id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 22 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091022.10 Rolnummer: 51.359 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-11-08 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-02 20:27 Fiche Op grond van art. 133 van het KB van 19 november 1998 moet de ambtenaar zelf bij aangetekende brief de onderbrekingsuitkeringen aanvragen bij het werkloosheidsbureau en dit d.m.v. het typeformulier overeenkomstig art.
- Op grond van art. 136 van het KB van 19 november 1998 gaat het recht op onderbrekingsuitkeringen voor een ambtenaar slechts in op de dag vermeld in de aanvraag van uitkeringen, wanneer het aanvraagformulier behoorlijk en volledig ingevuld op het werkloosheidsbureau toekomt binnen de termijn van twee maanden, die ingaat de dage na die welke is vermeld in de aanvraag. Wanneer dit document behoorlijk en volledig ingevuld, ontvangen wordt na die termijn, gaat het recht op uitkeringen pas in de dag van de ontvangst ervan. Overmacht Wanneer de aanvraagformulieren in het verleden door het tewerkstellend bestuur werden ingediend, kan de ambtenaar dit niet inroepen als overmacht, omdat overmacht enkel kan voortvloeien uit een gebeurtenis buiten de wil van de betrokkene die deze gebeurtenis niet kon voorzien noch voorkomen. Vertrouwensleer Evenmin kan de ambtenaar zich steunen op de vertrouwensleer, omdat er geen verschoonbare vergissing kan zijn, wanneer men de bestaande regelgeving niet nakomt. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Beroepsloopbaanonderbreking - Tijdskrediet - Loopbaanonderbreking - Algemeen Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - BEROEPSLOOPBAANONDERBREKING - Verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de Rijksbesturen - Onderbrekingsuitkeringen. Wettelijke bepalingen: Wet - 22-01-1985 - 99 - 30 ELI link Pub nr 1985021271 Koninklijk Besluit - 19-11-1998 - 133 - 33 ELI link Pub nr 1998002123 Koninklijk Besluit - 19-11-1998 - 134 - 33 ELI link Pub nr 1998002123 Koninklijk Besluit - 19-11-1998 - 136 - 33 ELI link Pub nr 1998002123 Nota: Geprangschikt onder II Q art. 99 (KB 19/11/1998, artt. 133, 134 en 136). Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN NEGEN. 7e KAMER onderbrekingsuitkeringen tegenspraak definitief In de zaak : S.J. , wonende te [xxx], appellante, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester P. Vanderosieren, advocaat te Overijse, tegen : 1.RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, eerste geïntimeerde, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester E. De Bock, advocaat te Vilvoorde; 2.INSTITUUT VOOR VETERANEN, NATIONAAL INSTITUUT VOOR OORLOGSINVALIDEN, OUD-STRIJDERS EN OORLOGSSLACHTOFFERS, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Regentlaan 45-46 tweede geïntimeerde, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester L. Defrancq loco meester F. Snijkers, advocaat te Zellik. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken : -het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de twintigste kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel, uitgesproken op 8 juli 2008; -het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie op 12 september 2008; -de conclusies; -de voorgelegde stukken. De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 3 september 2009, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 10 september 2009 zijn advies ter griffie neergelegd. Aan de partijen werd de mogelijkheid geboden om tot 24 september 2009 een repliek op dat advies ter griffie neer te leggen, waarna het arbeidshof de zaak in beraad nam om uitspraak te doen op heden. * * * FEITEN EN RECHTSPLEGING Mevrouw S.J. is sedert 1 september 1984 benoemd als opsteller bij het Instituut voor Veteranen, Nationaal instituut voor oorlogsinvaliden, oudstrijders en oorlogsslachtoffers ( hierna afgekort als IV-NIOOO) Vanaf 1 januari 1993 geniet zij van een halftijdse loopbaanonderbreking in het kader van het KB van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de Rijksbesturen. Zij ontvangt aldus onderbrekingsuitkeringen. Bij brief van 31 oktober 2003 vraagt mevrouw S.J. aan IV-NIOOO een verlenging van deze halftijdse loopbaanonderbreking voor het jaar 2004, wat haar door IV-NIOOO bij brief van 21 november 2003 in principe wordt toegestaan. De aanvraag hiertoe dient te gebeuren via het formulier C61B dat volgens de RVA bij haar nooit is toegekomen. Slechts op 26 juni 2004 maakt IV-NIOOO een duplicaat van het formulier C61B over aan de RVA, maar het ging hierbij om een document dat slechts werd ondertekend op 26 juli
- De RVA neemt vervolgens op 29 juli 2004 een administratieve beslissing, waarbij het recht op onderbrekingsuitkeringen aangevraagd vanaf 1 januari 2004, niet wordt toegekend vanaf die datum tot en met 28 juli 2004, en dit omwille van de laattijdige indiening met toepassing van artikel 136 van het KB van 19 november
- Vervolgens neemt de RVA een tweede beslissing op 3 augustus 2004, waarbij mevrouw S.J. toegelaten wordt tot het recht op onderbrekingsuitkeringen vanaf 29 juli 2004, zijnde de datum van ontvangst van een document C61B van 26 juli 2004 door het werkloosheidsbureau. Op 25 oktober 2004 dagvaardt mevrouw S.J. de RVA en vraagt zij de vernietiging van de beslissing van 29 juli 2004 en de veroordeling van de RVA tot het toekennen van onderbrekingsuitkeringen voor de periode van 1 januari 2004 tot 28 juli 2004, meer de interesten. Op 7 januari 2005 dagvaardt mevrouw S.J. het IV-NIOOO in tussenkomst en vraagt zij dat deze zou worden veroordeeld om haar het corresponderende bedrag aan onderbrekingsuitkeringen te betalen voor dezelfde periode, meer de interesten. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank van Brussel van 8 juli 2008 worden deze vorderingen ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 12 september 2008, tekent mevrouw S.J. hoger beroep aan tegen dit vonnis en herneemt ze haar oorspronkelijke vorderingen. BEOORDELING. Ontvankelijkheid Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. De aanvraag van onderbrekingsuitkeringen.
- Het KB van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de Rijksbesturen (BS 28 november 1998) bepaalt : Art.
- De ambtenaar die een onderbrekingsuitkering wenst te genieten, dient bij een ter post aangetekende brief een aanvraag in bij het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening bevoegd voor het ambtsgebied waarin hij verblijft. Die aanvraag wordt geacht te zijn ontvangen op de derde werkdag na de afgifte ervan ter post. Art.
- De aanvraag dient te gebeuren door middel van het formulier waarvan het model en de inhoud vastgesteld worden door het beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, mits zij worden goedgekeurd door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid. ... De aanvraagformulieren kunnen worden verkregen op het werkloosheidsbureau. Art.
- Elke verlenging of nieuwe aanvraag dient te worden ingediend met inachtneming van dezelfde formaliteiten en termijnen als een eerste aanvraag. Art.
- Het recht op uitkeringen gaat in op de dag vermeld in de aanvraag van uitkeringen, wanneer het aanvraagformulier behoorlijk en volledig ingevuld op het werkloosheidsbureau toekomt binnen de termijn van twee maanden, die ingaat de dag na die welke is vermeld in de aanvraag, en van datum tot datum berekend wordt. Wanneer dit document behoorlijk en volledig ingevuld, ontvangen wordt na die termijn, gaat het recht op uitkeringen pas in de dag van de ontvangst ervan. Indien het recht op uitkeringen op een latere datum ingaat overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid, wordt de ambtenaar, wat zijn bestuur betreft, toch geacht in loopbaanonderbreking te zijn vanaf de dag die op het aanvraagformulier is aangegeven.
- Uit deze bepalingen dient afgeleid te worden dat de verantwoordelijkheid voor de aanvraag van onderbrekingsuitkeringen bij de ambtenaar gelegd wordt en dat de procedure zo geregeld is dat er weinig ruimte openblijft voor misverstanden, aangezien de aanvraag moet worden ingediend bij een aangetekende brief volgens het geëigende aanvraagformulier C61B dat kan verkregen worden op het werkloosheidsbureau. Bij een laattijdige aangifte gaat het recht op uitkeringen pas in de dag van de ontvangst van dit formulier C61B. De bestreden beslissing van 29 juli 2004 is dan ook volledig in overeenstemming met deze bepalingen. De vraag tot vernietiging van deze beslissing van de RVA werd dan ook terecht door de eerste rechter ongegrond verklaard.
- Mevrouw S.J. kan zich niet beroepen op overmacht. Overmacht kan immers enkel voortvloeien uit een gebeurtenis buiten de wil van de betrokkene die deze gebeurtenis niet kon voorzien noch voorkomen (Cass. 9 oktober 1986, RW 1987-88, 778 met noot; Cass. 1 juni 1988, Arr. Cass. 1987-88, nr. 605) Omdat overmacht zich situeert buiten de wil van de betrokkene, mag de persoon die de regel moet nakomen en die hierbij overmacht inroept, zelf geen fout treffen. Er is immers een onmogelijkheid nodig om de regel te kunnen naleven en hierbij volstaat niet dat de naleving moeilijker is. (vgl. Arbh. Luik 25 januari 1989, T.S.R. 1989,218) Het feit dat in het verleden de aanvraagformulieren de facto door haar werkgever aan de RVA werden bezorgd, is dan ook geen geval van overmacht, want dit feit houdt niet in dat het voor mevrouw S.J. onmogelijk was om zelf tijdig het formulier C61B in te dienen volgens de procedure van artikel 133 tot 135 van het KB. Zoals het openbaar ministerie terecht opmerkt, geeft het dossier blijk van enige verwarring omtrent de mogelijke verzending van het formulier C61B door het tewerkstellend bestuur omstreeks november
- Bezwaarlijk kan op deze verwarring een situatie van overmacht worden gesteund, omdat de regelgeving precies deze onduidelijkheden heeft willen uitsluiten door in artikel 133 van het KB te bepalen dat de aanvraag in beginsel bij aangetekende brief dient te gebeuren. Wanneer mevrouw S.J. een andere weg kiest, dan is deze eigen keuze alleszins geen onvoorzienbare gebeurtenis buiten haar wil. Kon er voor mevrouw S.J. een rechtmatig vertrouwen zijn dat het formulier C61B regelmatig zou worden ingediend door IV-NIOOO?
- Alhoewel er zich in het verleden ook reeds moeilijkheden hadden voorgedaan in verband met de correcte en tijdige indiening van de formulieren C61B, ging mevrouw S.J. er van uit dat na haar aanvraag bij het tewerkstellend bestuur, IV-NIOOO verder zou instaan voor de indiening van het formulier C61B bij de RVA. Mevrouw S.J. steunde hiervoor op de handelwijze in het verleden. Mevrouw S.J. schijnt zich hierbij te beroepen op de vertrouwensleer. Deze leer kan echter niet ingeroepen worden om een duidelijke reglementaire verplichting terzijde te schuiven. In zoverre de vertrouwensleer gesteund is op het beginsel van de goede trouw, moet immers een onderscheid gemaakt worden tussen de subjectieve en de objectieve goede trouw. Het volstaat derhalve niet dat men niet wist dat de schijnbare toestand niet beantwoordde aan de realiteit, bovendien dient de vergissing verschoonbaar te zijn, wat inhoudt dat men ook niet hoefde te weten dat er een verschil was tussen schijn en werkelijkheid. ( R. Kruithof, La théorie de l' apparence dans une nouvelle phase, RCJB 1991, 71, nr. 20, die verwijst naar W. Van Gerven, Algemeen deel, p. 229, nr 85, die eraan toevoegt dat alleen het rechtmatig vertrouwen door de vertrouwensleer beschermd wordt). Bezien vanuit de duidelijke regelgeving, die de verantwoordelijkheid bij de ambtenaar legt, dient dan ook samen met het openbaar ministerie te worden vastgesteld dat mevrouw S.J. niet volledig vrijuit gaat in verband met de niet regelmatige indiening van de aanvraag en de daaropvolgende opvolging van haar dossier. Hieruit volgt meteen dat de vertrouwensleer hier niet kan worden ingeroepen, omdat ze hoefde te weten dat de door haar verwachte schijn i.v.m. de behoorlijke indiening van het aanvraagformulier niet in overeenstemming kon zijn met de werkelijkheid. Dit zou mogelijk anders kunnen zijn indien mevrouw S.J. zou aangetoond hebben dat ze aan het tewerkstellend bestuur een uitdrukkelijk mandaat tot indiening van de aangifte had gegeven, maar thans steunt zij zich enkel op haar eigen veronderstellingen, uitgaande van vroegere toestanden, waarbij zijzelf het risico heeft genomen om de regelgeving anders te zien toepassen dan voorgeschreven. Ze toont evenmin aan dat IV-NIOOO zich zou verbonden hebben om het formulier C61B in haar plaats bij de RVA in te dienen. De overige ingeroepen elementen kunnen geen afbreuk doen aan deze beoordeling. Het hoger beroep is dan ook ongegrond. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Gelet op het gedeeltelijk eensluidend advies van advocaat-generaal J.J. André, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 10 september 2009, waarop tijdige repliek van mevrouw S.J. van 24 september
- Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis, Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van mevrouw S.J., deze gerechtskosten aan de zijde van mevrouw S.J. en de RVA niet begroot, en aan de zijde van IV-NIOOO slechts begroot op rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 145,78 Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: L. Lenaerts raadsheer, voorzitter; I. Van Damme raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; K. Gacoms raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; S. Van der hoeven, griffier. L. Lenaerts S. Van der hoeven K. Gacoms I. Van Damme en uitgesproken op de openbare terechtzitting van tweeëntwintig oktober tweeduizend en negen van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel door: L. Lenaerts raadsheer, voorzitter, Bijgestaan door S. Van der hoeven griffier. L. Lenaerts S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091022.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.