id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 26 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090626.2 Rolnummer: 50.884 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-07-06 Raadplegingen: 137 - laatst gezien 2026-07-02 20:05 Fiche Wanneer blijkt dat met een scholingsbeding, afgesloten voor de inwerkingtreding van artikel 22bis van de arbeidsovereenkomstenwet, in realiteit beoogd wordt om het recht van de werknemer tot beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst te beperken door het opleggen van een bijkomende vergoeding, kent de overeenkomst een ongeoorloofde oorzaak en is het beding strijdig met de dwingende bepalingen inzake opzegging en derhalve nietig. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Soorten arbeidsovereenkomsten - Algemeen Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Bedienden - Scholingsbeding - Artikel 22bis AOW - Voorwaardelijk geding. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 22bis - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN NEGEN. 3e KAMER bediendecontract tegenspraak definitief In de zaak : AUTOMATISATION & CONSULTANCY PARTNERS , naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 1780 Wemmel, Koning Albert I laan 50 (bus 1), appellante, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester E. D'Hooghe loco meester T. Dekeersmaeker, advocaat te Anwerpen tegen : V.W. , wonende te [xxx], geïntimeerde, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door mevrouw S. De Rijcke, afgevaardigde van een representatieve organisatie voor werknemers, houdster van een schriftelijke volmacht * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak, door de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel op 18 december 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 22 april 2008; - de conclusies voor de beide partijen, - de voorgelegde stukken; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter buitengewone openbare terechtzitting van 27 mei 2009, waarna de debatten werden gesloten en de zaak voor uitspraak werd gesteld op heden. * * *
- FEITEN EN RECHTSPLEGING Op 20 juli 2006 ondertekenden de NV Automatisation and Consultancy Partners en de heer V.W. een arbeidsovereenkomst voor bedienden voor een duidelijk omschreven werk voor de functie van Junior Analist ingaande op 18 september
- Op dezelfde datum ondertekenden partijen een scholingsbeding, waarbij de heer V.W. de mogelijkheid kreeg om een opleiding te volgen van 18 september 2006 tot 30 september 2006 en waarbij hij erkende dat dit voor hem een meerwaarde meebracht, alsook een verhoging van zijn marktwaarde. Het opleidingsplan was in bijlage bij het scholingsbeding gevoegd en geeft een gedetailleerde opsomming van het opleidingsproject en de te volgen modules. De kostprijs van de opleiding wordt bepaald op euro 5.300, exclusief BTW en er wordt overeengekomen dat wanneer de werknemer de onderneming vrijwillig verlaat gedurende twee jaar volgend op de aanvangsdatum van de opleiding, hij volgens een degressief tarief de opleidingskosten zal terugbetalen. Op 28 december 2006 liet de heer V.W. per e-mail aan zijn werkgever weten dat hij een meer interessante job gevonden had dichter bij huis en dat hij om die reden besloten had om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Hij betekende deze opzegging op 28 december 2006 met een opzeggingstermijn van 1,5 maanden, ingaande op 1 januari
- Op 13 februari 2007 stelde de werkgever de heer V.W. in gebreke in terugbetaling van een bedrag van euro 3.975, hetzij 75% van euro 5.300 wegens opleidingskosten en dit ingevolge artikel 5 van het scholingsbeding. De vakorganisatie van de heer V.W. betwistte in een schrijven van 13 maart 2007 de geldigheid van dit scholingsbeding. Partijen kwamen hierover niet tot overeenstemming en op 23 april 2007 dagvaardde de NV Automatisation and Consultancy Partners de heer V.W. in betaling van het bedrag van euro 3.975, te vermeerderen met intresten en kosten. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 18 december 2007 werd deze vordering afgewezen als zijnde ontvankelijk doch ongegrond, om reden dat de opleiding gelet op de kwalificaties van de heer V.W. geen meerwaarde meebracht en dus geen werkelijke en ernstige oorzaak had. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 22 april 2008 tekende de NV hoger beroep aan tegen dit vonnis en hernam ze haar oorspronkelijke vordering.
- BEOORDELING Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. De beroepsconclusie en de vervangende beroepsconclusie van de N.V., respectievelijk ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 14 januari 2009 en 26 maart 2009, werden neergelegd buiten de termijnen, zoals vastgelegd in onze beschikking van 3 juli 2008 bij toepassing van artikel 747 §2, en ook buiten de termijnen zoals die nadien minnelijk tussen de partijen waren overeengekomen. Deze conclusies dienen dan ook uit de debatten te worden geweerd. Terecht merkt de eerste rechter op dat huidig scholingsbeding werd afgesloten voor de inwerkingtreding van artikel 22bis van de arbeidsovereenkomstenwet, zoals ingevoegd door de Wet houdende diverse bepalingen van 27 december 2006 ( B. S. 28 december 2006). Voordien bestond er in rechtspraak en rechtsleer onzekerheid over de geldigheid van het scholingsbeding, maar over het algemeen aanvaardde de rechtspraak de principiële maar voorwaardelijke geldigheid ervan. ( A. Dreesen en I. Plets, Wettelijke regeling van het scholingsbeding, Or. 2007, 66, met de rechtspraak geciteerd in voetnoot 3) Aangezien een scholingsbeding voor beide partijen nut kan opleveren, voor de werkgever omdat de opleiding ervoor zorgt dat de werknemer beter functioneert en voor de werknemer omdat zijn waarde op de arbeidsmarkt erdoor toeneemt, wordt door een deel van rechtspraak en rechtsleer aanvaard dat een scholingsbeding geldig is, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan o.m. dat het niet geldt wanneer de werkgever ontslag geeft, tenzij om dringende reden, dat het beperkt is in de tijd, dat de terugbetaling slechts een gedeelte van de kosten betreft, dat de scholing nuttig is, dat het loon na de scholing geherwaardeerd wordt. (Arbh. Brussel, 6 februari 2007, AR 41.703) In een arrest van 19 september 1973 sprak het Hof van Cassatie zich uit voor de voorwaardelijke geldigheid van een scholingsbeding, mits er een onderscheid werd gemaakt tussen de terugbetaling van opleidingskosten en de naleving van de regels in verband met het ontslagrecht die niet mogen worden verzwaard. ( Cass. 19 september 1973, JTT 1974, 164) Wanneer blijkt dat met het scholingsbeding in realiteit beoogd wordt om het recht van de werknemer tot beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst te beperken door het opleggen van een bijkomende vergoeding, kent de overeenkomst een ongeoorloofde oorzaak en is het beding strijdig met de dwingende bepalingen inzake opzegging en derhalve nietig ( artikel 6 en 37 van de arbeidsovereenkomstenwet. Cass. 10 maart 1997, A.J.T. 1997 -98, 214, noot I. Plets, (On)zekerheid over de geldigheid van een scholingsbeding; Arbh. Gent, 20 april 2005, Soc. Kron 2006, 319) Terecht heeft de eerste rechter vastgesteld dat het scholingsbeding van de heer V.W. voldoet aan het merendeel van de voorwaarden die in de rechtspraak worden gehanteerd om de geldigheid ervan te toetsen. De voorwaarde dat het scholingsbeding aan de heer V.W. de mogelijkheid moest bieden om zijn professionele vaardigheden te verbeteren en een betere positie te bekomen op de arbeidsmarkt, achtte de eerste rechter niet voldaan, omdat de heer V.W. een universitair diploma in de informatica bezat en ook docent geweest was in een hogeschool. Hiermee verwees de heer V.W. echter voornamelijk naar een theoretische opleiding, terwijl de hem aangeboden cursus praktijkgericht was en beoogde de recente ontwikkelingen bij te scholen, die hij nodig had voor zijn nieuwe functie. Zeker in de informatica is deze permanente bijscholing en up-dating een noodzaak. Het volstaat dus niet om de opleidingsonderdelen, vermeld in het universitair diplomasupplement, te vergelijken met de titels van de praktische opleiding om voor te houden dat deze laatste geen meerwaarde voor de werknemer had. Immers aan de scholingsovereenkomst is een gedetailleerde beschrijving van de trainingscursus gehecht, zodat de heer V.W. met zijn kwalificaties en opleiding zeer goed in staat was om te beoordelen of deze cursus een vergroting van zijn marktwaarde meebracht en hem tot meerwaarde strekte. Alleszins bevestigde hij in de preambule van het scholingsbeding : de werkgever geeft de werknemer de mogelijkheid tot het volgen van een opleiding. Deze opleiding brengt een meerwaarde mee voor de werknemer, zijn marktwaarde en ook voor de werkgever. Wanneer een universitair geschoolde en dergelijke clausule ondertekent, kan hij moeilijk nadien het omgekeerde voorhouden, daar hij de nodige deskundigheid heeft om bij het aangaan van de overeenkomst de waarde van de hem aangeboden opleiding te evalueren. Daar het scholingsbeding onmiddellijk bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst werd ondertekend, kan tevens aangenomen worden dat het overeengekomen loon reeds rekening hield met de verhoogde kwalificaties die de opleiding meebracht. Het scholingsbeding had dan ook geen ongeoorloofde oorzaak en verzwaarde de regels in verband met het ontslagrecht en de aansprakelijkheid van de werknemer niet, zodat de NV zich terecht op de toepassing ervan beriep. Overigens legde de heer V.W. in zijn e-mail van 28 december 2006 uit welke afwegingen hij gemaakt had in verband met de door hem gegeven opzegging en hieruit blijkt dat het element van het scholingsbeding hierin niet heeft meegespeeld en hem dus evenmin heeft gehinderd. Evenmin maakt hij daarbij melding van moeilijkheden in verband met zijn functie-uitoefening. In artikel 5 van het scholingsbeding wordt overeengekomen dat de terugbetaling beperkt wordt tot 75% van de reële kostprijs van de opleiding die in artikel 3 bepaald wordt op euro 53.000 exclusief BTW. Aldus vordert de NV terecht een bedrag van euro 3.975, hetzij 75% van euro 5.300 De kostprijs wordt niet beïnvloed door de vennootschapsbelasting, noch door het feit dat de heer V.W. wegens ziekte twee dagen afwezig is geweest tijdens de opleiding. Het hoger beroep en de oorspronkelijke vordering zijn dan ook gegrond. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep en ontvankelijk, en gegrond, Hervormt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende, Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond en Veroordeelt de heer V.W. tot betaling aan de NV Automatisation and Consultancy Partners van een bedrag van euro 3.975 te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 16 februari 2007 en de gerechtelijke intresten. Veroordeelt de heer V.W. tot de gerechtskosten van beide aanleggen, deze door de NV begroot en door de heer V.W. ter zitting aanvaard als volgt dagvaarding euro 118,81 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 218,64 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 218,64 totaal euro 556,09 Aldus gewezen door de derde kamer van het arbeidshof en ondertekend door : L. Lenaerts, raadsheer, voorzitter; S. Alaerts, raadsheer in sociale zaken, als werkgever; H. Engelen, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende; S. Van der hoeven, griffier. L. Lenaerts S. Van der hoeven S. Alaerts H. Engelen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het arbeidshof te Brussel op zesentwintig juni tweeduizend en negen door : L. Lenaerts raadsheer, voorzitter, Bijgestaan door S. Van der hoeven: griffier. L. Lenaerts S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090626.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div