id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 09 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091009.6 Rolnummer: 51.053 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-11-26 Raadplegingen: 136 - laatst gezien 2026-07-02 20:23 Fiche 1 Wanneer de werkneemster voorhoudt dat de ingeroepen redenen niet vreemd zijn aan haar lichamelijke toestand als gevolg van haar zwangerschap, dan moet de werkgever het bewijs leveren van:
- het bestaan van objectieve feiten die aantonen dat het ontslag werd gegeven om redenen die vreemd zijn aan haar lichamelijke toestand;
- de echtheid van deze redenen;
- het oorzakelijk verband tussen deze vreemde redenen en het ontslag. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Moederschapsbescherming - Ontslagbescherming Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING - VROUWENARBEID - Moederschapsbescherming. Wettelijke bepalingen: Wet - 16-03-1971 - 40 - 02 ELI link Pub nr 1971031602 Nota: Gerangschikt onder III C art.
- Een andere korte inhoud is gerangschikt onder I B art.
- Fiche 2 Het sociaal secretariaat kan de omvang van haar contractuele aansprakelijkheid omschrijven in het aannemingscontract en deze contractuele regeling geldt dan als de wet van de partijen (W. Reynders, De verhouding van de ESS met hun aangesloten leden, Liber Amicorum Roger Blanpain, p. 385). UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Gevolgen verbintenissen tussen partijen - Algemeen Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - BURGERLIJK RECHT - Verantwoordelijkheid sociaal secretariaat - Contractuele aansprakelijkheid. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1382 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Nota: Gerangschikt onder I B art.
- Een andere korte inhoud is gerangschikt onder III C art.
- Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 9 OKTOBER
- 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: DE N.V. SACRE M & S, burgerlijke vennootschap onder de vorm van een naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1081 Koekelberg, Jettelaan, 32, KB 0446 012 631; Appellante, vertegenwoordigd door Mter I. Baele, advocaat te 1780 Wemmel; Tegen :
- Mevrouw L. M., 1ste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter B. Deryckere, advocaat te 1060 Brussel;
- DE V.Z.W. ACERTA SOCIAAL SECRETARIAAT, met zetel gevestigd te 3000 Leuven, Diestsevest, 14, 2de geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter W. De Vriese loco Mter M. Van Huffelen, advocaat te 2970 Schilde; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (2de kamer) op de openbare terechtzitting van 8 april 2008; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 5 juni 2008; - de besluiten, en aanvullende synthesebesluiten voor 1ste geïntimeerde partij ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel, respectievelijk op 14 november 2008 en 16 maart 2009; - de besluiten en synthesebesluiten van 2de geïntimeerde partij ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel, respectievelijk op 15 september 2008 en 13 februari 2009; - de besluiten voor appellante partij ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 12 januari 2009; - de bundel met stukken neergelegd door 2de geïntimeerde partij ter griffie op 27 augustus 2009; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting 11 september 2009; Appellante partij en 1ste geïntimeerde partij leggen hun bundel neer, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. X X X
- FEITEN EN RECHTSPLEGING.
- Mevrouw M. L. kwam op 1 september 2001 als bediende in dienst van het gerechtsdeurwaarderskantoor N.V. Sacré M & S, een burgerlijke vennootschap onder de vorm van een N.V. Zij was kandidaat gerechtsdeurwaarder en ze kon aanvankelijk geen vervangingen doen, maar ze behartigde de juridisch moeilijkere dossiers. Tijdens haar tewerkstelling slaagde zij in haar taalexamen, waardoor zij wel in de mogelijkheid kwam om vervangingen te doen. Op 3 maart 2004 is mevrouw L. bevallen en haar zwangerschapsverlof liep tot 30 mei 2004, waarna zij het werk hervatte. Bij aangetekende brief van 24 juni 2004 werd zij door haar werkgever ontslagen met een opzeggingstermijn van 2 maanden, ingaande op 1 juli
- Op 30 augustus 2004 werd tussen partijen een overeenkomst gesloten om de opzeggingsperiode te beëindigen op 31 augustus 2004, zonder betaling van een loon na die datum.
- Op 18 augustus 2005 stelde de vakorganisatie van mevrouw L. de N.V. in gebreke, omdat het ontslag gegeven was in de periode van de moederschapbescherming; men vroeg uitleg omtrent de reden van ontslag. Bij aangetekende brief van 8 november 2005 van de advocaat van de N.V. aan de advocaat van mevrouw L. werd het C4- formulier overgemaakt met als reden van werkloosheid : economische redenen - geen werk. Naar aanleiding van de brief van de vakorganisatie van 18 augustus 2005 ontstond een uitvoerige briefwisseling tussen de werkgever of diens raadsman enerzijds en het V.Z.W. Acerta sociaal secretariaat (hierna aangekort tot Acerta ) anderzijds omtrent het zgn. gebrek aan informatie van het sociaal secretariaat rond de moederschapbescherming. Meer bepaald verweet de werkgever aan het sociaal secretariaat dat hij onvoldoende ingelicht werd omtrent de duur van deze bescherming.
- Op 31 augustus 2005 dagvaardde mevrouw L. de N.V. Sacré M. & S. in betaling van een beschermingsvergoeding van 6 maanden omwille van de moederschapbescherming, door haar begroot op euro 13.446,
- Bij conclusies neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel op 18 september 2006 werd deze vordering uitgebreid in betaling van een pro rata eindejaarspremie van euro 1.200 en een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 1.
- Tevens vroeg men de veroordeling tot de advocaatkosten ten bedrage van euro
- Op 23 januari 2006 dagvaardde de N.V. Sacré M. & S. Acerta in tussenkomst en vrijwaring m.b.t. de hoofdvordering wegens onjuist advies en in betaling van advocaatkosten ten bedrage van euro 1.
- Bij vonnis van de arbeidsrechtbank van Brussel van 8 april 2008 werd de hoofdvordering ontvankelijk verklaard en in de volgende mate gegrond; de N.V. werd veroordeeld tot betaling van een beschermingsvergoeding van euro 13.143,13 te vermeerderen met wettelijke intresten vanaf 24 juni 2004 en de gerechtelijke intresten en tot betaling van de eindejaarspremie van euro 1.200 te vermeerderen met de gerechtelijke intresten, terwijl het meergevorderde werd afgewezen. Tevens werd de N.V. veroordeeld tot betaling van de gerechtskosten, zijnde de dagvaardingskosten ( euro 108) en een rechtsplegingsvergoeding van euro 1.
- De vordering in tussenkomst en vrijwaring werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard en de N.V. werd veroordeeld tot betaling van de gerechtskosten hiervan, hetzij een rechtsplegingsvergoeding van euro 1.
- Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 5 juni 2008, tekende de N.V. Sacré M. & S. hoger beroep aan en hernam ze haar oorspronkelijke standpunt, met name dat de vordering van mevrouw L. ongegrond was en dat zij minstens diende te worden gevrijwaard door het sociaal secretariaat ingeval van veroordeling. In de meest ondergeschikte orde, liet ze gelden dat de intresten slechts op de nettobedragen konden worden aangerekend.
- BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. De forfaitaire beschermingsvergoeding ingevolge artikel 40 van de arbeidswet.
- Artikel 40 van de arbeidswet bepaalt : " De werkgever die een zwangere werkneemster tewerkstelt, mag geen handeling stellen die ertoe strekt éénzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking vanaf het ogenblik waarop hij werd ingelicht omtrent de zwangerschap tot één maand na het einde van de postnatale rustperiode, behalve om redenen die vreemd zijn aan de lichamelijke toestand als gevolg van de zwangerschap of van de bevalling. De werkgever dient te bewijzen dat zulke redenen voorhanden zijn. Op verzoek van de werkneemster stelt de werkgever haar er schriftelijk van in kennis. ..." Artikel 40 van de arbeidswet voorziet in de betaling van een forfaitaire vergoeding gelijk aan het brutoloon voor 6 maanden ingeval deze beschermingsregel wordt overtreden. In casu wordt niet betwist dat mevrouw L. haar werkgever op de hoogte heeft gebracht van haar zwangerschap. De werkgever gaf geen gevolg aan de vraag van de vakorganisatie om de ontslagreden te preciseren. Op het C4-formulier, dat na dagvaarding wordt afgeleverd, wordt summier vermeld : economische redenen - geen werk. Wanneer de werkneemster voorhoudt dat de ingeroepen redenen niet vreemd zijn aan haar lichamelijke toestand als gevolg van haar zwangerschap, dan moet de werkgever het bewijs leveren van :
- het bestaan van objectieve feiten die aantonen dat het ontslag werd gegeven om redenen die vreemd zijn aan haar lichamelijke toestand;
- de echtheid van deze redenen;
- het oorzakelijk verband tussen deze vreemde redenen en het ontslag ( S. Cockx en P. Maerten, Overzicht rechtspraak beschermde werknemers 2002 -2007,Or. 2008/1, 21; Arbh. Brussel, 12 september 2006, A.R. 47.218; Arbh. Antwerpen, 7 april 2003, Soc. Kron 2004,84). Hierbij moet in acht genomen worden dat de redenen ook kunnen bestaan uit niet foutieve eigenschappen of gedragingen, maar ze moeten van objectieve aard zijn en moeten blijken uit controleerbare omstandigheden en niet louter uit de beweringen van de werkgever ( W. Van Eeckhoutte, De motivering van het ontslag in Actuele problemen van het arbeidsrecht, 4, p. 252, nr. 375; Arbh. Brussel,16 september 2003, A.R. 40.546).
- Nadat de N.V. Sacré M.& S. aanvankelijk erg duister bleef omtrent de ontslagreden en zich eerder inspande om de aansprakelijkheid door te schuiven naar het sociaal secretariaat, heeft zij voor de eerste rechter dan toch voorgehouden dat het ontslag gegeven werd wegens redenen vreemd aan de lichamelijke toestand, meer bepaald haar moeilijke economische situatie en het gebrek aan werk. Op verzoek van de rechtbank heeft zij de jaarrekeningen voor de jaren 2003 en 2004 voorgelegd en heeft ze opheldering gegeven omtrent de opname van kandidaat gerechtsdeurwaarder P. D. in het kantoor, wat klaarblijkelijk plaatsvond tijdens de beschermingsperiode wegens de zwangerschap. De eerste rechter heeft uit de jaarrekeningen 2003 en 2004 afgeleid dat de omzet van de N.V. gestegen was van euro 308.987 voor het jaar 2003 naar euro 662.139 voor het jaar 2004 ( het jaar van het ontslag van mevrouw L.) De bedrijfswinst steeg in dezelfde periode van euro 85.736 tot euro 427.043 (zie p. 4). In graad van hoger beroep brengt de N.V. een schrijven voor van haar boekhoudkantoor waarin deze erop wijst dat de brutomarge in verband met de omzet betrekking heeft op de bedrijfsopbrengsten min de kosten diverse goederen en diensten en dat de stijging van zowel de brutomarge als de bedrijfswinst niet te wijten is aan de omzet maar aan de daling van de kosten, in hoofdzaak veroorzaakt door de daling van de bezoldiging en groepsverzekering van de bedrijfsleiders. Het hof aanvaardt dat de brutomarge in verband met de omzet niet enkel betrekking heeft op de bedrijfsopbrengsten, maar dat deze marge mede bepaald wordt door de bedrijfskosten. Maar hierdoor wordt nog niet aangetoond dat de economische situatie van de N.V. in het jaar 2004 de objectieve en reële reden was voor het ontslag van mevrouw L.. Immers uit de resultaatverwerking ( p. 5) blijkt dat er in 2003 ( vóór de zwangerschap van mevrouw L.) een te verwerken verliessaldo was van euro 51.219, terwijl er in 2004 een te bestemmen winstsaldo was van euro 256.906, waardoor euro 102.906 werd toegevoegd aan het eigen vermogen en euro 154.000 werd uitgekeerd als winst, met name euro 4.000 in de vorm van dividend en euro 150.000 als tantième voor de zaakvoerders. Dit alles wordt verder toegelicht in de tabel Vergelijking kosten die door het boekhoudkantoor wordt voorgelegd. Het niet bijdragen aan de groepsverzekering voor de vennoten in 2004 ten bedrage van euro 281.252,82 is een eigen keuze van de onderneming, maar hiertegenover staat dat de groepsverzekering voor de bestuurders voor dezelfde periode werd verhoogd met euro 36.036,51 en dit samen genomen met het dividend, de tantième en de reservering toont geenszins een economische achteruitgang aan. Op het sociale vlak toont zich dit in de stijging van de personeelskosten van euro 153.401,22 naar euro 174.385,98 ( p. 4, 2,I,C). De balansgegevens bevestigen dat het aantal personeelsleden gestegen is van 6 in 2003 naar 7 in 2004; in voltijds equivalenten gaat de stijging zelfs van 4,7 naar 6 en ook het aantal gepresteerde uren ging omhoog van 9.419 naar 9.797 (p. 10). Derhalve is evenmin een economische noodzaak aangetoond om in het personeelsbestand te snoeien. Ten overvloede kan opgemerkt worden dat de schulden op meer dan een jaar gedaald zijn van euro 45.554 naar euro 26.639, terwijl de schulden op ten hoogste één jaar dan weer stegen van euro 337.243 naar euro 357.948 (p. 3). Dit zijn geen exponentiële verschillen, die toelaten te besluiten tot een economisch ongunstige situatie. De cijfers die door de N.V. worden voorgebracht tonen dus niet aan dat de economische situatie de objectieve en reële reden was voor het ontslag van mevrouw L.. Wat betreft het gebrek aan werk kan men er niet aan voorbijgaan dat kandidaat gerechtsdeurwaarder D. in de associatie werd opgenomen en dat men hierdoor een aanbreng van minimum bijkomend 800 akten per jaar voorzag, zoals blijkt uit het protocol van samenwerking dat met hem werd gesloten op 1 juni
- Uit de aanstellingsdocumenten van het parket blijkt dat de heer D. reeds in de maand mei 2004 voor plaatsvervanging was aangeduid. Door deze verwachte aangroei van dossiers kan aangenomen worden dat de dossiers met een juridische moeilijkheidsgraad, waarin mevrouw L. werkte, niet op een dergelijke wijze verminderden dat er voor haar geen werk meer was. Alleszins toont de N.V. op dit punt de realiteit van de door haar ingeroepen redenen niet aan.
- Terecht heeft de eerste rechter vanuit de door de N.V. voorgebrachte cijfers, zoals ze terug te vinden zijn in de officiële jaarrekeningen, vastgesteld dat de statistieken over enkele cliënten weinig belang vertonen in verband met het aan te brengen bewijs, temeer daar de opname van kandidaat gerechtsdeurwaarder D. tot een aangroei van cliënteel diende te leiden. De ontslagbeslissing van mevrouw L. dateert van het tweede kwartaal 2004 ( 24 juni 2004); in dit kwartaal werden er 2.449 akten betekend, terwijl in het tweede kwartaal 2003, 2.625 akten werden betekend, zijnde een daling in 2004 met
- De tewerkstelling eindigde in het derde kwartaal 2004, dan werden er 2.766 akten betekend tegenover 2.395 akten in het overeenstemmende kwartaal van 2003, wat dan weer een stijging geeft van
- Wanneer men de vergelijking over de twee kwartalen maakt dan werden er in 2003, 5.020 akten betekend tegenover 5.215 in 2004, of een stijging van
- Deze oefening toont aan dat men met statistieken naargelang welk standpunt men wil verdedigen, telkens in verschillende richtingen kan argumenteren. In geen geval ondersteunen ze een ernstige economische terugval van de activiteit van de N.V. Ook de nieuwsbrief van de Conferentie van de Vlaamse gerechtsdeurwaarders brengt geen elementen bij in verband met de concrete situatie van de N.V. Het hoort bij de belangenbehartiging van elke beroepsgroep dat af en toe wordt geklaagd over de eigen situatie. Waar men de aangroei van de tewerkstelling in 2004 vaststelt in de cijfergegevens van de sociale balans, kan men ook hier in het personeelsregister en de geschreven verklaringen van de personeelsleden geen overtuigend bewijs vinden in verband met de terugval van de economische situatie. Integendeel uit het personeelsregister blijkt dat tijdens het zwangerschapsverlof 2 bedienden werden aangeworven, m.n. de dames V. en B.. De vervanging van mevrouw H. in de plaats van mevrouw Dr. heeft geen relevantie, daar deze plaats vond in 2005, zijnde ruim na het ontslag van mevrouw L.. De personeelsverklaringen zijn allen opgesteld volgens een zelfde stramien en de dames V. en Dx bevestigen dat ze deze verklaringen schreven ter ondersteuning van hun kantoor. Een louter geschreven verklaring van de eigen personeelsleden heeft in die omstandigheden onvoldoende objectieve bewijskracht om in te gaan tegen de gegevens van de balans en de verlies- en winstregeling, die een officieel inzicht geven in de economische situatie. In deze omstandigheden hebben de bijkomende aangebrachte elementen onvoldoende bewijskracht om in hoofde van de N.V. aan te tonen dat het ontslag van mevrouw L. vreemd was aan haar lichamelijke toestand wegens haar zwangerschap en dat haar ontslag verband zou houden met de verminderde economische activiteit en het gebrek aan werk.
- Terecht heeft de eerste rechter dan ook de beschermingsvergoeding van artikel 40 van de arbeidswet toegekend en er is thans geen betwisting meer over de becijfering van het bedrag. Ten onrechte wil de N.V. de overeenkomst van 30 augustus 2004 voorstellen als een dading, terwijl er niet uit blijkt dat partijen wederzijdse toegevingen deden. Deze overeenkomst heeft enkel betrekking op het akkoord omtrent de opzeggingsperiode en de beëindigingdatum van de tewerkstelling, zonder betaling van een saldo loon. Oordeelkundig heeft de eerste rechter vastgesteld dat mevrouw L. aldus geen afstand heeft gedaan van haar recht op beschermingsvergoeding. Het hoger beroep is op dit punt dan ook ongegrond. De pro rata 13e maand.
- De N.V. betwist niet de oordeelkundige beoordeling van de eerste rechter op het zesde blad van het bestreden vonnis en ook het hof treedt deze motivering in verband met de contractuele verjaring bij. Evenzeer terecht heeft de eerste rechter erop gewezen dat de schade, volgend uit een misdrijf kan gevorderd worden volgens de termijnen die van toepassing zijn op de burgerlijke vordering uit een misdrijf, wanneer de tekortkoming aan de contractuele verplichting eveneens een misdrijf uitmaakt. (zie ook Cass., 7 april 2008, JTT 2008, 285; Soc. Kron. 2008, 448; L. Eliaerts, Loon als schadeherstel ex delicto revisited, Soc. Kron. 2008, 437-443). De N.V. Sacré wil echter betwisten dat de eindejaarspremie, toegekend in de individuele arbeidsovereenkomst loon uitmaakt en zij stelt dat de betaling ervan niet gebeurde als tegenprestatie voor de overeengekomen arbeid. In artikel 2 van de arbeidsovereenkomst is nochtans bepaald dat het loon naast het overeengekomen maandloon van 63.750 frank, tevens de 13e maand omvat. Deze overeengekomen 13e maand is dan ook loon in de zin van artikel 2 van de loonbeschermingswet van 12 april 1965 (Cass., 18 december 1974, JTT 1975, 53 met conclusie Openbaar Ministerie; Cass., 20 april 1977, R.W. 1977-78, 1871 met conclusie Openbaar Ministerie), zodat de niet-betaling van dit overeengekomen loon een misdrijf uitmaakt op grond van artikel 9, 11 en 42,1° van deze wet . Terecht heeft de eerste rechter dan ook de verjaringstermijn van artikel 26 van de V.T. Wb. Sv. toegepast en de vordering in verband met de overeengekomen 13e maand toegekend. Ook op dit punt is het hoger beroep ongegrond. Omtrent het saldo opzeggingsvergoeding en de vergoeding wegens advocatenkosten werd door mevrouw L. geen incidenteel beroep aangetekend, zodat deze onderdelen hier niet dienen te worden onderzocht. De vorderingen in tussenkomst en vrijwaring tegen de V.Z.W. Acerta.
- De N.V. Sacré M. & S. roept haar sociaal secretariaat in tussenkomst en vrijwaring wegens het onvoldoende accuraat geven van advies rond het ontslag van mevrouw L., meer bepaald wat betreft de duur van haar moederschapbescherming. Zij beroept zich hiervoor op de contractuele aansprakelijkheid van het sociaal secretariaat. Het sociaal secretariaat kan de omvang van haar contractuele aansprakelijkheid omschrijven in het aannemingscontract en deze contractuele regeling geldt dan als de wet van de partijen ( W. Reynders, De verhouding van de ESS met hun aangesloten leden, LA Roger Blanpain, p. 385).
- In artikel 4 van de overeenkomst tussen de N.V. en Acerta van 14 januari 1992 wordt o.m. bepaald :... De aangeslotene kan zich tot SBB ( rechtsvoorganger van Acerta) wenden voor inlichtingen in verband met de toepassing van de sociale wetgeving en de bedrijfsvoorheffing. De juridische dienst kan op schriftelijk verzoek adviezen verstrekken in verband met de geschillen omtrent de toepassing van deze wetgeving. ... Op verzoek van de aangeslotene en mits de schriftelijke overeenkomst, kan SBB andere taken dan deze ... hierboven omschreven, uitvoeren ten behoeve van de aangeslotene in de mate dat deze taken kaderen binnen zijn statutaire opdracht. ... Artikel 12 voegt daaraan toe : ... mondelinge adviezen en inlichtingen door SBB verleend worden louter als informatie verstrekt en kunnen door de aangeslotene nooit worden ingeroepen tegen SBB.
- De N.V. brengt noch een schriftelijk verzoek, noch een schriftelijke overeenkomst voor, waaruit zou blijken dat zij juridisch advies heeft gevraagd aan Acerta over de toepassing van de moederschapbescherming. Acerta betwist zelfs dat zij hierover mondelinge adviezen en inlichtingen aan de N.V. zou hebben gegeven, want zij stelt dat ze over het ontslag slechts voor de eerste maal iets vernam bij de loonopgave van augustus
- De N.V. bewijst niet dat er over het ontslag en over de moederschapbescherming contact is geweest met het sociaal secretariaat, alvorens ze de ontslagbeslissing nam op 24 juni
- Het feit dat de N.V. op dit punt op eigen houtje handelde wordt overigens aannemelijk gemaakt door de opzeggingstermijn van slechts twee maanden. Terecht heeft de eerste rechter dan ook vastgesteld dat de N.V. geen enkel bewijskrachtig gegeven voorlegt dat zij alvorens tot ontslag over te gaan hierover advies zou hebben ingewonnen bij haar sociaal secretariaat. De vordering in vrijwaring werd dan ook terecht afgewezen als zijnde ongegrond en ook het hoger beroep is op dit punt ongegrond. Intresten.
- Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen bepaalt dat de rente ingevolge de loonbeschermingswet berekend wordt op het loon vooraleer de in artikel 23 van deze wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht, maar deze bepaling kon volgens artikel 90 § 1 van de wet van 26 juni 2002 slechts in werking treden op een door de Koning te bepalen datum, wat gebeurde door de artikelen 1 en 2 van het K.B. van 3 juli 2005 ( inwerkingtreding op 1 juli 2005 op de lonen waarvan de betaling inging vanaf die datum). Door de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008) werd het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 bekrachtigd. Hieruit volgt dat de intresten op de toegekende bedragen kunnen berekend worden op de nettobedragen, daar de tewerkstelling beëindigd werd op 31 augustus 2004, zijnde vóór 1 juli
- OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch enkel gegrond wat betreft het onderdeel van de intresten. Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn onderdelen, behalve op het punt van de aanrekening van de wettelijke en gerechtelijke intresten; wijzigt het vonnis enkel op dit punt en vermeerdert de toegekende bedragen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op netto. Veroordeelt de N.V. Sacré M. & S. tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van mevrouw L. begroot op het basisbedrag rechtsplegingsvergoeding of euro 1.
- en aan de zijde van de V.Z.W. Acerta sociaal secretariaat eveneens begroot op euro 1.
- Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw L. REYBROECK, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De heer B. MUSSCHE, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS, L. REYBROECK, B. MUSSCHE. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 9 oktober 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091009.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.