← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091009.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 09 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091009.7 Rolnummer: 51.123 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-11-26 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-02 20:23 Fiche 1 Het voordeel van een aanvullende individuele pensioenbelofte dat toegekend wordt omwille van de arbeid, heeft een loonkarakter. Het tijdstip van betaling is geen constitutief bestanddeel van het loonbegrip, zodat een loonvoordeel betaalbaar kan zijn na het einde van de arbeidsovereenkomst. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Loonbegrip Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING - BESCHERMING VAN HET LOON. Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 2 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Nota: Gerangschikt onder III H art.

  1. Een andere kort inhoud is gerangschikt onder II R II en onder I B art.
  2. Fiches 2 - 3 Een aanvullende individuele pensioenbelofte wordt gebruikelijk door de werkgever toegekend om zich te verzekeren van de blijvende trouw van de bediende aan de onderneming. Rekening houdend met artikel 1135 B.W. gebieden zowel de billijkheid als het gebruik dat de werknemer bij een vervroegde uitdiensttreding slechts aanspraak kan maken op een pro rata uitkering van het beloofde bedrag. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Aanvullende pensioenen Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - AANVULLENDE PENSIOENEN - Aanvullende individuele pensioenbelofte (intern gefinancierd voor WAM-wet). Wettelijke bepalingen: Wet - 28-04-2003 - - - 36 ELI link Pub nr 2003022481 Nota: Gerangschikt onder II R II, eveneens gerangschikt onder I B art.
  3. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder III H art.
  4. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Algemeen (verbintenissen uit overeenkomst) Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - BURGERLIJK RECHT - Aanvullende individuele pensioenbelofte (intern gefinancierd voor WAM-wet). Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1135 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Nota: Gerangschikt onder I B art. 1135, eveneens gerangschikt onder II R II. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder III H art.
  5. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 9 OKTOBER
  6. 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: De Heer M. P., Appellant, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter A. Vermoortele loco Mter R. Vandeputte , advocaat te 7100 La Louvière Tegen :
  7. DE N.V. ETS. STILLEMANS, met zetel gevestigd te 1731 Zellik, Jan Tieboutstraat, 21, 2.De Vennootschap naar Duits recht STILLEMANS GmbH, met zetel gevestigd te Duitsland, 53577 Neustad/Wied, Im Marienfeld, 1, Geïntimeerden, appellanten op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter P. Serruys, advocaat te 1050 Brussel; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (2de kamer) op de openbare terechtzitting van 1 juni 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 25 juni 2008; - de besluiten en aanvullende synthesebesluiten voor geïntimeerden, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel, respectievelijk op 28 november 2008 en 3 april 2009; - de besluiten en aanvullende synthesebesluiten voor appellant neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel, respectievelijk op 27 februari 2009 en 15 mei 2009; - de bundel met stukken neergelegd door appellant ter griffie op 26 mei 2009; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting 11 september 2009; geïntimeerden leggen hun bundel neer, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. X X X
  8. FEITEN EN RECHTSPLEGING.
  9. De heer M. ondertekende op 19 mei 1986 een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd, waardoor hij met ingang van 1 juli 1986 in dienst kwam van de N.V. Ets. Stillemans als bediende met verantwoordelijkheden in de verkoops-, handels- en administratieve afdelingen van de onderneming. Deze verantwoordelijkheden werden gaandeweg uitgebreid. Toen hij in 1993 de functie bekwam van commercieel directeur, werd hij op 1 juli 1993 bijkomend in dienst genomen door de Duitse dochteronderneming, Stillemans GmbH, vennootschap naar Duits recht, omdat hij tevens verantwoordelijk was voor de Duitse markt.
  10. Op 16 december 1996 ondertekenden de heer M. en de N.V. Ets Stillemans een overeenkomst voor een aanvullende pensioenbelofte, die op 1 april 1997 in identieke bewoordingen werd hernieuwd. Deze luidde ( in vrije vertaling): Artikel
  11. De onderneming verbindt er zich toe, bij leven van de begunstigde werknemer, om op de eerste dag van de maand die volgt op zijn 60 jaar (zijnde 1 oktober 2022), een éénmalig kapitaal van 10.000.000 frank ( tien miljoen) te storten, waarvan de bedragen verschuldigd in toepassing van de fiscale en sociale bepalingen zullen worden afgetrokken. Artikel
  12. Op verzoek van de begunstigde kan een bruto bedrag vervroegd uitbetaald worden, maar slechts ten vroegste vijf jaar voor de voorziene pensioenleeftijd. Het brutobedrag zal verminderd worden met 3,3 % per begonnen vervroegd jaar. Artikel
  13. Bij overlijden van de begunstigde werknemer vóór de datum voorzien voor de storting van het pensioenkapitaal ( maar na 31 december 1998), zal zijn echtgenote op het ogenblik van het overlijden een kapitaal ontvangen gelijkwaardig aan het reeds op 31 december van het jaar, voorafgaand aan het overlijden, door de onderneming geprovisioneerde brutobedrag. Op dit kapitaal worden de verplichte fiscale en sociale afhoudingen ingehouden. Bij vooroverlijden van de echtgenote, zal dit kapitaal gestort worden aan de erfgenamen van de begunstigde werknemer, in de volgorde van de wettelijke erfopvolging en volgens dezelfde modaliteiten. Artikel
  14. De begunstigde werknemer verliest ieder recht op de voordelen vermeld in de huidige overeenkomst, indien er een einde gesteld zou worden aan de door hem in de onderneming uitgeoefende functies omwille van een dringende reden zonder opzeg, noch vergoeding. Artikel
  15. Bij fusie, splitsing of overdracht verbindt de onderneming zich ertoe dat de uit de fusie, splitsing of overdracht voortkomende onderneming de verbintenissen uit huidige overeenkomst zal naleven. Artikel
  16. Deze overeenkomst vervangt alle voorgaande akkoorden, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk betreffende om het even welk extra legaal pensioen, gesloten tussen de onderneming en de begunstigde werknemer, onder voorbehoud van het recht van de werknemer op het voordeel van een groepsverzekering. Bij schrijven van 25 mei 1998, aangetekend verzonden aan de heer M. op 28 mei 1998, beëindigde de N.V. Stillemans de arbeidsovereenkomst met een opzeggingstermijn van 13 maanden, ingaande op 1 juni
  17. Vervolgens betaalde de N.V. na verbreking van de overeenkomst op 15 januari 1999 een saldo opzeggingsvergoeding van euro 31.813,
  18. Op 15 januari 1999 beëindigde ook de vennootschap naar Duits recht Stillemans GmbH de arbeidsovereenkomst met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding van euro 2.078,
  19. Op 12 november 1999 stelde de raadsman van de heer M. de N.V. Stillemans in gebreke in betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van 996.682 frank, berekend op een opzeggingstermijn van 16 maanden, onder aftrok van 5,5 maanden. In het basisloon voor deze opzeggingsvergoeding werd voor de pensioenbelofte een bedrag van 200.000 frank opgenomen. Wat betreft de aanvullende pensioenbelofte nam de heer M. via zijn raadsman het standpunt in dat hij op zijn 60 jaar recht dient te hebben op het beloofde bedrag van 10 miljoen frank, maar hij stelde bij wijze van transactie voor dat er een vervroegde uitbetaling zou gedaan worden van 2 miljoen frank en een bijkomende betaling voor zijn opzeggingsvergoeding van 1 miljoen frank.
  20. Partijen kwamen hierover niet tot overeenstemming en op 12 januari 2000 dagvaardde de heer M. de N.V. Stillemans en de vennootschap naar Duits recht Stillemans GmbH in solidaire veroordeling tot betaling van euro 24.667,49 wegens aanvullende opzeggingsvergoeding, vermeerderd met interesten en kosten en teneinde te horen zeggen voor recht dat de beide vennootschappen solidair per 1 oktober 2022 een kapitaal van euro 247.893,52 (10 miljoen frank) verschuldigd zouden zijn. In de becijfering van het basisloon voor de opzeggingsvergoeding werd hierbij opnieuw een bedrag van 200.000 frank opgenomen voor de aanvullende pensioenbelofte. In besluiten wijzigde de heer M. deze vordering in de zin dat hij in hoofdorde de solidaire veroordeling van de beide vennootschappen vroeg tot betaling van: - euro 15.121,67 wegens aanvullende opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met interesten - een kapitaal van euro 247.894 te betalen op 1 oktober 2022 of ingeval hij voor deze datum zou sterven betaling van het kapitaal aan echtgenote of erfgenamen verworven op 31 december van het jaar voor het overlijden; in ondergeschikte orde, vroeg hij - aan de N.V. Stillemans betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 6.648,68, te vermeerderen met interesten en - aan Stillemans GmbH betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 32,30, te vermeerderen met interesten, alsook - de solidaire veroordeling tot betaling van een kapitaal van euro 247.894 te betalen op 1 oktober 2022 of ingeval hij voor deze datum zou sterven betaling van het kapitaal aan echtgenote of erfgenamen verworven op 31 december van het jaar voor het overlijden; in meer ondergeschikte orde, vroeg hij de solidaire veroordeling van beide vennootschappen tot betaling van: - euro 18.960,85 wegens aanvullende opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met interesten - een kapitaal van euro 15.780,46 te vermeerderen met interesten; in nog meer ondergeschikte orde vroeg hij - aan de N.V. Stillemans betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 17.697,88, te vermeerderen met interesten - aan Stillemans GmbH betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 32,30, te vermeerderen met interesten, alsook - de solidaire veroordeling tot betaling van een kapitaal van euro 15.780,46 te vermeerderen met interesten, telkens werd ook de veroordeling tot de kosten gevraagd.
  21. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank van Brussel van 1 juni 2007 werd de vordering ten aanzien van Stillemans GmbH ontvankelijk, maar ongegrond verklaard en werd de N.V. Stillemans veroordeeld tot betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 11.432,17, te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten op netto tot 16 november 2001 en met de gerechtskosten; Tevens werd gezegd voor recht dat de heer M. gerechtigd is op het verworven gedeelte van het kapitaal berekend tot op het einde van de arbeidsovereenkomst en betaalbaar op 1 oktober 2022; Het overige werd afgewezen als zijnde ongegrond.
  22. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 25 juni 2008, tekende de heer M. hoger beroep aan en vorderde hij de hervorming van het vonnis in volgende zin: in hoofdorde : - veroordeling van de N.V. Stillemans tot betaling per 1 oktober 2022 van een bedrag van euro 247.893,52 of ingeval hij voor deze datum zou sterven betaling van het kapitaal aan echtgenote of erfgenamen verworven op 31 december van het jaar voor het overlijden; - veroordeling van de N.V. Stillemans tot betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 9.050,44; - veroordeling van Stillemans GmbH tot betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 32,30 in ondergeschikte orde: - toekenning van het verworven gedeelte van het kapitaal wegens de pensioenbelofte, berekend tot op het einde van de arbeidsovereenkomst, maar betaalbaar op 15 januari 1999; - veroordeling van de N.V. Stillemans tot betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 17.697,44 - veroordeling van Stillemans GmbH tot betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 32,
  23. De vennootschappen tekenden op 28 november 2008 incidenteel beroep aan teneinde de gevorderde aanvullende opzeggingsvergoeding slechts gegrond te zien verklaren ten opzichte van de N.V. Stillemans ten bedrage van euro 4.131,30, hoogstens van euro 7.566,
  24. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep. Teneinde de betwistingen tussen de partijen op te lossen, moet eerst een antwoord gegeven worden op de draagwijdte van de aanvullende individuele pensioenbelofte, bezien vanuit het ontslag van de heer M.. De aanvullende individuele pensioenbelofte.
  25. Er is thans geen betwisting meer over het feit dat enkel de N.V. Stillemans kan aangesproken worden in verband met de aanvullende individuele pensioenbelofte, daar de vennootschap naar Duits recht Stillemans GmbH niet bij de overeenkomsten hierover betrokken was. De heer M. houdt voor dat de overeenkomsten van 16 december 1996 en 1 april 1997 een sui generis-karakter hebben ten aanzien van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Deze overeenkomsten vormen echter een onderdeel van de bestaande arbeidsovereenkomst; de aanvullende individuele pensioenbelofte werd immers gedaan omwille van de arbeidsrelatie tussen partijen, wat onder meer volgt uit de argumentatie van de heer M. dat de pensioenbelofte bezien moet worden als een vergoeding voor zijn jarenlange inspanningen. De heer M. zelf beschouwt derhalve dit voordeel als een tegenprestatie voor zijn arbeid, zodat het een essentieel onderdeel van zijn arbeidsovereenkomst vormt. Het is bovendien een in geld waardeerbaar voordeel, waarop de werknemer recht heeft ingevolge zijn dienstbetrekking ten laste van zijn werkgever. Uit zijn argumentatie volgt dus dat dit voordeel een loonkarakter heeft, zoals terecht door de eerste rechter vastgesteld. Dit leest men overigens ook in de omschrijvingen van de artikelen 1 en 3, waarin telkens vermeld wordt dat de uitbetaalde bedragen zullen verminderd worden overeenkomstig de fiscale en sociale bepalingen. De heer M. wordt in de overeenkomst bovendien aangeduid als de begunstigde bediende. Het voordeel vormt dan ook geen liberaliteit, doch staat in rechtstreeks verband met zijn arbeid. Het feit dat dit in een afzonderlijke overeenkomst werd bedongen, doet daaraan geen afbreuk.
  26. De eerste rechter gaat ervan uit dat loon niet meer betaalbaar kan zijn na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De uitbetaling van een loonvoordeel hoeft echter niet als dusdanig verbonden te zijn met de periodieke prestaties die in het kader van de arbeidsovereenkomst worden geleverd. Of betaling plaatsvindt vóór het begin van uitvoering, tijdens de uitvoering, tijdens een arbeidsonderbreking of na de beëindiging, is op zichzelf niet bepalend voor de aan- of afwezigheid van loon, daar het tijdstip van betaling geen constitutief bestanddeel van het loonbegrip is ( M. De Vos, Loon naar Belgisch arbeidsovereenkomstenrecht, Maklu, 2000, 1440, nr.903). Indien dit zo overeengekomen is, kan een loonvoordeel in verband met prestaties in het kader van de arbeidsovereenkomst betaalbaar zijn na het einde van de arbeidsovereenkomst ( vgl. Arbh. Brussel, 19 februari 2009, A.R. 46.268). In de betrokken overeenkomsten gingen de partijen akkoord om het loonvoordeel in beginsel ( behoudens toepassing van de artikelen 2 en 3) te betalen op 1 oktober
  27. Een overeenkomst, die wettig werd aangegaan, strekt degenen die deze hebben aangegaan tot wet.
  28. Een aanvullende individuele pensioenbelofte wordt gebruikelijk door de werkgever toegekend om zich te verzekeren van de blijvende trouw van de bediende aan de onderneming. De heer M. wil de draagwijdte van de overeenkomsten in verband met de aanvullende individuele pensioenbelofte verbinden met de prestaties, die hij tot aan het afsluiten van de overeenkomst reeds had geleverd, waardoor hij het standpunt inneemt dat deze overeenkomsten in feite los kwamen te staan van de nog te leveren prestaties. Het hof kan deze voorstellingswijze niet volgen, daar ze niet de gemeenschappelijke bedoeling van partijen bij het afsluiten van deze overeenkomsten weergeeft. Immers, indien dit zo zou geweest zijn, dan had het geen enkele zin dat de overeenkomst op 1 april 1997 hernieuwd werd. Deze hernieuwing beduidt dat het voordeel wel degelijk verband hield met de lopende arbeidsprestaties en sluit aan bij de gebruikelijke betekenis van een pensioenbelofte, die beoogt zich te verzekeren van de blijvende inzet van de werknemer voor de onderneming. Wanneer het verder zetten van de lopende arbeidsprestaties door een ontslag niet meer mogelijk is, kan door het ontbreken van deze prestaties ook geen tegenprestatie verwacht worden, zodat de N.V. Stillemans ook geen verdere provisionering diende te doen. Op grond van artikel 1135 B.W. verbinden overeenkomsten niet alleen tot hetgeen daarin uitdrukkelijk is bepaald maar ook tot alle gevolgen die door de billijkheid, het gebruik of de wet aan de verbintenis, volgens de aard ervan, worden toegekend ( men leze in dit verband, wat betreft de aanvulling van overeenkomsten, R. Kruithof, La théorie de l' apparence dans une nouvelle phase, R.C.J.B. 1991, 51-92, meer bepaald p. 80-86, nrs. 28 -34). De hierboven toegelichte gebruikelijke betekenis van een aanvullende individuele pensioenbelofte wordt in de overeenkomsten tussen partijen geenszins uitgesloten, wel integendeel.
  29. Naast de opeenvolging van de overeenkomsten van 16 december 1996 en 1 april 1997, voorziet artikel 3 van deze overeenkomsten dat het beloofde kapitaal jaarlijks voor een gedeelte geprovisioneerd wordt. Beide partijen brengen de tabel voor, die hierbij gehanteerd wordt. De heer M. van zijn kant brengt uittreksels uit de jaarrekeningen voor waaruit de effectieve jaarlijkse provisionering blijkt. Deze jaarlijkse opbouw ondersteunt de vaststelling dat men, behoudens de hypothese van artikel 4 in verband met ontslag om dringende reden, uitgegaan is van een verwachte vastheid van betrekking voor de heer M. tot aan zijn normale pensioenleeftijd. Terecht onderstreept de N.V. Stillemans dat de heer M. hiervan op de hoogte was, omdat hij bij zijn ingebrekestelling via zijn raadsman van 12 november 1999 een aanvullende opzeggingsvergoeding vorderde, waarbij hij in het basisloon een bedrag van 200.000 frank opnam wegens pensioenbelofte (het jaarlijks geprovisioneerde bedrag bedroeg volgens de tabel 195.643 frank.) Ook in de inleidende dagvaarding handhaafde de heer M. nog deze berekeningswijze van het basisloon. De overeenkomsten in verband met de pensioenbelofte dienen door de partijen te goeder trouw te worden uitgevoerd en dit houdt in dat men niet kan voorbij gaan aan de jaarlijkse opbouw via provisionering van het uiteindelijk beloofde pensioenkapitaal, dat dus in verband staat met de verhoopte blijvende inzet van de heer M. voor het welslagen van de onderneming totdat hij de leeftijd van 60 jaar zou hebben bereikt op 1 oktober
  30. Rekening houdend met artikel 1135 B.W. gebieden zowel de billijkheid als het gebruik dat de heer M. bij een vervroegde uitdiensttreding slechts aanspraak kan maken op een pro rata uitkering van het beloofde bedrag. Het feit dat de pensioenbelofte niet extern gefinancierd wordt door premiebetaling doet daaraan geen afbreuk.
  31. Gelet op de uitdrukkelijke bepaling in artikel 1 van de overeenkomst is het voordeel betaalbaar op 1 oktober 2022, voor zover de heer M. geen aanspraak maakt op de toepassing van artikel
  32. Zijn vraag tot het toekennen van dit voordeel per 15 januari 1999 is derhalve in strijd met de verbindende kracht van de overeenkomst, zodat zijn vordering in ondergeschikte orde ongegrond is. De beslissing van de eerste rechter kan dan ook worden bijgetreden, zij het op aangepaste gronden. De opzeggingsvergoedingen.
  33. Uit het bovenstaande volgt dat voor de berekening van het basisloon van de opzeggingsvergoeding, verschuldigd door de N.V. Stillemans, rekening moet gehouden worden met het voordeel van de aanvullende individuele pensioenbelofte. Partijen zijn het erover eens dat dit voordeel moet worden begroot op euro 4.849,
  34. Omtrent de forfaitaire onkostenvergoeding treedt het hof de beoordeling van de eerste rechter bij dat dit geen verdoken loon is en niet dient te worden opgenomen in basisloon, omdat de heer M. met zijn functie en verantwoordelijkheden regelmatig kleine onkosten diende te betalen voor rekening van zijn werkgever, die maandelijks op forfaitaire wijze konden worden vergoed a rato van euro 123,
  35. De heer M. brengt in zijn syntheseberoepsconclusie overigens geen argumenten aan om dit standpunt te weerleggen. Partijen brengen nog wel een andere berekeningswijze voor met betrekking tot het jaarlijkse brutoloon. De eerste rechter heeft zich terecht samen met de heer M. gesteund op de gegevens van de individuele rekening 1998, waaruit volgt dat naast het gewone maandelijks loon ook nog andere betalingen gebeurden, waarop R.S.Z.- bijdragen werden aangerekend, zodat deze bijkomende betalingen eveneens kunnen aanvaard worden als behorend tot het lopende loon. De berekening van de N.V. Stillemans, gebaseerd op het C4-formulier is dan ook onvolledig. De eerste rechter heeft het basisloon terecht begroot op euro 61.052,
  36. De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, JTT 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen ( Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153). Mits een juiste evaluatie te geven aan de anciënniteit ( 11 jaar en 11 maanden), de leeftijd ( 35 jaar en 8,5 maanden), de functie en het jaarloon ( euro 61.052,83) kan de opzeggingsvergoeding worden begroot op 14 maanden, zodat, rekening houdend met de gepresteerde opzeggingstermijn van 5,5 maanden, er nog recht is op een saldo opzeggingsvergoeding van 8,5 maanden of euro 61.052,83 x 8,5/12 = euro 43.245,75 - uitbetaalde bedrag euro 31.813,58 blijft euro 11.432,17 De becijfering door de eerste rechter is dan ook correct, zodat het hoger beroep en het incidenteel beroep op dit punt ongegrond zijn.
  37. Wat betreft de opzeggingsvergoeding, uitbetaald door de vennootschap naar Duits recht Stillemans GmbH, steunt de heer M. zijn aanspraak voor het kleine saldo van euro 32,30 op een beweerd jaarloon van euro 4.221,96, dat zou moeten kunnen afgeleid worden uit zijn stuk
  38. Het hof kan in dit document het voorgehouden bedrag niet terugvinden, zodat geen afdoende verantwoording gegeven wordt voor het openstaan van een zogenaamd saldo. Ook op dit punt is het hoger beroep ongegrond. Intresten.
  39. De eerste rechter heeft de intresten terecht op netto toegekend. De intresten werden wel slechts toegekend tot 16 november 2001, omdat nadien de procedure door de heer M. niet meer werd geactiveerd. De heer M. brengt geen grieven aan tegen deze beoordeling door de eerste rechter, doch beperkt zich in het beschikkend gedeelte van zijn syntheseconclusie tot het vorderen van intresten vanaf de datum van opeisbaarheid. Bij gebreke aan grieven tegen het vonnis van de eerste rechter, dient de beoordeling in verband met de intresten te worden bevestigd, doch deze beoordeling kan niet worden doorgetrokken tot de behandeling in hoger beroep, zodat ze slechts geldt tot aan de datum van het vonnis, met name 1 juni
  40. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis, met dien verstande dat de gerechtelijke intresten opnieuw verschuldigd zijn vanaf 1 juni 2007 tot aan de datum van betaling. Veroordeelt de heer M. tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van de vennootschappen alsook aan zijn zijde begroot op rechtsplegingsvergoeding beroep basisbedrag euro 7.000 Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw L. REYBROECK, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De heer B. MUSSCHE, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS, L. REYBROECK, B. MUSSCHE. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 9 oktober 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091009.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.