id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 26 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090626.9 Rolnummer: 49.603 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-07-09 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-02 20:05 Fiche 1 Een loutere juridische onderbreking van de arbeidsrelatie tussen de werkgever en de werknemer, zoals een wettelijke feestdag tussen twee arbeidscontracten, heeft niet tot gevolg dat de werknemers de opgebouwde anciënniteit verliest. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Schorsing (arbeidsovereenkoms) Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - BEDIENDEN - Louter juridische onderbreking van arbeidsrelatie omwille van feestdag verhindert niet het doorlopen van anciënniteit. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 82 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II CN art.
- Een andere korte inhoud is gerangschikt onder II AAN art. 37 § 1, 4e lid. Fiche 2 Wanneer uit de ondertekening met gelezen en goedgekeurd van een ingevolge artikel 37 § 1, vierde lid AOW absoluut nietige opzegging, blijkt dat de werknemer de absoluut nietige opzegging heeft wil dekken, dan blijkt hieruit niet de wil van de werknemer om zich te beroepen op een in beginsel onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst en om dan verder de modaliteiten van dit ontslag te regelen. Wanneer partijen zich dan niet beroepen op de absolute nietigheid, dan blijft de arbeidsovereenkomst voortduren totdat ze op een andere wijze wordt beëindigd. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzegging Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Art. 37 § 1, 4e lid AOW - Absoluut nietige opzegging - Geen mogelijkheid tot dekking door gelezen en goedgekeurd. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 37,§1,L.4 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN art. 37 § 1, 4e lid. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder II CN art.
- Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN NEGEN. 3e KAMER bediendecontract tegenspraak definitief In de zaak : ETABLISSEMENTS ALFRED GEORGE, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 1785 Merchtem, Krekelendries 11, appellante op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester D. De Valck, advocaat te Asse, tegen : M. , wonende te [xxx], geïntimeerde op hoofdberoep, appellante op incidenteel beroep, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door mevrouw E. Vande Velde, afgevaardigde van een representatieve organisatie voor werknemers, houdster van een schriftelijke volmacht * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak, door de twaalfde kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel op 2 februari 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 5 maart 2007; - de conclusies voor de beide partijen, - de voorgelegde stukken; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter buitengewone openbare terechtzitting van 27 mei 2009, waarna de debatten werden gesloten en de zaak voor uitspraak werd gesteld op heden. * * *
- FEITEN EN RECHTSPLEGING Mevrouw M. was reeds in dienst van de N.V. Etablissements Alfred George van 7 december 1964 tot 30 december 1983 als bediende. Na een onderbreking kwam zij op 1 februari 1984 opnieuw in dienst bij de NV als bediende boekhouding. Op 12 juli 1995 zegde de werkgever deze arbeidsovereenkomst op met een opzeggingstermijn van 30 maanden, ingaande op 1 augustus
- Op 21 april 1998 ondertekenden partijen een overeenkomst waarin zij vaststelden dat rekening houdend met de ziektedagen en vakantiedagen de opzegging definitief ten einde zou lopen op 30 april 1998 en dat zij wederzijds verzaakten aan elke vordering. Eveneens op 21 april 1998 ondertekenden partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bedienden, ingaande op 2 mei 1998 en ten laatste eindigend op een van de volgende tijdstippen : hetzij op het ogenblik van de verkoop van het handelsfonds, hetzij rechtstreeks hetzij via de verkoop van de aandelen, hetzij op het ogenblik van de in vereffeningstelling van de vennootschap indien het handelsfonds niet kan verkocht worden, hetzij op 31 december
- Nadat de herschikking van de NV gestabiliseerd was, ondertekenden partijen op 31 december 1998 een nieuwe arbeidsovereenkomst, ditmaal van onbepaalde tijd, ingaande op 1 januari
- Op 26 augustus 2002 legde de NV een schrijven voor aan mevrouw M., waarin de arbeidsovereenkomst beëindigd werd met een opzeggingstermijn van drie maanden, ingaande op 1 september 2002 en waarbij mevrouw M. tijdens de opzeggingstermijn al de verbintenissen uit haar arbeidsovereenkomst verder moest nakomen. Mevrouw M. ondertekende deze brief met gelezen en goedgekeurd. Op onze vraag bevestigt de NV dat zij geen bewijs kan voortbrengen dat deze brief aangetekend werd verzonden. Er wordt op deze brief ook geen melding gemaakt van een aangetekende verzending. Op 31 oktober 2002 bevestigde de afgevaardigd bestuurder van de N.V. dat mevrouw M. haar opzeggingperiode mocht stopzetten met ingang van 1 november 2002 en dat er een afrekening tot en met 30 november 2002 zou volgen. Bij schrijven van de vakorganisatie van mevrouw M. aan de NV van 11 december 2002 wordt gesteld dat zij vanaf 1 december 2002 vrijgesteld werd van prestaties, maar dat er rekening diende te worden gehouden met een ononderbroken tewerkstelling van 1 februari 1984 tot en met 31 oktober 2002, zodat mevrouw M. recht had op een opzeggingstermijn/-vergoeding van 20 maanden. In een antwoordbrief aan de vakorganisatie van 16 december 2002 repliceerde de raadsman van de N.V. dat de anciënniteit hoogstens kon ingaan vanaf 21 april 1998, omdat de eerste arbeidsovereenkomst werd opgezegd en dan in der minne beëindigd. In de verdere briefwisseling hield de discussie omtrent de opzegging en de termijn aan en op 11 augustus 2003 dagvaardde mevrouw M. de NV Etablissements Alfred George voor de arbeidsrechtbank te Brussel in betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 43.320,70, te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten op netto en met de kosten en in afgifte van de gebruikelijke sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 2 februari 2007 werd deze vordering ontvankelijk en gegrond verklaard. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 5 maart 2007, tekende de NV Etablissements Alfred George hoger beroep aan en vroeg dat de oorspronkelijke vordering zou worden afgewezen als zijnde ongegrond. Mevrouw M. tekende incidenteel beroep aan, aanvankelijk om intresten op de bruto bedragen te bekomen met ingang van 1 juli 2005, later ook in verband met de afrekening van de aanvullende opzeggingsvergoeding, die zij herbecijferde op euro 45.868,
- BEOORDELING Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep. 2.
- Anciënniteit bij opeenvolgende arbeidsovereenkomsten met een ononderbroken tewerkstelling. Voor het bepalen van de anciënniteit is het niet vereist dat de in aanmerking te nemen dienst bij dezelfde werkgever vervuld wordt ter uitvoering van dezelfde arbeidsovereenkomst. Aldus moeten de periodes van de achtereenvolgende en zonder onderbreking gesloten arbeidsovereenkomsten worden samengevoegd, zonder dat het feit dat de eerste overeenkomst met inachtneming van een opzeggingstermijn werd beëindigd en de tweede een aanvang nam onmiddellijk na het verstrijken van deze termijn, leidt tot een vermindering van de anciënniteit. ( Cass. 10 maart 1986, JTT 1987, 58 met noot; Cass. 6 november 1989, R.W. 1989 -90, 1029; Cass. 23 september 2002, JTT 2003,61). Evenmin onderbreken opeenvolgende overeenkomsten de anciënniteit, wanneer de vroegere overeenkomst werd beëindigd met een opzeggingsvergoeding, (Cass., 19 december 1983, A.C. 1983-84, 451; JTT 1985 (verkort), 239; Pas. 1984, I, 437; RW 1983-84 (verkort), 2263; TSR 1984, 147) of in onderling akkoord ( Arbh. Gent 21 mei 1990, JTT 1990, 493 met noot) Op voorwaarde dat er een ononderbroken dienst was, kon mevrouw M. aanspraak maken op een anciënniteit ingaande op 1 februari
- Het feit dat de arbeidsovereenkomst van 1 februari 1984 beëindigd werd door opzegging met bijkomend een overeenkomst over de duur van de opzeggingstermijn doet daaraan geen afbreuk, evenmin het feit dat in de overeenkomst van 21 april 1998 erkend werd dat alle rechten en verplichtingen met betrekking tot deze arbeidsovereenkomst vervuld waren. De NV Etablissements Alfred George houdt voor dat er tussen de beëindiging van deze overeenkomst en de nieuwe overeenkomst van 21 april 1998 een onderbreking is geweest op 1 mei
- Dit is een wettelijke feestdag en leidt niet tot een feitelijke onderbreking. Bovendien had mevrouw M. hoe dan ook recht op betaling van deze feestdag ingevolge artikel 14 van het KB van 18 april 1974 tot de uitvoering van de feestdagenwet. Een loutere juridische onderbreking van de arbeidsrelatie tussen de werkgever en de werknemer heeft niet tot gevolg dat de werknemers de opgebouwde anciënniteit verliest. ( A. Witters, Anciënniteit en het einde van de arbeidsovereenkomst, Or. 2000, 92; Papier-Jamoulle, RPDG, comp. II V° Contrat de travail et emploi nr 675, p.691, met verwijzing naar de voorbereidende werken van de wet van 4.3.1954, Parl. St.., K. v. V. 1952-1953, nr. 543 p. 15; Colens Le contrat d'emploi 1980 nr. 109 p. 202-206 (amendement Custers); W. Beirnaert De opzegging van de arbeidsovereenkomst voor werklieden en bedienden afgesloten voor onbepaalde duur nr. 63, p. 64-65, C.A.D. Arbeidsrecht; Arbh. Brussel 1 maart 2002, A. R. 39.854, www.juridat.be) Hieruit vloeit dus voort dat mevrouw M. terecht aanspraak maakt op een anciënniteit ingaande op 1 februari
- 2.
- De beëindiging van de arbeidsovereenkomst van mevrouw M.. De NV Etablissements Alfred George wijst vervolgens naar de ondertekening van de opzeggingsbrief van 26 augustus 2002 door mevrouw M. voor gelezen en goedgekeurd. De NV erkent dat ze geen bewijs kan voorbrengen dat deze van haar uitgaande opzeggingsbrief aangetekend werd verzonden of bij gerechtsdeurwaardersexploot werd betekend, zodat de opzegging nietig is met dien verstande dat de werknemer die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege moet worden vastgesteld. Deze nietigheid is absoluut. Men kan geen afstand doen van een subjectief recht dat de openbare orde aanbelangt en waarvan de schending gesanctioneerd wordt met absolute nietigheid. Een rechtssubject kan in een dergelijke situatie niet over zijn subjectief recht beschikken, omdat het niet alleen zijn eigen private belangen betreft, maar ook het algemeen belang. ( A. Van Oevelen, Afstand van recht en rechtsverwerking in het individuele arbeidsovereenkomstenrechtenrecht in Actuele problemen van het arbeidsrecht, deel 4, p. 50, nr.46) Van een absoluut nietige opzegging kan dus geen afstand gedaan worden. Wanneer de opzegging nietig is, is de arbeidsovereenkomst in beginsel onmiddellijk beëindigd, ook al vermeldt de ontslagbrief een latere datum. Ingeval zowel de werkgever als de werknemer zich na de krachtens artikel 37 §1, vierde lid, AOW ongeldige kennisgeving van de daardoor nietig zijnde opzegging verder hebben gedragen alsof er geen onmiddellijk ontslag heeft plaatsgevonden, kunnen de partijen door de rechter na een redelijke bedenktijd beschouwd worden als afstand te hebben gedaan van het recht dat onmiddellijk ontslag in te roepen. De arbeidsovereenkomst blijft dan voortduren totdat ze op een andere wijze wordt beëindigd. Het afzien van het inroepen van het onmiddellijk ontslag houdt geen afstand in van de in voormeld artikel 37 §1, vierde lid, bepaalde absolute nietigheid van de opzegging of van het recht die in te roepen. ( Cass. 28 januari 2008, JTT 2008, 239; W. Rauws De nietigheid van de opzegging, het ontslag en de afstand van het recht dat ontslag in te roepen : een vertrouwd geluid van het Hof van Cassatie) In deze noot legt W. Rauws uit dat de ontslagen partij zich al dan niet op het onmiddellijk ontslag mag beroepen, omdat het ontslag geen rechtsfeit is dat zich doorzet tegen de wil van de partijen, zodat de absoluut nietige opzegging niet automatisch een einde maakt aan de arbeidsovereenkomst. Aangezien de NV in haar aanvullende beroepsconclusie ( p. 2, laatste §) erkent dat mevrouw M. zich niet op de onmiddellijke beëindiging omwille van de nietige opzegging heeft beroepen, bleef de arbeidsovereenkomst in beginsel voortbestaan. De vraag rijst dan welke betekenis dient gegeven te worden aan de handgeschreven woorden gelezen en goedgekeurd op de in beginsel nietige opzeggingsbrief. Wanneer men akkoord gaat met een geschrift, dan kan men dit uitdrukken door op dit geschrift zijn handtekening te zetten voorafgegaan door de handgeschreven woorden gelezen en goedgekeurd. De eerste rechter verwijst dienaangaande naar het arrest van het Hof van Cassatie van 11 februari 1980, R.W. 1979-80, 2037 en De grote arresten van het Hof van Cassatie in sociale zaken, arrest 54, p. 343 e.v). In de conclusie van het Openbaar Ministerie bij dit arrest wordt uitgelegd dat de wil tot het sluiten van een overeenkomst duidelijk tot uitdrukking moet worden gebracht en de eerste rechter verwijst naar de passage dat het aan de rechter staat in elk geval concreet te oordelen of de wil aanwezig is geweest om een akkoord te sluiten. De rechter kan bv. uit een voorgedrukte stijlformule de afwezigheid van wilsovereenstemming afleiden. Het is dan ook zaak om juist te bepalen wat mevrouw M. heeft goedgekeurd. In de bewuste brief van 26 augustus 2002 wordt van werkgeverszijde de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door middel van een opzegging van 3 maanden, ingaande per 1 september 2002, bevestigd, waarna mevrouw M. erop gewezen wordt dat ze gedurende de opzeggingstermijn alle verbintenissen uit de arbeidsovereenkomst zal moeten nakomen. Mevrouw M. leest en keurt goed dat ze de onwettig betekende opzegging zal naleven, wat inhoudt dat ze de absoluut nietige opzegging wil dekken. Uit de ondertekening blijkt geenszins de wil van mevrouw M. om zich te beroepen op een in beginsel onmiddellijke beëindiging omwille van een onwettig betekende opzegging en om dan verder de modaliteiten van dit ontslag te regelen. De NV beroept zich op het cassatiearrest van 14 december 1992 (JTT 1993, 226), maar in dat arrest was de vraag niet aan de orde in hoeverre de werknemer zich bij zijn akkoordverklaring op het ontslag had beroepen; overigens had de werknemer aldaar een bedenktijd in acht genomen na de overhandiging van de nietige opzeggingsbrief en werd aanvaard dat gelet op het ontslag de arbeidsovereenkomst nog tot een bepaalde datum zou worden uitgevoerd. In onderhavige zaak keurde mevrouw M. enkel goed dat ze de opzegging zou naleven en hierover bestond tussen partijen overigens geen enkel misverstand, wat blijkt uit de verklaring van de werkgever van 31 oktober 2002, waarin aan mevrouw M. wordt toegestaan haar opzeggingsperiode stop te zetten. Ook in de ter zitting neergelegde aanvullende beroepsconclusie spreekt de NV Ets. A. George nog over de nietige opzeg, ondertekend door eiseres voor "gelezen en goedgekeurd". De krachtens artikel 37 §1, vierde lid ongeldige kennisgeving resulteert in een nietige opzegging en het is deze opzegging die mevrouw M. heeft willen goedkeuren en dekken, wat echter onmogelijk is omwille van de absolute aard van de nietigheid. Na de poging van mevrouw M. om de absoluut nietige opzeggingsbrief te willen dekken, is ook de NV zich blijven beroepen op de (weliswaar nietige) opzegging; partijen hebben zich niet beroepen op het ontslag en de arbeidsovereenkomst is verder gezet, zodat na het verstrijken van een redelijke bedenktijd afstand werd gedaan van het recht het ontslag in te roepen en de verder lopende overeenkomst op 31 oktober 2002 door de werkgever werd beëindigd. (vgl. Cass. 28 januari 2008, JTT 2008, 239 met de hierboven aangehaalde noot van W. Rauws) 2.
- De opzeggingsvergoeding. Hieruit volgt dat mevrouw M., gelet op haar ontslag op 31 oktober 2002 en op haar ononderbroken tewerkstelling van 1 februari 1984, aanspraak kan maken op een passende opzeggingsvergoeding, uitgaande van een anciënniteit van 18 jaar en 9 maanden. De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, J.T.T. 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen ( Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153). Mits een juiste evaluatie te geven aan de bovenvermelde anciënniteit, haar leeftijd van 54,5 jaar (° 8 januari 1948), haar functie (bediende boekhouding en administratie)en het loon ( euro 30.579,32) en rekening houdend met de gegevens eigen aan de zaak, is het arbeidshof van oordeel dat een passende opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 §3 kan worden bepaald op 17 maanden. Deze begroot zich op euro 2.196,79 x 13,92/12 x 17 = euro 43.320,70 Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen bepaalt dat de rente ingevolge de loonbeschermingswet berekend wordt op het loon vooraleer de in artikel 23 van deze wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht, maar deze bepaling kon volgens artikel 90 § 1 van de wet van 26 juni 2002 slechts in werking treden op een door de Koning te bepalen datum, wat gebeurde door de artikelen 1 en 2 van het K.B. van 3 juli 2005 ( inwerkingtreding op 1 juli 2005 op de lonen waarvan de betaling inging vanaf die datum). Door de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008) werd het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 bekrachtigd. Hieruit volgt dat de intresten op de toegekende bedragen slechts kunnen berekend worden op de nettobedragen, daar het ontslag dateert van 31 oktober 2002, zijnde voor 1 juli
- Tevens dienen de aangepaste sociale en fiscale documenten te worden afgeleverd, zoals door de eerste rechter beslist. Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn dan ook ongegrond. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep, ontvankelijk doch ongegrond, Bevestigt het bestreden vonnis Veroordeelt de NV Etablissements Alfred George tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van mevrouw M. vereffend op nihil. Aldus gewezen door de derde kamer van het arbeidshof en ondertekend door : L. Lenaerts, raadsheer, voorzitter; S. Alaerts, raadsheer in sociale zaken, als werkgever; H. Engelen, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende; S. Van der hoeven, griffier. L. Lenaerts S. Van der hoeven S. Alaerts H. Engelen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het arbeidshof te Brussel op zesentwintig juni tweeduizend en negen door : L. Lenaerts raadsheer, voorzitter, Bijgestaan door S. Van der hoeven: griffier. L. Lenaerts S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090626.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div