← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090907.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 07 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090907.8 Rolnummer: 49.219 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2009-11-25 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-02 20:11 Fiche Uit artikel 35 van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord volgt dat een schuldeiser zich niet aan de gevolgen van het gerechtelijk akkoord van zijn schuldenaar kan onttrekken door geen aangifte te doen van zijn schuldvordering of door niet aan de stemming tot goedkeuring van het akkoord deel te nemen. De goedkeuring van het plan bindt alle schuldeisers ongeacht of ze aangifte hebben gedaan, zodat de uitvoering van het plan ook de bevrijding van de schuldenaar. overeenkomstig de bepalingen ervan. tot gevolg heeft van de schulden waarvoor geen aangifte van schuldvordering werd gedaan. Hierbij kan geen onderscheid gemaakt worden tussen de situaties waar de schuldeiser al dan niet kennis zou gehad hebben van het bestaan van zijn schuldvordering. Boedelschulden blijven buiten het gerechtelijk akkoord. Uit het artikel 35 laatste lid van de wet van 17 juli 1997 volgt dat de opschorting van betaling de medeschuldenaars niet ten goede komt liet karakter van openbare orde van de sociale zekerheid verhindert niet dat een herstelplan, met het oog op de redding van de ondernemingen en het behoud van de activiteit gebeurlijk in een vermindering van de sociale zekerheidschuld voorziet. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Gerechtelijk akkoord Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - HANDELSRECHT - Gerechtelijk akkoord en geen aangifte - Gerechtelijk akkoord en sociale zekerheid (W. 17/07/1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, art. 35). Wettelijke bepalingen: Wet - 17-07-1997 - 35 - 65 ELI link Pub nr 1997009767 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 7 SEPTEMBER

  1. 9de KAMER Bijdragen zelfstandigen Op tegenspraak Definitief In de zaak: 1.De Heer J.V.,wonende te [xxxx], 2.DE N.V. DERIM, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1640 Sint-Genesius-Rode, Jachthoornlaan, 38, Appellanten, vertegenwoordigd door Mter E. Hagenaar, advocaat te 1050 Brussel; Tegen : HET RIJKSINSTITUUT VOOR DE SOCIALE VERZEKERINGEN DER ZELFSTANDIGEN, openbare instelling, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Jan Jacobsplein, 6, woonstkiezend op zijn gewestelijk kantoor gevestigd te 3000 Leuven, Vaartstraat, 54, Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter A. Sobrie, advocaat te 3012 Wilsele; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden verstekvonnis gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (14de kamer) op 27 juni 2006; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 16 november 2006; - de besluiten en synthesebesluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie van dit Hof, respectievelijk op 9 juni 2008 en 29 april 2009; - de besluiten voor appellanten neergelegd ter griffie van dit Hof op 27 februari 2009; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 8 juni 2009, waarna de debatten gesloten werden en de zaak werd medegedeeld aan het Openbaar Ministerie. Gelet op het schriftelijk advies van de heer advocaat-generaal J.J. André neergelegd ter griffie van dit Hof op 6 juli 2009, waarop geïntimeerde partij repliceerde; Gelet op de voorgelegde stukken; x x x
  2. DE FEITEN EN RECHTSPLEGING Bij beslissing van de raad van bestuur van de N.V .Derim van 26 maart 1999 werd de heer J.V. benoemd tot afgevaardigd bestuurder van deze vennootschap (bijlage B.S. 10 april 1999). Niettegenstaande hij hiertoe werd aangemaand, liet de heer J.V. na zich aan te sluiten bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen en evenmin werden de bijdragen inzake het sociaal statuut ter zelfstandigen betaald. Dit leidde ertoe dat hij op 20 mei 2003 ambtshalve bij de Nationale Hulpkas werd aangesloten. Op 18 juli 2001 legde de N.V. Derim een verzoekschrift neer tot het bekomen van een gerechtelijk akkoord en vroeg zij de voorlopige opschorting van betaling. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 24 juli 2001 werd deze voorlopige opschorting toegestaan voor een periode van zes maanden en werd advocaat Jean-Pierre Walravens aangeduid als commissaris. De termijn voor het indienen van de schuldvorderingen werd bepaald op uiterlijk 29 augustus
  3. Niet betwist wordt dat het R.S.V.Z. geen aangifte van schuldvordering voor de niet betaalde bijdragen van de heer J.V. deed. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 6 februari 2002 werd het voorgelegde herstel- en betalingsplan goedgekeurd voor een termijn van 24 maanden en werd de definitieve opschorting van betaling toegestaan. Dat plan werd bindend verklaard ten opzichte van alle betrokken schuldeisers, behoudens aanpassingen die konden worden gedaan met inachtneming van de in verband met de betwiste schuldvorderingen genomen beslissingen. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 26 mei 2004 werd op verzoek van de commissaris vastgesteld dat de N.V. Derim de verplichtingen, zoals vervat in het herstelplan, was nagekomen en werd bij toepassing van artikel 40 van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord het einde van de opschorting uitgesproken. Gelet op de niet-betaling van de sociale zekerheidsbijdragen zelfstandigen van de heer J.V., dagvaardde het R.S.V.Z., handelend als Nationale Hulpkas, de heer J.V. en de N.V. Derim voor de arbeidsrechtbank te Brussel op 14 december 2004 en vroeg betaling van achterstallige bijdragen voor de periode van het eerste kwartaal 1999 tot en met het vierde kwartaal 2003, wettelijke verhogingen, intresten en kosten voor een totaalbedrag van euro 14.004,
  4. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 27 juni 2006 werd deze vordering gegrond verklaard te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en de gerechtskosten en werden de gedaagde partijen gemachtigd om het bedrag van deze veroordeling te kwijten bij opeenvolgende maandelijkse afbetalingen van euro 1.150, te beginnen op 1 september 2006, met dien verstande dat bij gebreke aan betaling van een enkele termijn op de vervaldag het verschuldigd blijvende saldo onmiddellijk invorderbaar werd zonder ingebrekestelling. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen op de griffie van het arbeidshof te Brussel op 16 november 2006, tekenden de heer J.V. en de N.V. Derim hoger beroep aan tegen dit vonnis en vroegen ze dat de oorspronkelijke vordering van het R.S.V.Z. ongegrond zou worden verklaard.
  5. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.
  6. Het gerechtelijk akkoord van de N.V. Derim en zijn gevolgen voor de vordering van het R.S.V.Z. In essentie voert de N.V. Derim aan dat het R.S.V.Z. gebonden is door de definitieve opschorting en dat het hierdoor geen voldoening meer kan bekomen van zijn schuldvorderingen lastens haar; het R.S.V.Z. antwoordt hierop dat de schuldeisers die geen schuldvordering hebben ingediend buiten het toepassingsgebied van het herstelplan blijven en dat deze na de definitieve beëindiging van het gerechtelijk akkoord de schuldenaar opnieuw kunnen vervolgen om de voldoening van de integriteit van hun rechten te bekomen. Beide partijen verwijzen hiertoe naar artikel 35 van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord. Dit artikel bepaalt : De goedkeuring van de rechtbank maakt het plan bindend voor alle betrokken schuldeisers, behoudens aanpassingen die zullen worden gedaan met inachtneming van de in verband met de betwiste schuldvorderingen genomen beslissingen. De schuldeiser die zijn schuldvordering niet heeft aangegeven binnen de vastgestelde termijn, is gebonden door de definitieve opschorting. Een laattijdige aangifte heeft slechts gevolg in zoverre hierdoor niet geraakt wordt aan het goedgekeurde plan. Tenzij het plan uitdrukkelijk anders bepaalt, wordt de schuldenaar volledig en definitief bevrijd door de volledige uitvoering van het plan van alle hierin opgenomen schuldvorderingen. De opschorting van betaling komt de medeschuldenaars en de borgen van de schuldenaar niet ten goede. In zijn arrest van 8 mei 2008 leidde het Hof van Cassatie uit deze bepalingen en uit de wetsgeschiedenis af dat een schuldeiser zich niet aan de gevolgen van het gerechtelijk akkoord van zijn schuldenaar kan onttrekken door geen aangifte te doen van zijn schuldvordering of door niet aan de stemming tot goedkeuring van het akkoord deel te nemen. De goedkeuring van het plan bindt alle schuldeisers ongeacht of ze aangifte hebben gedaan, zodat de uitvoering van het plan ook de bevrijding van de schuldenaar, overeenkomstig de bepalingen ervan, tot gevolg heeft van de schulden waarvoor geen aangifte van schuldvordering werd gedaan. Het middel dat ervan wil uitgaan dat uit artikel 35, derde lid, niet kan worden afgeleid dat de uitvoering van het plan ook de bevrijding tot gevolg heeft voor de schulden waarvoor geen aangifte van schuldvordering werd gedaan, berust op een verkeerde rechtsopvatting ( Cass., 8 mei 2008, T.B.H., 2008, 876 met noot A. Meulder). Dit arbeidshof sluit zich aan bij de leer van dit arrest. Terecht merkt het Openbaar Ministerie op dat hierbij geen onderscheid gemaakt wordt tussen de situaties waar de schuldeiser al dan niet kennis zou gehad hebben van het bestaan van zijn schuldvordering. Zie in dezelfde zin de hierboven aangehaalde noot van A. Meulder, die erop wijst dat het onaanvaardbaar zou zijn dat de totale afwezigheid van aangifte meer rechten zou verlenen dan deze van de schuldeiser die wel aangifte heeft gedaan. Het is nochtans dit laatste wat het R.S.V.Z. ( ten onrechte) wil voorhouden op gezag van een studie van de FOD Middenstand van 23 oktober 2002, p. 24 en 29 (haar stuk 27). Deze studie gaat voorbij aan de uitleg van artikel 35, die wordt samengevat in het cassatiearrest van 8 mei 2008 en zoals hierboven vastgesteld, berusten de uit de studie aangehaalde passages op een verkeerde rechtsopvatting. De opmerking van het R.S.V.Z. dat zij slechts kennis kreeg van de niet-betaling van de bijdragen door de mededelingen van de fiscale administratie, is dan ook irrelevant, omdat de bijdrageplicht van de heer J.V. reeds ontstond bij zijn benoeming tot afgevaardigd bestuurder. Bovendien volgt uit de parlementaire voorbereiding en uit de specifieke vereisten van het gerechtelijk akkoord dat het karakter van openbare orde van de sociale zekerheid niet verhindert dat een herstelplan, met het oog op de redding van de ondernemingen en het behoud van de activiteit, gebeurlijk in een vermindering van de sociale zekerheidschuld voorziet ( Cass., 18 februari 2005, R.W., 2005 -2006, 1303 met noot I. Boone en A. Bossuyt). Uit dit alles volgt dat het R.S.V.Z. gebonden is door de definitieve opschorting en de gevolgen van het einde van de opschorting, wat betreft haar schuldvordering op de N.V. Derim, voor zover die ontstaan is voor de akkoordprocedure of met name tot en met het tweede kwartaal
  7. Doordat het R.S.V.Z. zijn schuldvordering niet tijdig heeft ingediend, kan het de N.V. niet meer aanspreken als gehouden tot betaling van de schuld van de heer J.V.. 2.
  8. De boedelschulden. Terecht merkt het Openbaar Ministerie op dat deze gevolgen van het gerechtelijk akkoord geen betrekking hebben op de boedelschulden ( art. 44 van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord; B. Van Bruystegem, Gerechtelijk akkoord in Faillissement en gerechtelijk akkoord, I,5-765). Het betreft alle schulden die aan de schuldenaar tijdens de opschortingprocedure rechtsgeldig kunnen worden aangerekend, inbegrepen de schulden die ontstaan zijn in de fase van de definitieve opschorting ( vgl. Kh. Antwerpen 22 november 2001, T.B.H. 2003, 350). Deze schulden blijven buiten het gerechtelijk akkoord, zodat de N.V. Derim hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de niet-betaling van de sociale zekerheidsbijdragen van de heer J.V. voor de periode vanaf het derde kwartaal
  9. De gevolgen van het gerechtelijk akkoord voor de heer J.V.. Het artikel 35 laatste lid van de wet van 17 juli 1997 volgt dat de opschorting van betaling de medeschuldenaars niet ten goede komt. Hieruit vloeit voort dat het R.S.V.Z. wel de betaling van de volledige schuld bij de heer J.V. kan vorderen, met name vanaf het eerste kwartaal
  10. Het R.S.V.Z. kan zich hierbij beroepen op de vermoedens ingeschreven in artikel 3 §1 van het K.B. nr. 38 van 27 juli 1967 en artikel 2 van het K.B. van 19 december
  11. Deze vermoedens worden door de heer J.V. niet weerlegd. Op 26 maart 1999 werd de heer J.V. benoemd tot afgevaardigd bestuurder van de vennootschap ( B.S. in april 1999). Noch uit de statuten, noch uit de gepubliceerde aktes, blijkt dat dit mandaat kosteloos is; uit het fiscaal nazicht van 25 juli 2002 volgt overigens dat de heer J.V. effectief bezoldigingen als bedrijfsleider ontving; uit de stukken 9 van het R.S.V.Z. valt af te leiden dat hij alleszins ook voor de jaren 2004 tot en met 2006 belast werd op zijn bezoldigingen als bedrijfsleider. De heer J.V. houdt voor dat de commissaris inzake opschorting zich zou verzet hebben tegen een bezoldiging als bedrijfsleider, maar hij brengt hiervan geen enkel bewijs voor. In het vonnis van de rechtbank van koophandel van 24 juli 2001 wordt overigens op generlei wijze in de zin van artikel 17 §1, 6° van de wet van 17 juli 1997 melding gemaakt van daden van bestuur of beschikking die alleen zouden mogen verricht worden met machtiging van de commissaris, zodat het R.S.V.Z. er terecht vanuit gaat dat de vennootschap haar volledige handelingsbekwaamheid behield, ook met betrekking tot de mogelijkheid van bezoldiging van haar afgevaardigd bestuurder. Uit het vonnis van 24 juni 2001 volgt ook dat de continuïteit van de N.V. kon worden gehandhaafd. Het is dus onbetwistbaar dat de heer J.V. zijn zelfstandige beroepsactiviteit heeft verder gezet tijdens de akkoordprocedure, wat ook geïllustreerd wordt door het feit dat hij op de diverse zittingen van de rechtbank van koophandel de N.V. vertegenwoordigde. Na het afsluiten van het gerechtelijk akkoord besliste de buitengewone algemene vergadering van de N.V. van 6 mei 2004 om het mandaat van de heer J.V. te verlengen voor zes jaar en op de buitengewone algemene vergadering van 25 augustus 2004 werd de heer J.V. benoemd als afgevaardigd bestuurder. De N.V. Derim heeft derhalve onder het bestuur van de heer J.V. haar handelsactiviteiten voortgezet na de procedure van gerechtelijk akkoord. Op de becijfering van de vordering van het R.S.V.Z. wordt door de heer J.V. geen kritiek geleverd. Het hoger beroep gedeeltelijk gegrond zijnde, kunnen de gerechtskosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, zoals hierna bepaald; deze worden door het R.S.V.Z. begroot op het basisbedrag rechtsplegingsvergoeding, wat echter slechts éénmaal kan worden toegekend. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van advocaat-generaal J. J. André, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op de 6 juni 2009 waarop repliek van het R.S.V.Z. is neergelegd op 20 juli 2009, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, Hervormt het bestreden vonnis in zoverre het de N.V. Derim solidair veroordeelt tot betaling van de bijdragen, verhogingen en intresten voor de periode gaande van het eerste kwartaal 1999 tot en met het tweede kwartaal 2001; Aldus opnieuw recht doende, Bevestigt het vonnis van de eerste rechter, behalve wat betreft de solidaire veroordeling van de N.V. Derim, die beperkt wordt tot de som van euro 6.663,29, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de datum van de dagvaarding tot op de dag der volledige betaling. Compenseert de gerechtskosten van het hoger beroep en legt deze voor ¾ ten laste van appellanten en voor ¼ ten laste van geïntimeerde, deze aan de zijde geïntimeerde te bepalen op basisbedrag rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : euro 1.100 en aan de zijde van appellanten niet begroot.Aldus gewezen door de 9de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : Mevrouw B. CEULEMANS, Eerste Voorzitter, De Heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw S. ALAERTS, Raadsheer in sociale zaken als zelfstandige arbeider, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. B. CEULEMANS, L. LENAERTS, L. HERREGODTS. S. ALAERTS. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 9e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 7 september 2009 door Mevrouw B. CEULEMANS, Eerste Voorzitter, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. B. CEULEMANS. L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090907.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.