id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 10 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090910.4 Rolnummer: 51.341 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-10-20 Raadplegingen: 125 - laatst gezien 2026-07-02 20:13 Fiche De verjaringstermijn van de rechtsvordering tot betaling van de bijzondere solidariteitsbijdrage begint te lopen op het ogenblik dat de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening kennis krijgt van de gegevens uit de inkomstenbelastigen, die hem moeten toelaten de bijdragen te berekenen(art 64 van de wet van 28 december 1983 en art. 2 van het Koninklijk Besluit van 4 juli 1984 tot uitvoering van de wet van 28 december 1983). De schuldvordering van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is daarentegn geen schuldvordering die van een voorwaarde afhangt in de zin van art. 2257 van het burgerlijk wetboek. Het ontstaan van de vordering hangt met name niet af van een toekomstige en onzekere gebeurtenis. Enkel indien de titularis van een recht ingevolge een beletsel, dat voortvloeit uit de wet, zijn recht niet kan stuiten, kan de verjaring geschorst worden. Subjectieve elementen, zoals de omstandigheid dat de schuldeiser niet geïnformeerd is over zijn recht of dat er een feitelijk obstakel is in verband met de uitvoering van zijn recht, zijn niet van aard de loop van de verjaringstermijn te schorsen of te beletten dat deze een aanvang neemt. De indiening van een bezwaar-of van een beroepschrift tegen de aanslag in de inkomstenbelasting door de belastingsplichtige, vormt geen wettelijk beletsel voor de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om zijn schuldvordering uit te oefenen. In dzelfde zin : Ah. Brussel, 8e k., 2 april 2009, A.R. 49.754 en 14 augustus 2009, A.R. 48.956 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Bijzondere bijdragen Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP_ RECHT - WETGEVING - ADMINISTRATIEF RECHT - WERKLOOSHEID - Bijzondere solidariteitsbijdrage - verjaring - aanvang van de verjaringstermijn Wettelijke bepalingen: Wet - 28-12-1983 - 64 - 30 ELI link Pub nr 1983004517 Koninklijk Besluit - 04-07-1984 - 2 - 30 ELI link Pub nr 1984012391 Nota: I M (W. 28.12.1963), art
- Vernietigd door Hof van cassatie 4.10.2010, 3de kamer, nr S. 10.0006.N. Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN TIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN NEGEN. 7e KAMER bijzondere sociale bijdrage (Hoofdstuk III Wet 28 december 1983) tegenspraak definitief In de zaak : 1.C. C. 2.R. E. beiden appellant, die ter openbare terechtzitting worden vertegenwoordigd door meester D. Kamers, advocaat te Dormaal, tegen : RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester F. Lemaire, advocaat te Brussel. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken : -het op tegenspraak gewezen vonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Leuven, uitgesproken op 16 juli 2008, ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 17 juli 2008 overeenkomstig art. 792, tweede lid, Ger. W.; -het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 10 september 2008; -de conclusies; -de voorgelegde stukken, De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 18 juni 2009, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 25 juni 2009 zijn schriftelijk advies ter griffie neergelegd. Aan de partijen werd de mogelijkheid geboden om tot 27 juli 2009 een repliek op dat advies ter griffie neer te leggen, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden. * * * I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
- De heer C. en mevrouw R. hebben in de loop van de jaren 1985 (aanslagjaar 1986) en 1987 (aanslagjaar 1988) een gezamenlijk belastbaar inkomen genoten, dat het bedrag te boven ging van 3.000.000,00 BF (74.368,05 euro ), vastgesteld door artikel 60 en volgende van de wet van 28 december 1983, houdende fiscale en begrotingsbepalingen(zoals gewijzigd door de herstelwet van 31 juli 1984, de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen, de wet van 7 november 1987 en de programmawet van 30 december 1988). Zij waren aldus principieel gehouden tot betaling van de solidariteitsbijdrage op hun inkomen, ingesteld door artikel 60 e.v. van de wet. Zij deden geen provisionele stortingen zoals voorzien in artikel 62 van de wet.
- Voor de inkomsten van het jaar 1985 heeft de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan de administratie van de inkomstenbelastingen de gegevens opgevraagd, noodzakelijk voor de berekening van de solidariteitsbijdrage, maar heeft hij op dat ogenblik de bijdrage niet opgevorderd, en dit ingevolge het bezwaarschrift dat door de heer C. en mevrouw R. was ingediend tegen de vaststelling van hun inkomstenbelasting. De bijdragen werd via een berekeningsblad slechts opgevorderd op 12 oktober 2007, d.i. nadat de fiscale betwisting beëindigd was door een arrest van het Hof van Cassatie van 12 januari
- Voor de inkomsten van het jaar 1987 heeft de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening op 7 februari 1991 wel een berekeningsblad opgesteld van de verschuldigde bijdragen, maar heeft hij verder eveneens de afloop afgewacht van de betwisting van de inkomstenbelasting, die eveneens was ingeleid voor de inkomsten van het jaar
- Bij dagvaarding van 27 maart 2007 heeft de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de betaling gevorderd van de solidariteitsbijdrage, verschuldigd op de inkomsten van het jaar
- Het ging om een bedrag in hoofdsom van 23.088,01 euro , vermeerderd met de intresten, berekend tot 1 maart 2007 op een bedrag van 42.585,83 euro , en verder te rekenen op de hoofdsom vanaf 1 maart
- Bij dagvaarding van 7 november 2007 heeft de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de betaling gevorderd van de solidariteitsbijdrage, verschuldigd op de inkomsten van het jaar
- Het ging om een bedrag in hoofdsom van 9.956,77 euro , vermeerderd met de intresten tot 31 oktober 2007, hetzij een bedrag van 22.113,98 euro , en verder te berekenen op de hoofdsom vanaf 1 november
- In besluiten werd deze laatste vordering beperkt tot een hoofdsom van 8 985, 22 euro , verhoogd met de intresten die, berekend op 29 februari 2008, 20.243,70 euro bedroegen.
- Bij vonnis van 16 juli 2008 heeft de arbeidsrechtbank te Leuven de beide vorderingen samengevoegd en gegrond verklaard ten belope van de gevorderde bedragen.
- Bij verzoekschrift van 10 september 2008 hebben de heer C. en mevrouw R. hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het beroep is regelmatig naar de vorm. Er wordt geen betekeningsakte voorgelegd van het bestreden vonnis, zodat het beroep ook tijdig is ingesteld. III. BEOORDELING.
- De heer C. en mevrouw R. roepen in hoofdorde in dat de vordering van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ontoelaatbaar is. Zij verwijzen daarbij naar een arrest van het Arbitragehof van 5 mei 2004 waarbij het Arbitragehof oordeelde dat artikel 64 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat het inhoudt dat de solidariteitsbijdrage kan opgevorderd worden binnen de gemeenrechtelijke verjaringstermijn, terwijl de invordering van andere sociale bijdragen verjaart na drie of vijf jaar. In ondergeschikte orde vragen de heer C. en mevrouw R. dat het hof de verjaring zou vaststellen van de ingestelde vorderingen, vermits deze meer dan vijf jaar na het verschuldigd worden van de bijdrage zijn ingesteld. In nog meer ondergeschikte orde vragen de heer C. en mevrouw R. dat het hof een nieuwe prejudiciële vraag zou stellen aan het Grondwettelijk Hof, en verder dat het hof zou vaststellen dat in ieder geval de nalatigheidsintresten verjaard zijn voor een periode die de vijf jaar te boven gaat. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. Hij stelt dat het arrest van het Arbitragehof van 5 mei 2004, waarbij de ongrondwettelijkheid wordt vastgesteld van artikel 64 van de wet van 28 december 1983, geen invloed kan hebben op de beslechting van het geding, omdat het Arbitragehof geen discriminatie heeft vastgesteld, maar enkel een lacune in de wet van 28 december 1983, in de mate dat deze wet niet voorziet in een bijzondere verjaringstermijn. Deze lacune zou enkel kunnen rechtgezet worden door de wetgever: de rechter zou niet de bevoegdheid hebben om zelf een andere verjaringstermijn in de plaats te stellen. Om dezelfde reden zou er ook geen reden zijn om een nieuwe prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Bovendien zou het stellen van een prejudiciële vraag overbodig zijn omdat, ook als een verkorte verjaringstermijn van vijf jaar zou toepast worden, de vordering niet verjaard is. Volgens de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening kan inderdaad de verjaringstermijn slechts beginnen te lopen op het ogenblik dat het bedrag van het belastbaar inkomen, waarop de bijdragen dienden berekend te worden, definitief bekend was, na afhandeling van de fiscale procedures, dit wil zeggen vanaf het cassatiearrest van 12 januari
- Ten onrechte roepen de heer C. en mevrouw R. in dat de vordering van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ontoelaatbaar is. De omstandigheid dat in de wet van 28 december 1983 een ongrondwettelijkheid ingeslopen is met betrekking tot de toepasselijke verjaringstermijn, belet niet dat de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een belang heeft bij het instellen van de vordering. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening kan immers, zoals hij doet, voor de rechter aanvoeren dat de vastgestelde ongrondwettelijkheid niet tot afwijzing van de vordering kan leiden of dat, zelfs indien een kortere verjaringstermijn zal toegepast worden dan de gemeenrechtelijke, de vordering om andere redenen niet als verjaard dient beschouwd te worden.
- De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening kan niet gevolgd worden in zoverre hij aanvoert dat het arrest van het Arbitragehof van 5 mei 2004, of het formuleren van een nieuwe prejudiciële vraag, zonder praktisch belang zijn omdat het Arbitragehof enkel een lacune in de wet heeft vastgesteld, die alleen door de wetgever kan ingevuld worden. Het Arbitragehof heeft in zijn arrest nr. 71/2004 van 5 mei 2004 geen lacune vastgesteld in de wet. Het Arbitragehof heeft vastgesteld dat, vermits geen bijzondere termijn voorzien was in de wet van 28 december 1983 voor het invorderen van de bijdragen, de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van toepassing was van 10 jaar (oorspronkelijk 30 jaar op het ogenblik van het uitvaardigen van de wet), zoals voorzien door artikel 2262 van het Burgerlijke Wetboek. Het oordeelt dan verder dat door de toepassing van deze termijn artikel 64 van de wet een discriminatie instelt doordat, voor de toepassing van deze wet, een veel langere verjaringstermijn geldt, dan voor de invordering van andere sociale bijdragen. Het Hof oordeelt met name (overweging B.5.2): "De objectieve verschillen die tussen beide categorieën van bijdragen bestaan volstaan niet om, ten aanzien van het nagestreefde doel, te verantwoorden dat de betaling van de bijzondere bijdrage gedurende de gemeenrechtelijke termijn kan worden gevorderd, terwijl de invordering van de andere bijdragen na drie of vijf jaar verjaart : de toepassing van de gemeenrechtelijke verjaring op de bijzondere bijdragen doet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de sociaal verzekerden door hun vermogen gedurende talrijke jaren in de onzekerheid te houden, terwijl de bijzondere bijdrage slechts bij wijze van uitzondering is vastgesteld om het hoofd te bieden, in deze periode van economische crisis, aan de financieringsmoeilijkheden die de sector van de werkloosheidsverzekering kende." Het hof oordeelt dus wel degelijk, en dat blijkt ook uit het dispositief van het arrest waarin gesteld wordt dat artikel 64 van de wet van 28 december 1983 de artikelen 10 en 11 van de grondwet schendt, dat er sprake is van een ongrondwettelijk bepaling, en niet enkel van een lacune in de wetgeving. ( cfr. Arbeidshof Brussel, 8e kamer, 2.04.2009, onuitgegeven, inzake A.R . nr 49.754 Onem t / x). Het Grondwettelijk Hof heeft in een arrest 104/2009 van 9 juli 2009, in antwoord op twee nieuwe prejudiciële vragen, zijn standpunt terzake bevestigd. Partijen hebben over dit arrest hun standpunt kunnen formuleren in het kader van de repliektermijnen die hen gelaten waren, na het advies van het openbaar ministerie. Alhoewel het dispositief van het arrest anders geformuleerd is dan het dispositief van het arrest van 5 mei 2004, blijkt uit de lezing van het arrest dat het Grondwettelijk Hof oordeelt dat door het ontbreken van een andere tekst, die haar onderwerpt aan een specifieke verjaringstermijn, de persoonlijke rechtsvordering tot betaling van de solidariteitsbijdrage onderworpen is tot 27 juli 1998, datum van inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998, aan de verjaringstermijn van 30 jaar van artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek, en vanaf die datum aan de termijn van 10 jaar voorzien door artikel 2262 bis § 1 van het Burgerlijk Wetboek (overweging B 5). Het Hof oordeelt dan verder, in identieke bewoordingen als in het arrest van 5 mei 2004, dat de objectieve verschillen die bestaan tussen de solidariteitsbijdrage, voorzien door de wet van 28 december 1983 en de andere sociale zekerheidsbijdragen, niet verantwoorden dat de betaling van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid gedurende de gemeenrechtelijke termijn kan worden gevorderd, terwijl de invordering van de voormelde bijdragen na drie of vijf jaar verjaart. (overweging B.11.1). Het Hof leidt daarbij de ongrondwettelijkheid, die het vaststelt, niet meer specifiek af uit artikel 64 van de wet, maar wel uit de artikelen 60 tot de 73 van de wet.
- Het arbeidshof sluit zich aan bij de zienswijze van het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de ongrondwettelijkheid van de bepalingen van de wet van 28 december 1983, en zijn latere wijzigingen. Het hof is er derhalve niet toe gehouden een nieuwe prejudiciële vraag te stellen (toepassing van art. 26 § 2, 2° van de wet van 26 januari 1989 op het Arbitragehof). Het concrete gevolg daarvan is dat het hof in de beoordeling van de zaak niet meer de gemeenrechtelijke verjaringstermijn kan toepassen, maar voor de verjaringstermijn dient uit te gaan van de termijnen van drie of vijf jaar, die voorzien zijn voor de invordering van andere sociale bijdragen. Of daarbij nu een termijn van drie of vijf jaar dient toegepast te worden, is een vraag die in het huidige dossier zonder praktisch belang is.
- Blijft dan de vraag op welk ogenblik de verjaringstermijn is beginnen lopen. 5.
- De heer C. en mevrouw R. betwisten niet dat de verjaringstermijn niet kon beginnen lopen op het ogenblik van het verschuldigd zijn van de provisionele bijdragen, maar enkel op het ogenblik dat de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening kennis gekregen heeft van de gegevens uit de inkomstenbelasting, die hem moeten toelaten de bijdragen te berekenen (art. 66 van de wet van 28 december 1983 en art. 2 van het Koninklijk besluit van 4 juni 1984 tot uitvoering van de wet van 28 december 1983). De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is echter van oordeel dat de verjaringstermijn niet liep zolang er een betwisting hangende was met betrekking tot de gevestigde aanslag in de personenbelasting. Hij steunt zich daarbij op de regel opgenomen in artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek dat de verjaring niet loopt ten aanzien van een schuldvordering die van een voorwaarde afhangt, zolang die voorwaarde niet voldaan is. Zolang het bedrag van het belastbaar inkomen niet definitief vaststond, aldus de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, kon zij haar vordering niet stellen. 5.
- De schuldvordering van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is geen schuldvordering die van een voorwaarde afhangt in de zin van art. 2257 van het Burgerlijk Wetboek. Het ontstaan van de vordering hangt met name niet af van een toekomstige en onzekere gebeurtenis. Alhoewel met de invoering van art. 2251 van het Burgerlijk Wetboek ("De verjaring loopt tegen alle personen, behalve tegen hen voor wie de wet een uitzondering maakt ") de wetgever tot bedoeling had een einde te stellen aan de vele misbruiken die het inroepen van het adagium ‘contra non valentem agere, non currit praescriptio' met zich meebracht (cfr. de conclusies van adv. Gen. Collard bij Cass. 2.01.1969, Pas. 1969, I) heeft het Hof van Cassatie, overeenkomstig het advies van zijn advocaat-generaal, in zijn arrest van 2.01.1969 (en een later arrest van 16.01.1972, 969) toch aanvaard dat dit adagium in een aantal gevallen kan ingeroepen worden, en met name in die gevallen waarin de wet zelf de schuldeiser in de onmogelijkheid plaats om zijn recht op enige manier uit te oefenen, en ook de verjaring van dit recht te stuiten (concl. Collard p. 389 en 390). De toepassing van het adagium dient dan ook zeer restrictief te gebeuren: enkel indien de titularis van een recht ingevolge een beletsel, dat voortvloeit uit de wet, zijn recht niet kan uitoefenen, en daardoor ook de verjaring van dat recht niet kan stuiten, kan de verjaring geschorst worden. Subjectieve elementen, zoals de omstandigheid dat de schuldeiser niet geïnformeerd is over zijn recht of dat er een feitelijke obstakel is in verband met de uitvoering van het recht, zijn niet van aard de loop van de verjaringstermijn te schorsen of te beletten dat deze een aanvang neemt 5.
- Overeenkomstig artikel 66 van de wet van 28 juni 1983 zijn de openbare besturen, inzonderheid de besturen die afhangen van het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Middenstand en het Ministerie van Sociale Zaken, verplicht aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de inlichtingen te verstrekken welke deze nodig heeft met het oog op de toepassing van dit hoofdstuk. Overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984 tot uitvoering van hoofdstuk 3 van de wet van 28 december 1983 zendt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, aan de hand van de inlichtingen, verstrekt door de in artikel 66 van de wet bedoelde openbare besturen, aan de tot betaling van de bijzondere bijdrage gehouden personen een berekeningsblad met vermelding van het bedrag der verschuldigde bijdrage, de elementen op basis waarvan de bijdrage is vastgesteld, het eventueel saldo dat door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening geïnd of teruggegeven moet worden en de verwijlintresten betreffende dit saldo. Dit saldo moet uiterlijk worden gestort de laatste dag van de maand volgend op die van de toezending van het berekeningsblad. Overeenkomstig art. 3 van hetzelfde Koninklijk Besluit dienen de personen, die de aanslag, die voor hen de verplichting tot betaling van de bijzondere bijdrage meebrengt, betwisten aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, het bewijs te leveren dat zij tegen deze aanslag een bezwaarschrift hebben ingediend of een beroep hebben ingesteld door hem een afschrift te doen toekomen van het ontvangstbewijs van het bezwaarschrift bedoeld in artikel 271 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen of een afschrift van de kennisgeving van neerlegging bedoeld in de artikelen 281 en 290 van hetzelfde wetboek. De indiening van een bezwaar- of van een beroepschrift schorst de periode niet gedurende welke de verwijlintresten lopen. Overeenkomstig art 413 van het Koninklijk Besluit van 10 april 1992 houdende het Wetboek van Inkomstenbelasting zijn de directe belastingen opeisbaar op de datum van uitvoerbaarverklaring van het dossier en moeten ze betaald worden binnen de 2 maanden na de toezending van het aanslagbiljet. Uit deze bepalingen vloeit niet voort dat, wanneer de bijdrageplichtige zijn aanslag in de inkomstenbelasting betwist heeft, zulks voor de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een wettelijk beletsel zou uitmaken om zijn schuldvordering uit te oefenen. Van zodra de belastingsaanslag is vastgesteld, kan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening overgaan tot de berekening van de bijdragen en aan de bijdrageplichtige het door artikel 2 van het Koninklijk Besluit voorziene berekeningsblad toezenden. (De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening heeft zulks ook gedaan met betrekking tot de bijdragen verschuldigd op de inkomsten van het jaar 1988). Hij kan vanaf dat ogenblik de verjaring stuiten en de vordering inleiden voor de bevoegde rechtbank, (cfr. in dezelfde zin, Arbh.. Brussel, 8e kamer 2 april 2009, onuitgegeven, A.R. nr.49.754, ONEM c H., Arbh . Brussel, 8e kamer, 14 augustus 2009, Onem t x, A.R. nr. 48 956), onverminderd het recht van de gevatte rechtbank om de behandeling van de zaak op te schorten in afwachting van de uitspraak over de fiscale betwisting.
- De verjaringstermijn is aldus beginnen lopen op het ogenblik dat de aanslag in de inkomstenbelasting was gevestigd en de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening in de gelegenheid was om het berekeningsblad op te stellen voor de inning van de bijdrage. Voor de bijdrage verschuldigd op de inkomsten van het jaar 1985 was dit 28.12.1988 ( zie stuk 1 b van het dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening). Voor de bijdrage op de inkomsten van het jaar 1988 was dit 6.12.1990 (zie stuk 6 van het dossier van de heer C. en mevrouw R.). (Het hof volgt aldus niet de interpretatie van de wettelijke bepalingen door het Grondwettelijk Hof in zijn overweging B.11.12 van het arrest nr. 104/
- De stelling dat de verjaringstermijn slechts begint te lopen nadat de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening het berekeningsblad heeft toegezonden aan de bijdrageplichtige en de wettelijke termijn vervallen is om de bijdrage te storten, vindt geen steun in de wettelijke bepaling en zou de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening toelaten het vertrekpunt van de verjaring zelfstandig te bepalen (en te verlengen) door het niet of laattijdige verzenden van het berekeningsblad). De vorderingen ingeleid bij dagvaarding van respectievelijk 27 maart 2007 en 27 november 2007 zijn aldus verjaard.
- Daaruit volgt dat het vonnis van de eerste rechter hervormd dient te worden en dat de vorderingen van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening als ongegrond dienen afgewezen te worden. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het schriftelijk advies van de heer Jean-Jacques André, advocaat-generaal, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond; doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzend : Verklaart de vorderingen van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, ingeleid bij de dagvaardingen van 27 maart 2007 en 27 november 2007, ongegrond. Veroordeelt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tot de kosten van beide aanleggen, begroot in hoofde van de heer C. en mevrouw R. op 218,64 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en verder niet begroot voor wat betreft de beroepsprocedure. Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: F. Kenis, raadsheer, voorzitter; S. Alaerts, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; D. Vanhagendoren, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; S. Van der hoeven, griffier. F. Kenis S. Van der hoeven D. Vanhagendoren S. Alaerts en uitgesproken op de openbare terechtzitting van tien september tweeduizend en negen van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel door: F. Kenis raadsheer, voorzitter Bijgestaan door S. Van der hoeven, griffier. F. Kenis S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090910.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div