep. 2.
- De dringende reden Op grond van artikel 35, 3° lid van de arbeidsovereenkomstenwet mag een ontslag om dringende reden niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept. Artikel 35, laatste lid, voegt hieraan toe dat de partij die een dringende reden inroept, het bewijs moet leveren dat zij deze termijn geëerbiedigd heeft. De kennisname van de feiten waarop het ontslag met dringende reden gesteund is, dient te gebeuren in hoofde van de persoon of het orgaan, bevoegd om tot het ontslag over te gaan (Cass., 7 december 1998, R.W. 1999-2000, 848; Cass., 24 juni 1996, Arr. Cass. 1996, 639). De termijn van 3 werkdagen begint te lopen vanaf het ogenblik waarop de partij die ontslag betekent, voldoende kennis heeft van de feiten (Cassatie, 23 mei 1973, JTT 1973, 212 en Cassatie, 11 januari 1993, JTT 1993, 58). De rechtspraak is niet altijd eenduidig over de gevolgen van een strafrechtelijk onderzoek ten aanzien van de drie werkdagentermijn, maar alleszins moet dit in concreto worden nagegaan vanuit het oogpunt dat de werkgever over voldoende zekerheid moet beschikken. ( Maerten P. en Wouters O., Ontslag om dringende reden : hoelang zijn drie werkdagen?, Or. 2001, 184 -186; Rennette S. en De Vos K., Strafbare feiten als grondslag voor een ontslag om dringende reden, Or 2004, 88 -89) Artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet omschrijft de dringende reden als de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk onmogelijk maakt. Hieruit volgt dat 3 voorwaarden cumulatief aanwezig moeten zijn : - er moet een ernstige tekortkoming zijn van de werknemer, - die elke professionele samenwerking onmogelijk maakt, - en dit op een bijzondere manier met name onmiddellijk en definitief (zie. W. Van Eeckhoutte, Sociaal Compendium 04-05, nr. 5249). Artikel 35 laatste lid van de arbeidsovereenkomstenwet zegt dat de partij die een dringende reden inroept hiervan het bewijs dient te leveren. Deze feiten moet dan ook zo omschreven zijn dat zowel de rechter als degene die ontslagen wordt, precies weten waarop het ontslag gesteund is. Benevens het foutief karakter zal de rechter dus tevens de ernst van de tekortkoming dienen te beoordelen (cfr. Mallie J., noot onder A.H. Brussel, 20 juni 1980, T.S.R. 1981,41). Bij de beoordeling van een dringende reden dient uiteraard rekening te worden gehouden met de omstandigheden eigen aan de zaak. Het feit dat het ontslag om dringende reden rechtvaardigt, is immers het feit met inachtneming van alle omstandigheden die het feit het karakter geven van een zwaarwichtig motief (Cass., 13 december 1982, Arr. Cass., 1982-1983, 504; Cass., 16 juni 1971, JTT 1972, 37; Cass., 23 mei 1973, JTT 1973, 212). Artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet vereist niet dat de ernstige tekortkoming een contractuele fout is. ( Cass. 6 maart 1995, JTT 1995, 281 met noot). De rechter kan derhalve niet weigeren een feit als dringende reden te beschouwen op grond dat het om een daad uit het privé-leven gaat, zonder te onderzoeken of de feiten de voortzetting van de contractuele betrekkingen al dan niet onmogelijk maakten. ( Cass. 9 maart 1987, R.W. 1987 -88, 258) Artikel 28,5° van de arbeidsovereenkomstenwet beschouwt de tijd dat de werknemer afwezig is wegens maatregelen van voorlopige vrijheidsberoving waarvan hij het voorwerp is, als wettelijke schorsingsgrond van de arbeidsovereenkomst. Artikel 28,5° van de arbeidsovereenkomstenwet brengt mee dat de voorlopige hechtenis op zich geen ontslag om dringende reden kan verantwoorden, maar dat neemt niet weg dat een ontslag om dringende reden mogelijk blijft omwille van de feiten die aan de grondslag liggen van de voorlopige hechtenis (W. Van Eeckhoutte, A. Taghon en S. Vanoverbeke, Overzicht van rechtspraak arbeidsovereenkomsten ( 1988 - 2005),T.P.R. 2006/1, 580, nr. 446; C. Engels, Ontslag wegens dringende reden, Antwerpen, 1988, 116, nr. 670; V. Vannes, La détention préventive et le contrat de travail, JTT 1985, 417 -422). Mevrouw Vannes legde in bovenvermelde bijdrage uit dat het wetsvoorstel dat leidde tot artikel 28,5° voorgelegd werd aan de Nationale Arbeidsraad, die in zijn advies 683 uitdrukkelijk benadrukte dat de feiten die aan de voorlopige hechtenis ten grondslag lagen op zich wel een motief konden zijn voor een ontslag om dringende reden ( JTT 1985, 419). Wanneer de werkgever tijdens de voorlopige hechtenis de ontslagbeslissing neemt, loopt hij weliswaar het risico dat bij een eventuele vrijspraak de arbeidsgerechten gebonden zijn door het gezag van gewijsde van deze beslissing, maar wanneer de werknemer strafrechterlijk veroordeeld wordt, dan dienen de arbeidsgerechten deze veroordeling in aanmerking te nemen voor de beoordeling van de dringende reden ( JTT 1985, 420, 2e). ( zie ook Rennette S. en De Vos K., Strafbare feiten als grondslag voor een ontslag om dringende reden, Or 2004, 92-93; Buyssens H. en Clinckemalie K. Knelpunten inzake het bewijs van de dringende reden, Or. 2007, 239-240) Het tijdstip waarop men tot ontslag om dringende reden overgaat, dient immers niet noodzakelijk overeen te stemmen met het tijdstip waarop het mogelijk is dit feit te bewijzen ( Arbh. Brussel, 21 mei 1997, Med. V.B.O., 1998, 82; Arbh. Luik, 24 april 1997, Soc. Kron 1998,79). Feiten waarvan de partij die de arbeidsovereenkomst om een dringende reden beëindigt, slechts op de hoogte was na het ontslag en de kennisgeving ervan, kunnen immers aangewend worden om de dringende reden te bewijzen ( Cass., 24 september 1979, JTT 1980, 98; Cass., 13 oktober 1986, R.W. 1986 -87, 1711). 2.
- Toepassing In de motiveringsbrief van 3 juni 2006 worden de feiten met een voldoende nauwkeurigheid weergegeven. Dat het ontslag gegeven wordt door de daartoe bevoegde persoon wordt niet betwist. Ten onrechte houdt de heer V.D. voor dat zijn werkgever omwille van zijn voorlopige hechtenis voldoende informatie had over het aan gang zijnde strafrechterlijk onderzoek, zodat het verhoor van 28 april 2006 geen bijdrage kon leveren tot de kennisname van de feiten. Het zal wel zo geweest zijn dat de voorlopige hechtenis in zekere mate een geruchtencircuit op gang bracht, maar op basis hiervan kon de werkgever onvoldoende zekerheid en kennis bekomen omtrent de feiten. Uit de e-mail van de Nederlandse raadsman, die de heer V.D. bijstond in zijn strafprocedure, kan enkel afgeleid worden dat deze een aantal contacten had met de werkgever om informatie te bekomen over de tewerkstelling teneinde de raadkamer hierover te informeren in het kader van de verlenging van het voorarrest; verdere informatie werd niet prijsgegeven, waardoor de advocaat zich overigens zou blootstellen aan schending van zijn beroepsgeheim. Uit de ontslagbrief volgt dat de werkgever voldoende zekerheid ontving over de betrokkenheid in het kweken van hennepplantages en het verhandelen van drugs, nadat hierover niet alleen de heer V.D. zelf, maar ook de heer M. werd ondervraagd. Het ontslag van 28 april 2006 werd betekend binnen de drie werkdagen na deze ondervragingen en de motivering van het ontslag op 3 mei 2006 werd betekend binnen de drie werkdagen na dit ontslag. Het ontslag en de motivering werden dan ook tijdig gegeven. Door de strafrechtelijke veroordeling van de heer V.D. door de correctionele rechtbank te Middelburg op 31 januari 2007 staat vast dat hij betrokken was in het kweken en verhandelen van drugs en de organisatie hiervan en dat hij zich schuldig gemaakt heeft aan overtredingen van de Nederlandse Opiumwet. Dit onderdeel van de feiten is dan ook bewezen. Deze feiten speelden zich echter af in het privé-leven en hadden op zich geen rechtstreeks verband met de professionele werkzaamheid van de heer V.D.. De vraag is dan ook of er een onrechtstreekse professionele weerslag was en of deze privé feiten de voortzetting van de contractuele betrekkingen al dan niet onmiddellijk onmogelijk maakten. De bvba Erotic Centre verwijst daarvoor uitvoerig naar haar reputatieschade en houdt voor dat zij omwille van de aard van haar activiteit reeds een kwetsbare positie heeft en zich derhalve dergelijke schade niet kan veroorloven. De bvba brengt echter geen enkel element aan waardoor de realiteit of de vrees voor reputatieschade aannemelijk zou worden gemaakt. Het arbeidshof sluit zich aan bij de beoordeling door de eerste rechter dat de heer V.D. de filiaalhouder was van de eroticawinkel in de Aarschotstraat te Brussel, terwijl de strafrechtelijke feiten allen plaatsvonden in Nederland, waar de heer V.D. ook woonde, zodat het weinig geloofwaardig is dat de klanten in België kennis hebben gekregen van deze feiten en dit zouden aanrekenen aan de reputatie van de bvba. Terecht overwoog de eerste rechter dat, indien het ontslag in werkelijkheid bedoeld was als signaal naar het andere personeel en de buitenwereld toe, de werkgever dit ook had kunnen bereiken door de arbeidsovereenkomst met een opzeggingstermijn te beëindigen. Uit het vonnis van de rechtbank te Middelburg blijkt overigens dat de heer V.D. in verband met de hennepteelt contacten onderhield met de heer M. en dat hij aan hem leverde, waardoor hij de misdrijven van onder meer de heer M. bevorderde. Indien de zorg voor het vermijden van reputatieschade zo belangrijk was voor de bvba, dan had ze dit geloofwaardiger kunnen maken door aan te tonen dat ze ook ten aanzien van de collega M. een onmiddellijke ontslagbeslissing had genomen. Evenmin maakt de bvba duidelijk van welke winkel de heer M. de filiaalhouder was. Toch blijkt uit het overzicht van de winkels in de Algemene Instructies dat de winkel in de Aarschotstraat te Brussel de verst van de Nederlandse grens gelegen afdeling is; alle andere vestigingen zijn veel dichter bij de Nederlandse grens gesitueerd, wat door de eerste rechter terecht belangrijk werd geacht in verband met de realiteit van de reputatieschade. Er wordt niet aangetoond dat de professionele samenwerking onmiddellijk onmogelijk was geworden. Ook een gebeurlijke mondeling verwittiging doet geen afbreuk aan de omstandigheid dat er geen onmiddellijke onmogelijkheid was in verband met het verderzetten van de professionele samenwerking en dat de bvba vrede had kunnen nemen met een meer proportionele maatregel zoals een ontslag door opzegging. In die zin is het getuigenaanbod van de bvba niet ter zake dienend. Ten onrechte wil de bvba verder naar deze Algemene Instructies, p. 13 verwijzen om voor te houden dat zij in verband met alcohol en drugs een strenge bedrijfscultuur hanteerde, en dat dit ook betrekking had op de feiten in het privé-leven. Deze bepaling vangt nochtans aan met zowel in de winkel als in de bedrijfsauto,wat dus geen verwijzing naar het privaat leven inhoudt en de tweede paragraaf verwijst ogenschijnlijk in dezelfde optiek naar het kopen en verkopen van spullen aan of van derden tijdens de werkzaamheden; alleszins wordt er geen duidelijke verwijzing naar het privé-leven gedaan, zoals de bvba thans met klem wil voorhouden. Maar zelfs indien dit zo zou zijn, dan heeft deze brochure niet de waarde van een arbeidsreglement en dan nog aanvaardt de rechtspraak dat een lijst van mogelijke dringende reden in een arbeidsreglement enkel indicatief is en geen afbreuk doet aan de appreciatie van de arbeidsgerechten. De bvba bewijst dan ook niet dat de door haar voorgehouden reputatieschade reëel is en dat zij een duidelijk intern beleid voert met betrekking tot de feiten die zij thans in de ontslagbrief dringende reden met uiterste gestrengheid sanctioneert. Omwille van de drughandel in zijn privé-leven werd de heer V.D. door de Nederlandse strafrechtbanken gesanctioneerd, maar de bvba toont niet aan dat deze feiten een dermate professionele weerslag hadden dat de samenwerking onmiddellijk onmogelijk werd. Het hof treedt de analyse van de eerste rechter bij dat de zwaarwichtigheid van de dringende reden niet is aangetoond. 2.
- De opzeggingsvergoeding en de pro rata eindejaarspremie. Aangezien de dringende reden aldus niet kunnen worden aanvaard, heeft de heer V.D. recht op een opzeggingsvergoeding, die gelijk is aan het lopende loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, JTT 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen ( Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153). Mits een juiste evaluatie te geven aan deze elementen, kan rekening houdend met de leeftijd van 43 jaar, de anciënniteit van 8 jaar als filiaalhouder en het loon van euro 28.533,63 de opzeggingstermijn en de eruit voortvloeiende opzeggingsvergoeding worden bepaald op het loon van 8 maanden. De eerste rechter begrootte dit basisloon correct op euro 2049,83 x 13,92 = euro 28.533,
- De heer V.D. wil dit basisloon verhoogd zien met een bijkomende post overloon dat dan verder zou moeten doorgerekend worden in de eindejaarspremie en het vakantiegeld, zodat volgens zijn berekening het basisloon euro 32.753,32 zou moeten bedragen; op basis daarvan maakt hij dan aanspraak op een overdreven opzeggingsvergoeding van 12 maanden. Zoals hierna zal worden uitgelegd, kan dit bijkomend overloon niet worden aangerekend, wegens gebrek aan bewijs en transparante becijfering. Terecht heeft de eerste rechter de opzeggingsvergoeding dan ook begroot op euro 28.533,63 x 8/12 = euro 19.022,
- Ook de pro rata eindejaarspremie werd correct berekend op euro 2049,83 x 3/12 = euro 512,
- Op grond van artikel 41 van de CAO van 4 juli 2002, afgesloten in het paritair comité 201 voor de zelfstandige kleinhandel, is deze pro rata eindejaarspremie verschuldigd, daar het ontslag om dringende reden niet wordt aanvaard. Het hoofdberoep en het incidenteel beroep zijn voor deze onderdelen beiden ongegrond. 2.
- Loon voor overuren en de overeenkomstige regularisatie eindejaarspremies. In artikel 4 van de geschreven arbeidsovereenkomst wordt in verband met de arbeidstijd bepaald dat de heer V.D. zijn functie afwisselend gedurende 4 dagen per week/3 dagen per week zal uitoefenen volgens de behoeften van het bedrijf. In artikel 5 wordt het bruto basisuurloon van de bedienden vastgesteld op euro 9,27, waardoor het maandloon, bezien vanuit een 38 urenweek, hoger is dan het baremaloon, zoals dit voortvloeit uit de cao's tot vaststelling van de arbeids - en loonsvoorwaarden, afgesloten in het paritair comité
- Artikel 5 bepaalt verder dat de werkgever en de bediende overeenkomen en voorzien dat de bediende gezien zijn opdrachten steeds 45 uren per week/hetzij gemiddeld 195 uren per maand zal werken. Het bruto basismaandloon van de bediende voor 195 uren werken is vastgesteld op euro 1807,
- Tevens volgt uit de loonfiches dat de lonen regelmatig werden geïndexeerd. Met deze 45 uren wordt de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van 38 uren overschreden, zoals bepaald in de CAO van 15 juni 2001, afgesloten in het paritair comité 201 voor de zelfstandige kleinhandel ( K. B. 19 juni 2003 B. S. 6 augustus 2003). Deze overschrijding geeft echter geen recht op overloon op grond van artikel 29 van de arbeidswet, omdat de filiaalhouders in artikel 2, I, 4° van het KB van 10 februari 1965 worden aangeduid als vertrouwenspersoneel, zodat ingevolge artikel 3 van de arbeidswet van 16 maart 1971 de regels in verband met overwerk en overloon niet van toepassing zijn. De heer V.D. kan wel aanspraak maken op het gewone loon voor de uren die hij meer werkt dan 38 uren/week ( Arbh. Brussel, 7 maart 2008, A. R. 48.238), maar dit loon werd hem toegekend, daar in artikel 5 van zijn arbeidsovereenkomst voorzien is dat het basisuurloon berekend wordt op 195 uren/maand, waardoor het maandloon in de arbeidsovereenkomst vastgesteld werd op euro 1.807,45 (of euro 9,27 x 195 uren) Bovendien voorziet artikel 5.2 van de arbeidsovereenkomst dat, ingeval de bediende op maandbasis meer dan 195 uur werkt, het meerwerk vergoed zal worden op basis van het bruto uurloon van euro 13,
- Uit de loonfiches kan afgeleid worden dat dit overloon maandelijks werd afgerekend. Ten onrechte beroept de heer V.D. zich op een maandelijkse fax met een overzicht van zijn gepresteerde overuren. Enkel voor de periode van februari 2003 tot september 2004 worden handgeschreven, maar niet ondertekende maandoverzichten bij de loonfiches gevoegd, maar uit deze documenten kan niet afgeleid worden dat de loonuitwerking op de loonfiches onjuist zou zijn. Alleszins zijn deze loonfiches nauwkeuriger berekend dan de grove becijfering die de heer V.D. op pagina 19 van zijn beroepsconclusies voorbrengt en die enkel steunt op het verschil tussen de 38 uren en de 45 uren, wat nochtans correct door de bvba werden verloond; terecht heeft de eerste rechter dan ook vastgesteld dat uit de door de heer V.D. voorgebrachte elementen niet kan afgeleid worden dat er nog overloon zou verschuldigd zijn. Evenmin is er dus reden om tot regularisatie van de eindejaarspremies over te gaan. Het incidenteel beroep van de heer V.D. is dan ook ongegrond. 2.
- De intresten. Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen bepaalt dat de rente ingevolge de loonbeschermingswet berekend wordt op het loon vooraleer de in artikel 23 van deze wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht, maar deze bepaling kon volgens artikel 90 § 1 van de wet van 26 juni 2002 slechts in werking treden op een door de Koning te bepalen datum, wat gebeurde door de artikelen 1 en 2 van het K.B. van 3 juli 2005 ( inwerkingtreding op 1 juli 2005 op de lonen waarvan de betaling inging vanaf die datum). Door de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008) werd het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 bekrachtigd. Hieruit volgt dat de intresten op de toegekende bedragen slechts kunnen berekend worden op de brutobedragen, daar het ontslag dateert van 28 april 2006, zijnde na 1 juli
- Wat betreft de sociale en fiscale documenten tenslotte, kan het vonnis worden bevestigd en de bvba verzet zich niet tegen de verbeurte van een dwangsom in de mate zoals door de eerste rechter beslist. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk en beiden ongegrond, behalve wat betreft het incidenteel beroep van de heer V.D. betreffende de intresten. Bevestigt het bestreden vonnis, behalve wat betreft de aanrekening van de wettelijke en gerechtelijke intresten, die dient te gebeuren op de brutobedragen. Veroordeelt de bvba B.U. tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van beide partijen begroot op het basisbedrag rechtsplegingsvergoeding euro 2.000 Aldus gewezen door de derde kamer van het arbeidshof en ondertekend door : L. Lenaerts, raadsheer, voorzitter; S. Alaerts, raadsheer in sociale zaken, als werkgever; H. Engelen, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende; S. Van der hoeven, griffier. L. Lenaerts S. Van der hoeven S. Alaerts H. Engelen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het arbeidshof te Brussel op zesentwintig juni tweeduizend en negen door : L. Lenaerts raadsheer, voorzitter, Bijgestaan door S. Van der hoeven: griffier. L. Lenaerts S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090626.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.