← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090910.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 10 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090910.6 Rolnummer: 51.310 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-12-17 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-02 20:13 Fiche Het gezag kan niet uitgeoefend worden door de algemene vergadering van de vennootschap. Het uitoefenen van het voor een arbeidsovereenkomst kenmerkend gezag is een aangelegenheid die behoort tot de dagelijkse gang van zaken in de schoot van een vennootschap, en derhalve door een bestendig orgaan moet verricht worden. De bevoegdheden van de algemene vergadering van een vennootschap zijn beperkt tot diegene die haar krachtens het wetboek van vennootschappen toekomen. Tot deze bevoegdheden behoort het ontslaan en het benoemen van de bestuurders. Dat de zaakvoerder de algemene vergadering verantwoording verschuldigd is voor zijn handelingen houdt niet in dat hij verbonden zou zijn door een arbeidsovereenkomst. De algemene vergadering van de vennootschap kan geen gezag uitoefenen over personeelsleden van deze laatste aangezien zij in beginsel slechts jaarlijks vergadert. Zelfs wanneer er in de schoot van de BVBA andere zaakvoerders zijn dan diegene wiens statuut van werknemer wordt in vraag gesteld, is er geen mogelijkheid tot gezagsuitoefening door de vennootschap voorhanden. Zaakvoerders kunnen immers, ondanks het verzet van de overige vennoten, alle daden verrichten die tot hun beheer behoren, mits dit geschiedt zonder bedrog. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Zelfstandige - Sociaal statuut - Toepassingsgebied Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ALGEMENE REGELING - Ondergeschikt verband - Zaakvoerder - Gezagsuitoefening door de algemene vergadering der aandeelhouders. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 10 SEPTEMBER

  1. 7de KAMER Sociale Zekerheid Bijdragen Tegensprekelijk Definitief In de zaak: Mevrouw D. K., Appellante, vertegenwoordigd door Mter J. Keulen, advocaat te 3500 Hasselt; Tegen : DE RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling met zetel gevestigd te 1060 Brussel, Victor Hortaplein, 11, K.B. 0.206.731.645, Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter S. De Kerpel loco Mter P. Derveaux, advocaat te 1930 Zaventem; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank van Tongeren (1ste kamer ) op 17 maart 2006; - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt (4de kamer) van 23 januari 2007); - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest van het Hof van Cassatie (3de kamer) van 28 januari 2008; - de herdaging na Cassatie ingediend door appellante ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 28 augustus 2008; - de besluiten van partijen; - de bundel met stukken van geïntimeerde partij neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 17 november 2008; - de bundel met stukken van appellante partij neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 11 juni 2009; - het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 6 juli 2009, waarop appellante partij gerepliceerd heeft op 10 augustus 2009; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 25 juni 2009, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd. x x x I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
  2. Mevrouw D. heeft op 15 april 2002 een arbeidsovereenkomst ondertekend met de bvba Hotel Platform voor een deeltijdse tewerkstelling van 12 uur per week. Volgens de arbeidsovereenkomst bestond haar taak uit "schoonheidszorgen en andere". De bvba Hotel Platform was de uitbater van een hotel en een daaraan verbonden kuuroord. De vader en moeder van Mevrouw D. waren de hoofdaandeelhouders van de bvba en Mevrouw D. zelf had ongeveer 2 % van de aandelen. Zaakvoerders van de bvba waren de moeder van Mevrouw D. en Mevrouw D. zelf.
  3. Op 1 juni 2004 werd een gezamenlijke inspectie uitgevoerd door inspecteurs van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. Bij die gelegenheid werd Mevrouw D. ondervraagd en werden door haar een aantal documenten overhandigd, die bij het onderzoeksdossier werden gevoegd. Ingevolge het onderzoeksverslag bracht de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, bij schrijven van 18 november 2004, aan Mevrouw D. ter kennis dat zij overging tot schrapping van haar aangifte in het stelsel van sociale zekerheid der werknemers. Volgens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kon er geen sprake zijn van een arbeidsovereenkomst vermits Mevrouw D. tegelijkertijd zaakvoerster was van de bvba met volledige bevoegdheden. Verder zou uit de feitelijke elementen blijken dat er geen sprake was van enig ondergeschikt verband. Uit de door Mevrouw D. neergelegde stukken blijkt dat, ingevolge hetzelfde onderzoek, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de werkloosheidsuitkeringen van Mevrouw D. heeft teruggevorderd die zij genoten had voor haar deeltijdse werkloosheid.
  4. Bij dagvaarding van 7 april 2005 heeft Mevrouw D. de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gedagvaard voor de arbeidsrechtbank te Tongeren teneinde de vernietiging te bekomen van de beslissing tot schrapping van haar onderwerping. In dagvaarding vroeg zij verder voorbehoud voor het vorderen van een passende schadevergoeding. In de loop van het geding werd deze schadevergoeding begroot op een bedrag van 15.217,47 euro .
  5. Bij vonnis van 17 maart 2006 heeft de arbeidsrechtbank te Tongeren de vordering als ongegrond afgewezen. De arbeidsrechtbank oordeelde met de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat de tewerkstelling in ondergeschikt verband niet verenigbaar was met het statuut van zaakvoerster van Mevrouw D. en dat bovendien uit de feitelijke elementen van het dossier geen enkel ondergeschikt verband bleek. Bij verzoekschrift van 14 april 2006 heeft mevrouw D. hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis bij het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt. Bij arrest van 23 januari 2007 heeft dit hof het door Mevrouw D. ingestelde hoger beroep afgewezen. Bij arrest van 28 januari 2008 heeft het Hof van Cassatie het arrest van het arbeidshof te Antwerpen vernietigd omdat uit het arrest niet bleek dat het Openbaar Ministerie advies gegeven had over de zaak terwijl, overeenkomstig artikel 764, eerste lid, 10° van het Gerechtelijk Wetboek, dit advies vereist was. Bij gerechtsdeurwaarderexploot van 19 juni 2008 heeft Mevrouw D. haar hoger beroep aanhangig gemaakt bij dit hof. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het hoger beroep, zoals het oorspronkelijk ingesteld werd door mevrouw D. voor het arbeidshof te Antwerpen, is regelmatig naar de vorm en is tijdig ingesteld. Het hoger beroep werd, na het cassatiearrest van 28 januari 2008, rechtsgeldig aanhangig gemaakt bij het hof. Weliswaar blijkt niet uit het neergelegde dossier dat tot de betekening van het cassatiearrest werd overgegaan, zoals vereist door art. 1115 van het Gerechtelijk Wetboek, maar de nietigheid die daaruit voortvloeit is gedekt door de vrijwillige medewerking die de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid heeft verleend aan de uitvoering van het arrest, door het zonder voorbehoud in staat stellen van de zaak (cfr.Cass. 17.06.1994, Arr. Cass. 1994, 318). III. BEOORDELING.
  6. Mevrouw D. roept in dat het onderzoek dat door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid uitgevoerd werd nietig is vermits het gedeeltelijk gesteund is op stukken die door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening medegedeeld werden, zonder uitdrukkelijke machtiging van de procureur-generaal bij het hof van beroep. Mevrouw D. stelt verder dat zij nooit daadwerkelijk zaakvoerder geweest is in de bvba en dat het ingevolge een vergissing van de notaris, die het verslag van de algemene vergadering van de vennootschap met wijziging van de statuten opmaakte, is dat zij nog verder vermeld werd als een zaakvoerder. Volgens Mevrouw D. was haar moeder de enige daadwerkelijke zaakvoerder van de vennootschap die bovendien een effectief gezag op haar uitoefende in het kader van haar tewerkstelling.
  7. In verband met de stukken waarop het onderzoek gesteund is dient in de eerste plaats vastgesteld te worden dat het onderzoek gestart is met een gezamelijk initiatief van de inspecteurs van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en de inspecteurs van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Beide inspectiediensten hebben naar aanleiding van de controle van 1 juni 2004 een eigen verslag opgesteld, hebben Mevrouw D. onderhoord, en hebben zich door Mevrouw D. een aantal documenten doen overhandigen in verband met haar tewerkstelling. Het onderzoek van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is essentieel daarop gesteund en bevat ook alle elementen die het hof in staat stellen een oordeel uit te spreken over de zaak. Ten aanzien van de stukken, waarnaar Mevrouw D. verwijst op pagina 9 van haar verslag, te weten de administratieve beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening waarbij haar een sanctie wordt opgelegd en de stukken 18/1 tot 18/4, te weten de briefwisseling van Mevrouw D. of van haar vader aan de RVA, blijkt niet dat deze met miskenning van enige wettelijke bepaling werden medegedeeld. Uit de samenlezing van de bepalingen van artikel 1, derde lid, 5, 7 en 9 van de arbeidsinspectiewet van 16 november 1992, volgt dat de sociale inspecteurs de inlichtingen die zij tijdens een autonoom optreden hebben ingewonnen, anders dan deze die zij verkregen bij de uitvoering van onderzoeksverrichtingen voorgeschreven door de rechterlijke overheid, kunnen meedelen aan de openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, aan de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren belast met het toezicht op andere wetgevingen, in zoverre die inlichtingen deze laatsten kunnen aanbelangen bij de uitoefening van het toezicht waarmee zij belast zijn. (Cass. (3e k.) AR S.05.0131.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071029.1, 29 oktober 2007 (Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening / L.J.) http://www.cass.be (29 november 007); RW 2008-09, afl. 33, 1379 en http://www.rwe.be (30 april 2009), noot SALOMEZ, K; Soc.Kron. 2008, afl. 6, 341, noot: zie ook D. Torfs: De sociale inspectiediensten en de uitwisseling van informatie versus het geheim van onderzoek, Soc.Kron. 2008, p
  8. e.v. ). Uit geen enkel element blijkt dat de bewuste stukken werden verzameld in uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid. Zulks kan niet afgeleid worden uit het feit dat de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening deze stukken medegedeeld heeft aan de arbeidsauditeur en deze op die basis een minnelijke schikking zou voorgesteld hebben. Ten overvloede dient vastgesteld te worden dat Mevrouw D. de door haar gewraakte stukken zelf bij haar dossier voegt (het gaat, behoudens de beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, trouwens uitsluitend om documenten die haar stelling verdedigen) zodat niet kan ingezien worden waarom de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid niet eveneens naar deze stukken zou kunnen verwijzen en de conclusies, die Mevrouw D. uit deze stukken wenst te trekken, tegenspreken.
  9. Mevrouw D. kan niet gevolgd worden waar zij stelt dat het ingevolge een loutere vergissing van de notaris is dat zij nog in de officiële publicaties was opgenomen als zaakvoerster van de bvba. Mevrouw D. werd op 7 september 2000 door de algemene vergadering benoemd als enig zaakvoerster in opvolging van haar moeder. Zij had op dat ogenblik 1/3e van de aandelen. Op 21 september 2000 werd een kapitaalsverhoging doorgevoerd door de inbreng van een onroerend goed van de ouders van Mevrouw D.. Bij die gelegenheid werd de moeder van Mevrouw D. als tweede zaakvoerster aangesteld. Uit de voorgelegde notariële akte blijkt daarbij dat de aanstelling van een tweede zaakvoerster de voorafgaandelijke beslissing inhield om het aantal zaakvoerders op twee te brengen. Er kan dan ook moeilijk aangenomen worden dat enerzijds de notaris niet begrepen had, zoals voorhouden wordt, dat het de bedoeling was Mevrouw D. opnieuw te vervangen als zaakvoerster door haar moeder en anderzijds dat de partijen bij de ondertekening van de akte deze vergissing niet zouden gemerkt hebben. In een schrijven van 2 oktober 2000, dus minder dan 14 dagen na de algemene vergadering van 21 september 2000, bevestigde de vader aan het sociaal verzekeringsfonds VEV dat zijn dochter "ook medezaakvoerder geworden is in de vennootschap". Tenslotte blijkt uit de gegevens van het dossier dat Mevrouw D. wel degelijk een aantal documenten getekend heeft met de vermelding dat zij zaakvoerster was van de bvba, met name een overeenkomst voor beroepsopleiding van 10.02.2004 en een overeenkomst met BCC van 31.08.
  10. De omstandigheid dat die vermelding niet door haar persoonlijk zou aangebracht zijn, is niet relevant vermits, wanneer die vermelding is aangebracht door de andere contractspartner, dit uiteraard maar kan gebeurd zijn op basis van de door mevrouw D. gegeven informaties.
  11. Arbeid in ondergeschikt verband, die aanleiding geeft tot een onderwerping aan de sociale zekerheid der werknemers, vereist dat binnen de onderneming een persoon of orgaan kan aangewezen worden die juridisch het werkgeversgezag kan uitoefenen over de werknemer. Een bestuurder van een vennootschap kan tegelijk werknemer zijn van de vennootschap, wanneer een orgaan van de vennootschap kan aangewezen worden dat het werkgeversgezag uitoefent. Een naamloze vennootschap wordt bestuurd door een Raad van Bestuur, die een collegiaal orgaan is en aldus gezag kan uitoefenen over een bestuurder, wanneer deze taken worden toevertrouwd in het kader van een arbeidsovereenkomst. Tenzij zulks in de statuten uitdrukkelijk voorzien is bestaat een dergelijke orgaan echter niet binnen een bvba; Het gezag kan niet uitgeoefend worden door de algemene vergadering van de bvba, zoals mevrouw D. aanvoert. Het uitoefenen van het voor een arbeidsovereenkomst kenmerkende gezag is een aangelegenheid die behoort tot de dagelijkse gang van zaken in de schoot van een vennootschap, en derhalve door een bestendig orgaan moet verricht worden. De bevoegdheden van de algemene vergadering van een vennootschap zijn beperkt tot diegene die haar krachtens het Wetboek van Vennootschappen toekomen. Tot deze bevoegdheden behoort het ontslaan en het benoemen van de bestuurders. Dat de zaakvoerder de algemene vergadering verantwoording verschuldigd is voor zijn handelingen houdt niet in dat hij verbonden zou zijn door een arbeidsovereenkomst. De algemene vergadering van de vennootschap kan geen gezag uitoefenen over personeelsleden van deze laatste aangezien zij in beginsel slechts jaarlijks vergadert. ( W. Van Eeckhoutte, Bestuurders van vennootschappen : sociaalrechtelijke aspecten, in M. Goiris (ed.), besturen en bestuurder is twee. De uitdaging en de invulling van het bestuurdersmandaat, Gent, Larcier, 2003, blz. 114 e.v.. Zie ook W. Van Eeckhoutte en E. Van Oostveldt, De B.V.B.A. in de praktijk, Kluwer, III.3.2.-1, 435). Zelfs wanneer er in de schoot van een BVBA andere zaakvoerders zijn dan diegene wiens statuut van werknemer wordt in vraag gesteld, is er geen mogelijkheid van gezagsuitoefening door de vennootschap voorhanden. Zaakvoerders kunnen immers, ondanks het verzet van de overige vennoten, alle daden verrichten die tot hun beheer behoren, mits dit geschiedt zonder bedrog (art. 257 van het Wetboek van Vennootschappen). Zijn er meerdere zaakvoerders in de schoot van de BVBA dan vormen zij in beginsel geen college. Ieder van hen beschikt over de volledige vertegenwoordigingsbevoegdheid. Van de individuele vertegenwoordigings-bevoegdheid kan worden afgeweken in de statuten, doch de lezing van de statuten van de bvba Hotel Platform leert dat zulks niet het geval was. In dergelijke situatie kan derhalve niet voorgehouden worden dat het werkgeversgezag over de zaakvoerder - werknemer door de andere zaakvoerder(s) wordt uitgeoefend (in casu de moeder van Mevrouw D.), aangezien diegene over wie zij gezag zou moeten uitoefenen, zelf de bevoegdheid heeft om zulks te doen en dus ongedaan kan maken wat haar collega zaakvoerder besliste (Van Eeckhoutte, o.c., blz. 115). Ten onrechte voert mevrouw D., in haar besluiten, na advies van het openbaar ministerie, aan dat er in de praktijk een zaakvoerdersgroepering werd ingesteld op de algemene vergadering van 21 september, waarbij verder zou beslist zijn dat aan haar moeder de macht werd verleend "om haar conclusies " door te voeren. De unanieme beslissing waarnaar mevrouw D. verwijst is niet die van de zaakvoerders maar die van de algemene vergadering. In het verslag van de algemene vergadering is er geen sprake van een collegiaal zaakvoerderschap, noch van de toekenning van ruimere bevoegdheden aan één zaakvoerder ( de moeder). Wanneer "de zaakvoerder" belast wordt met de uitvoering van de besluiten van de algemene vergadering (zevende conclusie) duidt dit niet in het bijzonder op de moeder van mevrouw D.. Wanneer het de bedoeling zou geweest zijn bijzondere bevoegdheden aan de tweede zaakvoerder toe te kennen zou dit ongetwijfeld opgenomen zijn in de "zesde conclusie" die betrekking had op de aanstelling van een tweede zaakvoerder. Door de eerste rechter werd aldus terecht geoordeeld dat Mevrouw D. niet onderworpen was aan het gezag van een orgaan van de vennootschap. Deze vaststelling sluit de door partijen gekozen juridische kwalificatie uit.
  12. Mevrouw D. kon trouwens ongetwijfeld vrij haar werktijd en haar werk organiseren. Zij was, zoals opgemerkt door het Openbaar Ministerie in zijn advies, reeds in 1997 medeoprichter met haar ouders van een andere vennootschap, de n.v. Platform Campus. De vader van Mevrouw D. houdt wel voor dat enkel op zijn dochter beroep gedaan omdat zij beschikte over de noodzakelijke opleiding, nodig voor het bekomen van een vestigingsattest, doch uit zijn geschriften blijkt anderzijds duidelijk dat de bedoeling was dat zijn dochter effectief het hotel en kuurcenter zou runnen en dat de ouders zich zo spoedig mogelijk wilden terugtrekken (zijn brief van 16 juli 2004). De activiteit kuren en schoonheidszorgen, waarvoor alleen Mevrouw D. over de nodige competentie beschikt, kon overigens alleen door haar worden uitgevoerd. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wijst er terecht op dat de omstandigheid dat Mevrouw D., op het ogenblik waarop de controle plaats vond, niet wist mede te delen voor hoelang haar ouders zouden wegblijven, één van de elementen is waaruit blijkt dat zij de volledige verantwoordelijkheid had over de uitbating van de zaak. Ongetwijfeld zullen zowel de vader als de moeder van Mevrouw D. zich niet volledig afzijdig gehouden hebben van het beleid van de vennootschap, gezien zij hun patrimonium inbrachten in de vennootschap, maar daaruit kan niet afgeleid worden dat er een gezagsstructuur zou voorhanden geweest zijn. De ouders van Mevrouw D. schijnen trouwens begaan te zijn met een ander project dat gelokaliseerd is in Zwitserland (zie de brief van 15 maart 2004 van de heer D.). Het gaat hier blijkbaar om een project dat aansluit bij de doelstellingen van de n.v. Platform-Campus en waarvan het aanvankelijk de bedoeling was het te realiseren vanuit Borgloon. Uit de voorliggende stukken kan opgemaakt worden dat hiervan nadien werd afgestapt om, zoals de vader van Mevrouw D. het schrijft, aan de realisatie van Borgloon een "bredere dimensie" te geven dan oorspronkelijk bedoeld in de filosofie van de N.V. PLATFORM-CAMPUS, nu er een hotelfunctie werd aan toegevoegd en een schoonheidssalon waarvan de dochter van de heer en Mevrouw D. de leiding heeft. (zie de brieven van de heer D. van 15 maart 2004 en 10 november 2004). De ouders van Mevrouw D. hebben er aldus voor gekozen te investeren in een familiaal project dat de professionele toekomst van hun dochter kon verzekeren en waarvan zij dan ook de verantwoordelijkheid zou dragen, aanvankelijk met de hulp en bijstand van haar ouders.
  13. De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tot een schrapping mocht overgegaan van de onderwerping van Mevrouw D. aan het stelsel van de sociale zekerheid der werknemers. De vordering tot nietigverklaring van deze beslissing is dan ook ongegrond. Om dezelfde reden is de vordering tot het bekomen van schadeloosstelling ten laste van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid ongegrond. Het bestreden vonnis dient dan ook in al zijn beschikkingen bevestigd te worden. De kosten Mevrouw D. dient veroordeeld te worden tot de kosten. Er is ook geen reden toe om, zoals de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid vraagt, een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding toe te kennen voor de procedure voor het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge en voor de procedure voor het arbeidshof te Brussel. Overeenkomstig art. 1 van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld per aanleg. (Zulks was overigens ook voorzien in het vroegere Koninklijk Besluit van 30 november 1970). Het Gerechtelijk Wetboek kent slechts twee aanleggen, de eerste aanleg en het beroep (art. 616 Gerechtelijk Wetboek). Ook de procedure voor het Hof van Cassatie vormt geen nieuwe aanleg (cfr.K. BROECKX, Gerechtelijke Wetboek, Artikelsgewijze Commentaar, art. 616). Door het vernietigingsarrest van het Hof van Cassatie komt geen nieuwe aanleg tot stand. Het ingeleide geding en de aanleg worden heropend voor een nieuwe rechter, maar blijven dezelfde aanleg en geding uitmaken die hervat worden (J. BORÉ " La Cassation en matière civile", Parijs, 1980, p. 1048 en 1057). De dagvaarding die de zaak aanhangig maakt bij het de rechter waarnaar de zaak verwezen wordt is dan ook geen gedinginleidende akte, maar een akte tot hervatting en voortzetting van het geding (Cass. 27 september 1993, Arr. Cass.1973,762). OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean-Jacques André, advocaat-generaal, Verklaart het hoger beroep ongegrond en wijst Mevrouw D. ervan af. Veroordeelt Mevrouw D. tot de kosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op 1.100,00 euro . Aldus gewezen door de 7de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer F. KENIS, Raadsheer, De heer M. VAN AKEN, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De heer J.-P. VAN CONINGSLOO, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. F. KENIS, L. HERREGODTS, M. VAN AKEN. J.-P. VAN CONINGSLOO. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 7e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 10 september 2009 door de heer F. KENIS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. F. KENIS. L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090910.6 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071029.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.