van de wet van 19 maart 1991 dient de werkgever die een personeelsafgevaardigde wil ontslaan om economische of technische redenen, vooraf de zaak aanhangig te maken bij het bevoegd Paritair Comité, dat zich binnen de twee maanden vanaf de datum van de aanvraag moet uitspreken over het al dan niet bestaan van economische of technische redenen. Bij ontstentenis van beslissing binnen de termijn van twee maanden mag de werkgever de personeelsafgevaardigden enkel ontslaan ingeval van sluiting van de onderneming, sluiting van een afdeling of het ontslag van een welbepaalde personeelsgroep. Behalve in het geval van sluiting van ondernemingen of van een afdeling hiervan, mag de werkgever niet tot ontslag overgaan alvorens de arbeidsgerechten het bestaan van economische of technische redenen hebben erkend.
van dezelfde wet mag het feit dat de werknemer een personeelsafgevaardigde is, in geen geval de beslissing om hem te ontslaan beïnvloeden.
van dezelfde wet behoort het bewijs van de voor het ontslag ingeroepen technische en economische redenen, evenals van het feit dat het ontslag niet indruist tegen §2, aan de werkgever. Bij ontstentenis van een beslissing van het paritair comité binnen de vastgestelde termijn, mag de werkgever ingeval van sluiting van een afdeling van de onderneming een door deze wet beschermde werknemer ontslaan zonder tevoren de economische of technische redenen voor dit ontslag door de arbeidsgerechten te laten erkennen. Uit de ratio legis van deze wetsbepaling volgt dat zij slechts van toepassing is in zoverre de ontslagen beschermde werknemer werkzaam is in de afdeling die gesloten wordt. In dat geval staat het causaal verband tussen de economische of technische redenen, zijnde de sluiting van die afdeling, en het ontslag van de werknemer vast. Bijgevolg moeten de arbeidsgerechten in dat geval deze economische of technische redenen niet voorafgaandelijk erkennen. Werkt de werknemer niet in de afdeling die gesloten wordt, dan staat het causaal verband niet vast. In dat geval moet de arbeidsrechtbank voor de regelmatigheid van het ontslag de aangevoerde reden voorafgaandelijk onderzoeken en als dusdanig erkennen ( Cass., 24 oktober 2005, JTT 2005, 489; , Pas. 2005, 2026; , RW 2006-07, 14). De N.V. roept in dat het ontslag van de heer S. het gevolg is van de sluiting van de productieafdeling van haar onderneming, zodat ze de voorafgaandelijke erkenning van de economische en technische redenen niet nodig had. De heer S. daarentegen betwist de sluiting van de productieafdeling niet, maar houdt voor dat hij sinds april 1992 de nieuwe functie van Verantwoordelijke Voorraadplanning bekwam, waardoor hij geen deel meer uitmaakte van de productieafdeling. Op haar beurt spreekt de N.V. dit tegen en houdt voor dat de wijziging van de functiebenaming geen daadwerkelijke taakverandering meebracht, zodat hij verder deel bleef uitmaken van de productieafdeling. Teneinde hierover opheldering te bekomen, kan ingegaan worden op het eerste onderdeel van het getuigenaanbod van de N.V., zoals door ons aangevuld. Over het tweede onderdeel bestaat geen betwisting. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Doch alvorens verder ten gronde te beslissen, Laat de N.V. GlaxoSmithCline toe om door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen bewijs te leveren van het feit dat ongeacht de nieuwe functiebenaming van Verantwoordelijke Voorraadbeheer de heer S. tot op het ogenblik van de sluiting van de productieafdeling daadwerkelijk verder de functie van productieplanning manager ( verpakkingsprogramma's, fabricatieprogramma's en stockbeheer van grondstoffen, enz...) heeft uitgeoefend, en in deze functie diende te rapporteren aan de Technische Productiedirecteur binnen de productieafdeling; dat zowel voor als na april 1992 zijn taak losstond van de distributieafdeling. Zegt bij toepassing van artikel 917,2° Ger. Wb. dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in de raadkamer van het Arbeidshof te Brussel (lokaal 006), Poelaertplein 3 te 1000 Brussel op 11 december 2009 om 10 uur 30'. Zegt bij toepassing van artikel 918 Ger. Wb. dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden voor de zetel die dit heeft gelast en indien één van de raadsheren in sociale zaken niet kan aanwezig zijn, voor raadsheer Lieven Lenaerts, voorzitter van deze kamer; Staat overeenkomstig artikel 921 Ger. Wb. aan de heer S. het tegenbewijs toe; Om nadien verder te oordelen als naar recht; Kosten aan te houden. Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw S. ALAERTS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, Mevrouw B. MUSSCHE, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS, S. ALAERTS. B. MUSSCHE. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 4 september 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090904.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.