← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090904.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 04 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090904.4 Rolnummer: 49.840 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-10-13 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-02 20:12 Fiche Artikel 9 van de arbeidsovereenkomstenwet houdt in dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor iedere werknemer afzonderlijk schriftelijk moet worden vastgesteld uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer in dienst treedt, daar anders de voorwaarden gelden voor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd Nu de partijen de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet hebben gedateerd, moet bewijs geleverd worden dat deze arbeidsovereenkomst schriftelijk werd vastgesteld uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer in dienst trad. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Soorten arbeidsovereenkomsten - Voor een tijdsduur Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Arbeidsovereenkomst bepaalde tijd - Schriftelijke vaststelling uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer in dienst treedt. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 9 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 4 SEPTEMBER

  1. 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: DE N.V. INTERNATIONAL RESIDENCE SERVICE, afgekort I.R.S., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3090 Overijse, Steenweg op Duisburg, 138, Appellante, vertegenwoordigd door Mter E. Swysen loco Mter M. Mabille, advocaat te 1180 Brussel; Tegen : Mevrouw D.R. , wonende te [xxx], Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mevrouw D. Ceelen, syndicaal afgevaardigde, drager van volmacht; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (2de kamer) op 21 maart 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 11 mei 2007; - de besluiten en synthesebesluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie van dit Hof, respectievelijk op 8 augustus 2007 en 9 april 2008; - de besluiten en synthesebesluiten voor appellante neergelegd ter griffie van dit Hof, respectievelijk op 5 december 2007 en 19 juni 2008; - de bundel met stukken neergelegd door geïntimeerde partij ter griffie op 8 augustus 2007; - de bundel met stukken neergelegd door appellante partij ter griffie op 14 mei 2009; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 12 juni 2009, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x x
  2. DE FEITEN EN RECHTSPLEGING. Middels een niet gedateerde arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd, ingaande op 13 december 2004 werd mevrouw D.R. door de N.V. International Residence Service ( afgekort I.R.S.) aangeworven als lid van het reactivatiepersoneel voor een periode van 6 maanden Op 1 januari 2005 ondertekenden de partijen een bijvoegsel aan dit contract waarin wordt overeengekomen : voor onbepaalde duur met ingang op 1 januari 2005 de hoedanigheid van het werk aangepast wordt naar halftijds animatrice voor bejaarden en halftijds verzorgen van bejaarden, het uurrooster, vermeld in het contract, aangepast wordt als volgt : volgt de nieuwe uurregeling. Op 12 juni 2005 beëindigde I.R.S. de arbeidsovereenkomst zonder inachtneming van een opzeggingstermijn of betaling van een opzeggingsvergoeding; op het C4-formulier werd als reden vermeld: einde van bepaalde duur contract. De vakorganisatie van mevrouw D.R. wees er in een brief van 19 oktober 2005 op dat deze reden in strijd was met het bijvoegsel van de arbeidsovereenkomst, waarop vermeld werd dat de overeenkomst van onbepaalde duur was; op basis hiervan werd een opzeggingsvergoeding van 3 maanden gevraagd. In een antwoordbrief van 10 november 2005 stelde I.R.S. dat dit standpunt in strijd is met de R.I.Z.I.V.- regeling rond de vervanging van verpleegkundig personeel door reactivatiepersoneel, zodat het contract inherent beperkt was tot zes maanden. De bijlage handelde volgens de werkgever dan ook enkel over de aard van het werk en niet over de tijdsduur. In een antwoordbrief van de vakorganisatie van 24 november 2005 handhaafde men het voorgaande standpunt maar vulde men de vordering nog aan met een eindejaarspremie. Partijen kwamen niet tot overeenstemming en op 2 februari 2006 dagvaardde mevrouw D.R. de N.V. I.R.S. in betaling van een opzeggingsvergoeding van euro 6.274,05 en een pro rata eindejaarspremie van euro 667,79, te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intrest en de gerechtskosten. In het bestreden vonnis van 21 maart 2007 van de arbeidsrechtbank te Brussel werd deze vordering ontvankelijk en gegrond verklaard, met dien verstande dat de pro rata eindejaarspremie moet worden verminderd met de bewezen betaling. De arbeidsrechtbank aanvaardde niet dat de regels van een contract van bepaalde tijd nog kunnen gelden, gelet op het bijvoegsel waarin werd overeengekomen dat de overeenkomst voor onbepaalde duur was met ingang van 1 januari
  3. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Brussel op 11 mei 2007, tekende de N.V. I.R.S. hoger beroep aan en vroeg dat de oorspronkelijke vordering wordt afgewezen als zijnde ongegrond.
  4. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep, dat regelmatig is naar vorm, binnen de wettelijke termijn werd ingesteld. Aan de andere ontvankelijkheidvereisten is eveneens voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. 2.
  5. De opzeggingsvergoeding. Uit het bijvoegsel aan het oorspronkelijk contract volgt zeer duidelijk en met zekerheid dat de partijen op drie punten wijzigingen aan de oorspronkelijke overeenkomst hebben willen aanbrengen, met name aan de functie en aan de arbeidstijdregeling, maar ook aan de aard van de overeenkomst, waaromtrent werd overeengekomen dat deze met ingang van 1 januari 2005 voor onbepaalde duur zou zijn. De extrinsieke elementen, die de N.V. I.R.S. wil inroepen, met name de R.I.Z.I.V.- reglementering in verband met de tussenkomst in de kosten van het bejaardentehuis, kunnen geen afbreuk doen aan deze duidelijke omschrijving van de duur van de arbeidsovereenkomst. Om de gemeenschappelijke bedoeling van partijen na te gaan, moet men zich immers baseren op de gebruikelijke betekenis van de bewoordingen en mag men geen afbreuk doen aan de verbindende kracht van de overeenkomst. Bezwaarlijk kan men een overeenkomst die stelt dat zij van onbepaalde duur is, lezen in de zin dat zij van bepaalde duur zou zijn; de eerste rechter overwoog dan ook terecht dat een interpretatie in die zin onmogelijk is. De overige beschouwingen van de N.V. kunnen hieraan geen afbreuk doen. Ten overvloede dient hierbij te worden aangestipt dat op grond van artikel 9 van de arbeidsovereenkomstenwet een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor iedere werknemer afzonderlijk schriftelijk moet worden vastgesteld uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer in dienst treedt, daar anders de voorwaarden gelden voor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (D. Cuypers, Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en de vereiste van een geschrift - Bewijs van antidatering, Or. 1993, 226-231 en Or. 1994, 27). Nu de partijen de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet hebben gedateerd,wordt evenmin bewijs geleverd dat deze arbeidsovereenkomst schriftelijk werd vastgesteld uiterlijk op het tijdstip waarop mevrouw D.R. in dienst trad. (Cass., 20 september 1993, T.S.R. 1993,353; D Cuypers, Ondertekening van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en het Hof van Cassatie, Or. 1994, 27). Mevrouw D.R. maakt dan ook terecht aanspraak op een opzeggingsvergoeding gelijk aan het loon van drie maanden, waarvan de becijfering niet wordt betwist. Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.
  6. De pro rata eindejaarspremie. Mevrouw D.R. past de becijfering van de eindejaarspremie aan in de zin dat de pro rata berekening moet gebeuren op 5/9 in plaats van 6/9 ( ten onrechte roept zij in dat de N.V. de gewettigde afwezigheid van 5 september 2005 in mindering zou hebben gebracht, daar zij dan niet eens in dienst was. 5/9 verwijst enkel naar de breuk van de pro rata berekening en niet naar een datum). De aangepaste berekening leidt tot een bedrag van euro 556,46 en er is thans geen betwisting meer dat de som van euro 464,17 werd betaald, zodat er nog een saldo openblijft van euro 92,
  7. In die mate is het hoger beroep gegrond. De berekening van beide partijen is quasi identiek, maar terecht verwijst mevrouw D.R. naar de twee C.A.O.'s van 7 december 2000 ( K.B. 14 januari 2002, B. S. 19 januari 2002) waarbij in het kader van het meerjarenplan respectievelijk een premie van euro 148,74 en euro 12,67 werd toegekend.
  8. De rechtsplegingsvergoeding. De bezwaren die mevrouw D.R. laat gelden tegen de wettelijke regeling van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat werden ongegrond bevonden door het Grondwettelijk Hof in het arrest 182/2008 van 18 december 2008, waarbij de vragen tot vernietiging van deze wet werden verworpen. Hieruit volgt dat mevrouw D.R. geen aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding, daar ze niet bijgestaan wordt door een advocaat en dat de gerechtskosten beperkt zijn tot de dagvaardingskosten, zoals oordeelkundig beslist door de eerste rechter. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, Bevestigt het bestreden vonnis behalve wat betreft het bedrag van de pro rata eindejaarspremie, dat definitief kan worden bepaald op euro 92,29, Veroordeelt de N.V. I.R.S. tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan haar zijde voor zover als nodig begroot op euro 900 en aan de zijde van mevrouw D.R. eveneens begroot op euro 900, doch herleid tot nihil. Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw S. ALAERTS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, Mevrouw B. MUSSCHE, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS, L. LENAERTS, S. ALAERTS. B. MUSSCHE. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 4 september 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door mevrouw L. HERREGODTS. L. LENAERTS. L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090904.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.