id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 09 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091009.8 Rolnummer: 46.548 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-02-17 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-02 20:22 Fiche Een gedwongen tussenkomst is slechts mogelijk indien de tussenkomende partij haar verweermiddelen nog kan laten gelden. Een eis tot bindendverklaring van een reeds tussen andere partijen gewezen beslissing kan geen eis tot gedwongen tussenkomst meer zijn en is een hoofdvordering die niet voor de eerste maal in graad van hoger beroep kan worden gesteld. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Tussenkomst - Gedwongen Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Vordering tot gemeenverklaring na beslissing over hoofdvordering. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 812 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 9 OKTOBER
- DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Heropening der debatten In de zaak: De Heer V.L. G., Appellant, vertegenwoordigd door Mter M. Dacosta Aguiar loco Mter W. Van Roeyen, advocaat te 9051 Gent; Tegen : DE N.V. DOCPHARMA, met maatschappelijke zetel gevestigd te 3001 Leuven (Heverlee), Ambachtenlaan, 13 H, H.R. Leuven 102.868, ondernemingsnummer 0465.350.075, Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter E. Nieuwdorp loco Mter J. Cansse, advocaat te 9000 Gent; DE V.Z.W. PARTENA, SOCIAAL SECRETARIAAT VOOR WERKGEVERS, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Kartuizerstraat, 45, Partij in tussenkomst en gemeenverklaring, vertegenwoordigd door Mter G. Coning loco Mter R. Desmet, advocaat te 2530 Boechout; ó ó ó Na beraadslaging, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis a quo, op tegenspraak gewezen door de 1ste kamer B van de Arbeidsrechtbank te Leuven op 3 maart 2005 in A.R. nr. 3064/03; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 8 april 2005; - de besluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie van dit Hof op 7 juli 2005; - de besluiten voor appellant neergelegd ter griffie van dit Hof op 5 oktober 2005; - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest van het Arbeidshof te Brussel van 22 december 2006; - de dagvaarding in tussenkomst en gemeenverklaring van 21 juni 2007; - de besluiten na tussenarrest voor appellant neergelegd ter griffie op 28 november 2008; - de besluiten, tweede besluiten en aanvullende synthesebesluiten na tussenarrest voor de V.Z.W. Partena neergelegd ter griffie, respectievelijk op 3 november 2008, 5 februari 2009 en 6 mei 2009; - de besluiten en synthesebesluiten na tussenarrest van de N.V. DOCPHARMA neergelegd ter griffie, respectievelijk op 5 januari 2009 en 6 april 2009; - de voorgelegde stukken; Gehoord partijen in hun middelen en verdediging op de openbare terechtzitting van 25 september 2009, waar de zaak ab ovo gepleit werd met een anders samengestelde zetel, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x x RETROAKTEN EN VERDERE RECHTSPLEGING.
- Het hof verwijst naar het tussenarrest van 22 december 2006, waarin de betwisting tussen de heer V.L. G. en de N.V. Docpharma werd onderzocht en grotendeels beslecht. In dit tussenarrest wordt de vordering van de heer V.L. reeds in volgende mate gegrond geacht dat wordt gezegd voor recht dat hij vanaf 5 maart 2003 recht heeft op aanvullende vergoedingen conventioneel brugpensioen ten laste van de N.V. Docpharma en dat zij alzo reeds wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoedingen vanaf 5 maart 2003, op dat ogenblik voorlopig provisioneel begroot op euro 5.000, te vermeerderen met verwijlintresten vanaf 3 juni 2003 en met de gerechtelijke intresten. Tevens wordt de N.V. veroordeeld tot afgifte van een C4- formulier brugpensioen onder verbeurte van een dwangsom. Wat betreft de verdere begroting en de tegenvordering van de N.V. Docpharma worden de debatten heropend. Tevens had de N.V. Docpharma voorbehoud gemaakt om haar sociaal secretariaat in tussenkomst en vrijwaring te kunnen dagvaarden voor zover het arbeidshof de aanvullende vergoedingen brugpensioen zou toekennen. De heer V.L. verzette zich niet tegen dit verzoek, zodat dit door het hof werd ingewilligd. De kosten werden aangehouden.
- Op 3 mei 2007 dagvaardde de N.V. Docpharma de V.Z.W. Partena Sociaal Secretariaat voor werkgevers ( hierna afgekort tot Partena) in tussenkomst en gemeenverklaring en vroeg dat de Partena zou worden veroordeeld om tussen te komen in deze procedure teneinde er te horen zeggen voor recht dat zij verkeerd heeft geadviseerd en begeleid bij het ontslag van de heer V.L. bij diens aanspraken op een brugpensioen. Zij vraagt dat er zou worden gezegd voor recht dat de inhoud van het arrest van 22 december 2006 aan Partena tegenstelbaar zou zijn en dat daarom voorbehoud zou worden verleend om een burgerrechtelijke procedure jegens de V.Z.W. in te leiden voor zover deze niet op vrijwillige basis de gevolgen van haar foutief advies ten laste zou willen nemen. In haar latere beroepsbesluiten herformuleert de N.V. Docpharma deze vordering in tussenkomst in de zin dat het tussen te komen arrest aan Partena in zijn motiveringen en dispositief gemeen en tegenstelbaar dient te worden verklaard en dat er zou worden gezegd voor recht dat Partena aan de N.V. een foutief advies heeft verstrekt met betrekking tot de ontslagregeling van de heer V.L. en diens rechten op een conventioneel brugpensioen.
- Wat betreft de verdere uitwerking van de oorspronkelijke hoofdvordering laten partijen aan het hof weten dat ze op basis van het tussenarrest een volledige afrekening hebben kunnen maken, zodat inmiddels hoofdsom en intresten geregeld zijn. Ze vragen enkel nog een uitspraak over de gerechtskosten. Wat betreft de oorspronkelijke tegenvordering van de N.V. Docpharma zijn partijen het eens dat deze zonder voorwerp is geworden ingevolge de inhoud van het tussenarrest. Wat betreft de vordering in tussenkomst en gemeenverklaring, betwist Partena de ontvankelijkheid van deze vordering en in ondergeschikte orde meent zij dat de vordering eveneens ongegrond is wegens gebrek aan bewijs. Enkel dit onderdeel dient thans nog te worden beslecht. BEOORDELING.
- Partijen zijn het erover eens dat in verband met een vordering in tussenkomst in graad van hoger beroep rekening dient te worden gehouden met artikel 812 Ger. W., dat bepaalt: Tussenkomst kan geschieden voor alle gerechten, ongeacht de vorm van de rechtspleging, zonder dat echter reeds bevolen onderzoeksverrichtingen afbreuk mogen doen aan de rechten van de verdediging. Tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling kan niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep. De gedwongen tussenkomst van een derde is in beroep mogelijk indien zij van bewarende aard is, ( Cass., 21 oktober 1977, Arr. Cass. 1978, 242) zodat een gedwongen tussenkomst strekkende tot de gemeenverklaring van een arrest, zonder veroordeling van de tussenkomende partij, mogelijk is. ( J. Petit, Arbeidsgerechten en sociaal procesrecht, APR, 1980, p. 290, nr. 468). De vordering tot bindendverklaring heeft alleen tot doel te beletten dat de gedagvaarde partij in een ander geding zou kunnen aanvoeren dat deze beslissing tegen hem niet kan worden tegengeworpen. ( Cass., 21 oktober 1977, Arr. Cass. 1978,2 143)
- Een gedwongen tussenkomst is echter slechts mogelijk indien de tussenkomende partij haar verweermiddelen nog kan laten gelden en het behoort aan de rechter om in die zin over de toelaatbaarheid van de gedwongen tussenkomst te beslissen ( J. Petit, a. w., p. 287, nr. 466). Deze auteur wijst op Cass. 24 mei 1968, Arr. Cass. 1968,
- Volgens dit arrest is een eis tot bindendverklaring van een reeds tussen andere partijen gewezen beslissing geen eis tot gedwongen tussenkomst. Een dergelijke vordering kan dus niet meer als een tussenkomst aangezien worden ( J. Petit, a. w., p. 288, nr. 466). Dit hof treedt deze stelling bij. Bovendien stelde het Hof van Cassatie reeds in een arrest van 6 mei 1991 (Arr. Cass. 1990-91, 895 met conclusie Openbaar Ministerie; R.W. 1991-92, 572) dat niet meer kan worden tussengekomen nadat een rechtsinstantie een vordering reeds had toegewezen (zie eveneens het lezenswaardige vonnis Vred. Westerlo, 20 november 2008, R.W. 2009-10, 170 en de in dit vonnis aangehaalde rechtsleer).
- In zoverre de N.V. Docpharma de veroordeling beoogt van Partena tot het horen zeggen voor recht dat deze laatste een foutief advies heeft verstrekt, beoogt zij een agressieve vordering in tussenkomst, wat gelet op artikel 812, tweede lid Ger. W. in graad van hoger beroep niet mogelijk is. Het feit dat geen pecuniaire vordering wordt gesteld, doet daaraan geen afbreuk. In die zin houdt Partena terecht voor dat dergelijke vordering onontvankelijk is. In zoverre de N.V. Docpharma de gemeenverklaring vraagt van het tussenarrest van 22 december 2006 aan Partena om te beletten dat deze in een ander geding zou kunnen aanvoeren dat dit tussenarrest tegen haar niet kan worden tegengeworpen, ziet het hof niet in welke verweermiddelen Partena op dit punt thans nog voor haar zou kunnen doen gelden. Een dergelijke vordering kan geen vordering tot tussenkomst meer zijn, maar dient als een hoofdvordering te worden ingediend, die niet voor het eerst in graad van hoger beroep kan worden gesteld. Ook op dit punt is de vordering van de N.V. Docpharma dus onontvankelijk. Het onderzoek van de overige middelen van Partena wordt hierdoor overbodig.
- De N.V. Docpharma werd zowel wat betreft de oorspronkelijke hoofdvordering van de heer V.L. als wat betreft haar vordering in tussenkomst in het ongelijk gesteld, zodat ze gehouden is de gerechtskosten te betalen. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Het tussenarrest van 22 december 2006 verder uitwerkend, Geeft akte aan partijen van hun onderlinge regeling wat betreft de hoofdvordering en van hun akkoord dat de tegenvordering zonder voorwerp is geworden. Verklaart de tussenvordering van de N.V. Docpharma ten aanzien van de V.Z.W. Partena Sociaal Secretariaat voor werkgevers, ingesteld bij dagvaarding van 3 mei 2007, onontvankelijk. Veroordeelt de N.V. Docpharma tot de gerechtskosten van de oorspronkelijke vordering en van haar tussenvordering, ten aanzien van de V.Z.W. Partena Sociaal Secretariaat voor werkgevers deze aan de zijde van de heer V.L. vereffend op - dagvaarding euro 98,70 - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 209,72 - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 900,00 totaal euro 1208,42 en aan de zijde van V.Z.W. Partena sociaal secretariaat voor werkgevers op euro 1.200 en door het hof herleid tot euro
- Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw L. REYBROECK, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De heer B. MUSSCHE, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS, L. REYBROECK, B. MUSSCHE. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 9 oktober 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091009.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.