id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 26 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090626.3 Rolnummer: 51.330 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-07-06 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-02 20:05 Fiche In elke werkrelatie kan al eens een spanning ontstaan die in eerste instantie door een redelijk overleg moet kunnen worden opgelost. Een ontslag om dringende reden is enkel op zijn plaats bij een ernstige tekortkoming die de professionele samenwerking onmiddellijk onmogelijk maakt en dit wordt door de werkgever hier niet aangetoond. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Ontslag om dringende reden Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Bedienden - Ontslag - Dringende reden. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN NEGEN. 3e KAMER bediendecontract tegenspraak definitief In de zaak : MAVA BODEMONDERZOEK, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 1932 Sint-Stevens-Woluwe, Leuvensesteenweg 388, ondernemingsnummer 0456.835.455, appellante, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester B. Mergits, advocaat te Antwerpen, tegen : B. , wonende te [xxx] geïntimeerde, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester R. Bollen, advocaat te Leuven. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken: -het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak door de twaalfde kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel op 19 juni 2008, - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 5 september 2008; - de conclusies voor de beide partijen, - de voorgelegde stukken; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 5 juni 2009, waarna de debatten werden gesloten en de zaak voor uitspraak werd gesteld op heden. * * *
- FEITEN EN RECHTSPLEGING Op 10 april 2003 ondertekent de heer B. een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, waardoor hij met ingang van 5 mei 2003 in dienst komt van de N.V. MAVA Milieuadvies (thans NV MAVA Bodemonderzoek) als CAD/tekenaar. Nadat hem in februari 2006 een meer uitgebreide functieomschrijving wordt voorgelegd door zijn nieuwe teamverantwoordelijke, de heer R.V., ontvangt hij bij aangetekende brief van 17 maart 2006 een schriftelijke verwittiging in verband met zijn reacties op deze nieuwe taakomschrijving; tevens wordt in deze brief aan de heer B. verweten dat hij verlof genomen had op een dag dat hij omwille van grote fileproblemen al te laattijdig op het werk zou aankomen; men wijst hem erop dat verlof niet eenzijdig kan worden vastgelegd. De heer B. reageert op deze verwittiging, zowel per e-mail als per aangetekende brief en hij weerlegt punt per punt de inhoud ervan; in de e-mail situeert hij de verwittiging als een vorm van pesterij en vraagt hij redelijkheid, waarbij hij benadrukt dat hij zijn werk doet met veel plezier, zodat hij aandringt op een normale samenwerking. De werkgever reageert hier opnieuw op met een aangetekende brief van 21 maart 2006, waarin nogmaals de voorgaande punten besproken worden en waarin de duiding als pesterijen wordt omschreven als uit de lucht gegrepen insinuaties. Voor de woordelijke weergave van deze onderlinge briefwisseling kan verwezen worden naar het feitenrelaas van de eerste rechter. Eveneens op 21 maart 2006 wordt in een volgende brief de arbeidsovereenkomst beëindigd met dringende reden, waarin de verwittigingsbrief van 17 maart 2006 integraal wordt overgenomen en waarin verder als dringende reden wordt vermeld : Op 8 maart 2006 werd u door uw hiërarchische overste, de heer V., verzocht een aantal gegevens te bezorgen, zoals eerder was afgesproken, en werd u eveneens gevraagd elke vrijdagnamiddag uw wekelijkse planning te bezorgen. Hierop bezorgde u een link ( verwijzende naar het logboek) en een verslag van de externe consultant waarmee u een bespreking gehad heeft. De overige gevraagde gegevens onder meer uw wekelijkse planning werden door u nooit bezorgd. Ook op 17 maart 2006 diende de heer V. andermaal vast te stellen dat u de gevraagde gegevens waaronder onder meer de weekplanning niet had overgemaakt. Volgt dan de weergave van de aangetekende brief van 17 maart
- Op 20 maart 2006 verzocht de heer V. u andermaal hem de gevraagde gegevens waaronder onder meer de weekplanning te bezorgen. Niettegenstaande herhaalde rechtmatige instructies van uw hiërarchisch overste, waarvoor u bovendien formeel in gebreke werd gesteld, weigert u halsstarrig hieraan gevolg te geven. Op 21 maart 2006 reageerde u aan de heer V. per e-mail als volgt : "Al deze antwoorden zal je aan M.V.S. moeten vragen. Deze heb ik in een aangetekende zending toegestuurd. Misschien ben je ook een beetje doof, maar ik zal het nog eens herhalen : mijn werk was reeds af. Het enige dat nog moet gebeuren is het werk van Jorosoft. Vermits ze afspraken maken met Mark zal je het aan hem moeten vragen." Voornoemde reactie ten aanzien van een hiërarchische overste is volstrekt onaanvaardbaar en getuigt van manifest gebrek aan achting en eerbied. Met e-mail en aangetekende brief dd. 21 maart 2006 reageerde de afgevaardigd bestuurder, de heer van Straaten op uw e-mail van 17 maart 2006, waarop uw antwoord luidde : "dank u, dit is zeer boeiende lectuur" opnieuw dient vastgesteld dat uw houding ten aanzien van de afgevaardigd bestuurder voornoemd gebrek aan achting en eerbied bevestigt. Er volgt dan briefwisseling tussen de vakorganisatie van de heer B. en de rechtsbijstandverzekeraar van de N.V., waarin de dringende reden respectievelijk wordt betwist en verdedigd. Partijen komen dus niet tot overeenstemming en op 5 februari 2007 gaat de heer B. tot dagvaarding over van zijn werkgever voor de arbeidsrechtbank te Brussel, waar hij betaling vordert van : een opzeggingsvergoeding van euro 5.983,14 een pro rata eindejaarspremie van euro 353,63 vakantiegeld op deze eindejaarspremie van euro 54,25, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op bruto; tevens vraagt hij de afgifte van de gebruikelijke sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 19 juni 2008 wordt deze vordering ontvankelijk en gegrond verklaard, omdat het ontslag om dringende reden niet werd aanvaard. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 5 september 2008, tekent de N.V. MAVA Bodemonderzoek hoger beroep aan en vraagt dat de oorspronkelijke vordering zou worden afgewezen als ongegrond.
- BEOORDELING Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. 2.
- De dringende reden. Op grond van artikel 35, 3° lid van de arbeidsovereenkomstenwet mag een ontslag om dringende reden niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept. Artikel 35, laatste lid, voegt hieraan toe dat de partij die een dringende reden inroept, het bewijs moet leveren dat zij deze termijn geëerbiedigd heeft. De kennisname van de feiten waarop het ontslag met dringende reden gesteund is, dient te gebeuren in hoofde van de persoon of het orgaan, bevoegd om tot ontslag over te gaan. De heer B. roept in dat de feiten al langer bekend waren aan de werkgever en dat de werkgever dus niet aantoont dat de drie werkdagentermijn gerespecteerd werd. Hij verwijst daarvoor naar het feit dat de discussie over de weekplanning ook reeds naar voorkwam in de voorgaande briefwisseling. Alleen de dringende reden waarvan kennis is gegeven binnen drie werkdagen na het ontslag kan worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het ontslag zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn ( art. 35, 4de lid arbeidsovereenkomstenwet). Artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet omschrijft de dringende reden als de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk onmogelijk maakt. Hieruit volgt dat 3 voorwaarden cumulatief aanwezig moeten zijn : - er moet een ernstige tekortkoming zijn van de werknemer, - die elke professionele samenwerking onmogelijk maakt, - en dit op een bijzondere manier met name onmiddellijk en definitief (zie. W. Van Eeckhoutte, Sociaal Compendium 04-05, nr. 5249). Artikel 35 laatste lid van de arbeidsovereenkomstenwet zegt dat de partij die een dringende reden inroept hiervan het bewijs dient te leveren. Benevens het foutief karakter zal de rechter dus tevens de ernst van de tekortkoming dienen te beoordelen (cfr. Mallie J., noot onder A.H. Brussel, 20.6.1980, T.S.R. 1981,41). Bij de beoordeling van een dringende reden dient uiteraard rekening te worden gehouden met de omstandigheden eigen aan de zaak. Het feit dat het ontslag om dringende reden rechtvaardigt, is immers het feit met inachtneming van alle omstandigheden die het feit het karakter geven van een zwaarwichtig motief (Cass., 13 december 1982, Arr. Cass., 1982-1983, 504; Cass., 16 juni 1971, JTT 1972, 37; Cass., 23 mei 1973, JTT 1973, 212). Ten onrechte wil de heer B. voorhouden dat het ontslag om dringende reden laattijdig zou zijn; de werkgever baseerde zich op de e-mail van de heer B. van 21 maart 2006 en de discussie omtrent de weekplanning kwam nog aan bod in de e-mail van de heer V. van 20 maart
- De ontslagbrief dateert van 21 maart 2006, zodat de werkgever zich alleszins steunde op feiten die niet langer dan drie werkdagen oud waren. Het arbeidshof treedt de eerste rechter bij dat de uitlatingen van de heer B., die in de ontslagbrief in de verf worden gezet, ongepast zijn, maar toch moeten gekaderd worden in de bedrijfscultuur, die eerder wijst op een losse omgang; tevens heeft het snelle communicatiemiddel van de e-mail dikwijls tot nadeel dat men schrijft zonder voldoende reflectie. Eveneens kan de eerste rechter bijgetreden worden dat de heer B. zich na de plotse opeenvolging van verwijten blijkbaar geviseerd voelde, terwijl hij nochtans de aantijgingen in de opeenvolgende aangetekende brieven telkens weerlegd had; in zijn e-mail van 17 maart 2006 deed hij een oproep voor een redelijke samenwerking, omdat hijzelf zijn werk met heel veel plezier deed en ook graag kwam werken, wat hij moeilijk kon rijmen met de opeenvolgende kleine verwijten. In die omstandigheden waren er alleszins andere mogelijkheden om tot een constructieve samenwerking te komen dan een ontslag om dringende reden, zodat de eerste rechter terecht vaststelt dat deze samenwerking niet onmiddellijk onmogelijk was. Het arbeidshof voegt hieraan toe dat het gebeurlijk niet voorleggen van de weekplanning - indien bewezen - eveneens een professionele fout is, die zeker tot een ontslag om dringende reden kan leiden, maar, zoals ter zitting blijkt, verschillen de partijen grondig van mening omtrent het bewijs hiervan en meer bepaald over de juiste inhoud van het logboek. De NV houdt voor dat de weekplanning losstaat van het logboek, terwijl de heer B. stelt dat de weekplanning deel uitmaakt van het logboek. Dit punt kan gemakkelijk worden uitgeklaard door de voorlegging van rechtstreekse bewijsstukken, doch deze ontbreken in de stukkenbundels van partijen; in deze heeft de werkgever de bewijslast, zodat het punt van het niet voorleggen van de weekplanning, alhoewel herhaaldelijk ter sprake gekomen, niet door hem wordt aangetoond. De NV wil haar standpunt dat de weekplanning geen deel uitmaakt van het logboek, indirect aantonen door de onderlinge e-mail correspondentie, maar hierin betwisten beide partijen systematisch elkaars beweringen, zodat deze correspondentie onvoldoende bewijskrachtig is om er definitieve en duidelijke conclusies uit te trekken. Partijen bevestigen dat het logboek een geïntegreerd informaticasysteem is, zodat de bewering van de heer B. dat de evolutie van de weekplanning hiervan deel uitmaakt, niet onwaarschijnlijk is, temeer daar, zoals ook de eerste rechter opmerkte, bij de eerste verwijzing van de heer B. naar dit logboek op 9 maart 2006 de heer V. ook antwoordde met OK, zij het dat hij een reserve maakte voor eventuele onduidelijkheden. Dit antwoord is moeilijk te begrijpen wanneer de weekplanning, waaromtrent toch alles draaide, van dit logboek geen deel zou uitmaken. Andermaal wil de NV het omgekeerde afleiden uit de elkaar tegensprekende e-mail antwoorden over en weer, terwijl toch heel gemakkelijk op directe wijze inzage zou kunnen gegeven worden van de inhoud van het logboeksysteem. De overige elementen die in deze e-mail correspondentie wederzijds door beide partijen telkens in een andere zin worden belicht, laten niet toe te concluderen dat er een ernstige tekortkoming in hoofde van de heer B. zou zijn, waardoor de professionele samenwerking onmiddellijk onmogelijk zou zijn geworden. Alleszins brengt de NV gelet op de systematische betwisting over en weer hiervan geen duidelijk bewijs. Terecht heeft de eerste rechter de dringende reden dan ook niet weerhouden. In elke werkrelatie kan al eens een spanning ontstaan die in eerste instantie door een redelijk overleg moet kunnen worden opgelost. Een ontslag om dringende reden is enkel op zijn plaats bij een ernstige tekortkoming die de professionele samenwerking onmiddellijk onmogelijk maakt en dit wordt door de werkgever hier niet aangetoond. De ingeroepen verduidelijkende elementen zijn niet van aard om hieraan afbreuk te doen, daar ze slechts uiting zijn van de spanning tussen de heren B. en V.. De nieuwe tewerkstelling van de heer B. na het ontslag om dringende reden is geen element dat een belang heeft voor de beoordeling van deze dringende reden zodat de gevraagde onderzoeksmaatregel overbodig is. 2.
- De gevorderde bedragen. Aangezien de dringende reden niet kan worden aanvaard, heeft de heer B. recht op de gevorderde opzeggingsvergoeding van drie maanden, waarvan de becijfering niet wordt betwist. Ingevolge artikel 5 van de CAO van 29 mei 1989, afgesloten in het paritair comité 218, heeft de heer B. recht op een pro rata eindejaarspremie wanneer het ontslag niet aan dringende reden te wijten is. Op deze pro rata eindejaarspremie is tevens vakantiegeld verschuldigd. De becijfering van deze onderdelen wordt niet betwist. De eerste rechter stelde tevens terecht dat de gebruikelijke sociale en fiscale documenten dienen te worden afgeleverd en ze bepaalde de dwangsom, die slechts verbeurd kan worden een maand na de betekening, op billijke wijze. Het hoger beroep is dan ook ongegrond. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond, Bevestigt het bestreden vonnis Veroordeelt de N.V. MAVA Bodemonderzoek tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van beide partijen begroot op het basisbedrag rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro
- Aldus gewezen door de derde kamer van het arbeidshof en ondertekend door : L. Lenaerts, raadsheer, voorzitter; S. Alaerts, raadsheer in sociale zaken, als werkgever; B. Mussche, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende; S. Van der hoeven, griffier. L. Lenaerts S. Van der hoeven S. Alaerts B. Mussche en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het arbeidshof te Brussel op zesentwintig juni tweeduizend en negen door : L. Lenaerts raadsheer, voorzitter, Bijgestaan door S. Van der hoeven: griffier. L. Lenaerts S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090626.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div