id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 23 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091023.12 Rolnummer: 51366 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-10-25 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-02 20:29 Fiche Het begrip 'dezelfde werkgever' in artikel 82 § 2 van de AOW heeft enkel betrekking op de anciënniteit. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzegging Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - BEDIENDEN - Einde van de overeenkomst - Anciënniteit. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 82,§2 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 16 OKTOBER
- DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: DE N.V. SIMONE PERELE BENELUX, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1082 Brussel, Groot Bijgaardenstraat, 507, Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter C. Delporte, advocaat te 1200 Brussel; Tegen : De Heer P., Geïntimeerde, appellant op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter M.-Ch. Craen, advocaat te 2018 Antwerpen; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank van Brussel (2de kamer ) op de openbare terechtzitting van 13 juni 2008; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 16 september 2008; - de besluiten van geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 5 december 2008 en 8 december 2008 en de aanvullende en synthesebesluiten van geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 5 maart 2009 en 6 maart 2009; - de besluiten en synthesebesluiten van appellante neergelegd ter griffie, respectievelijk op 6 februari 2009 en 14 april 2009; - de bundels met stukken van appellante partij neergelegd ter griffie van dit Hof, respectievelijk op 16 april 2009 en 4 september 2009; - de bundel met stukken van geïntimeerde partij neergelegd ter griffie van dit Hof op 27 augustus 2008; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van18 september 2009, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.
- FEITEN EN RECHTSPLEGING.
- Op 8 mei 1990 ondertekende de heer P. een arbeidsovereenkomst als handelsvertegenwoordiger met de N.V. Sica, rechtsvoorganger van de N.V. Simone Perele Benelux in verband met de verkoop van de artikelen van het merk Simone Perele in de provincies Antwerpen en Limburg en in een gedeelte van de provincie Vlaams-Brabant. Hierdoor kwam hij in dienst op 15 mei
- In artikel 9 van de arbeidsovereenkomst was een niet-concurrentiebeding opgenomen. Van 23 maart 2007 tot 30 maart 2007 was de heer P. ziek en hij diende hiervoor een medisch attest van dokter Schoofs in, waarin vermeld werd dat hij de woning mocht verlaten. De werkhervatting was behoudens verwikkelingen voorzien op 31 maart
- De werkgever liet een controle uitvoeren door een controlegeneesheer, die zich op 28 maart 2007 bij de heer P. aanbood, maar hem niet thuis vond, waarna deze uitgenodigd werd om ten laatste op 29 maart 2007 met de controledokter contact op te nemen. De heer P. heeft daaropvolgend telefonisch contact opgenomen met het controlekantoor Mensura en met zijn werkgever en liet uitschijnen dat hij in de Ardennen verbleef om daar uit te rusten. De N.V. Simone Perele Benelux ( hierna aangeduid als Simone Perele) hoorde een gerucht dat de heer P. in werkelijkheid op reis naar Tignes was. Zij ondervroeg daarop intensief de heer P. op 23 april 2007 in het bijzijn van een gerechtsdeurwaarder, waarbij de heer P. volhield dat hij tijdens zijn ziekteverlof op een camping te Houffalize uitrustte. Men stelde vast dat er op deze camping geen reservatie voor de heer P. bekend was.
- Op 25 april 2007 beëindigde Simone Perele de arbeidsovereenkomst met dringende reden. Bij aangetekende brief van 27 april 2007 werden deze redenen als volgt gepreciseerd : ... Op 23 maart 2007 berichtte u mij telefonisch dat u volledig arbeidsongeschikt zou zijn vanaf dezelfde dag en dit tot en met 30 maart
- Dit werd ons bevestigd door een ziekteattest dat u ons liet geworden en waarin werd vermeld dat het verlaten van de woning toegelaten werd. Op 28 maart 2007 heb ik uw arbeidsongeschiktheid laten controleren. Uit het verslag dat ons werd overgemaakt bleek dat u niet te bereiken was op het ogenblik van het bezoek van de dokter en dat u zich diende aan te bieden op 29 maart
- Op deze datum heeft u zich niet aangeboden. Dezelfde dag heeft u mij opgebeld om mij te berichten dat u ingevolge uw arbeidsongeschiktheid beslist had om uit te rusten in de Ardennen omdat u omwille van uw werk overspannen was. Ik werd hiervan niet voorafgaandelijk op de hoogte gebracht. Op 20 april 2007 heb ik vernomen dat u in feite tijdens de laatste weken van maart, samen met uw familie en toekomstige familie op wintersportvakantie was in Tignes ( Frankrijk). Vermits wij reeds een werkvergadering hadden gepland op maandag 23 april 2007 heb ik van de gelegenheid gebruik gemaakt om u hieromtrent uitleg te vragen. Op mijn verzoek was een gerechtsdeurwaarder aanwezig op dit gesprek die voorafgaandelijk aan u werd voorgesteld. Tijdens dit gesprek heb ik u vermeld dat ik vernomen had dat u tijdens de laatste week van maart in Frankrijk zat. U ontkende dit feit na mij de vraag te hebben gesteld van wie ik die info had gekregen en bevestigde mij nogmaals dat u in de Ardennen verbleef tijdens uw week ziekteverlof, eind maart. Op de vraag waar u in de Ardennen verbleef, berichtte u mij : op Camping Moulin de Rensiwez. Dezelfde dag heb ik nog contact opgenomen met deze Camping en heeft men evenwel bevestigd dat voor de betrokken periode u daar geen reservatie had geboekt. U heeft dus duidelijk gelogen om uw verblijf in Tignes te verbergen tijdens die periode. U zult begrijpen dat omwille van al deze feiten wij niet verder in u ons vertrouwen konden behouden.
- Bij aangetekende brief van 11 mei 2007 heeft de raadsman van de heer P. dit ontslag gemotiveerd betwist en vroeg hij een opzeggingsvergoeding gelijk aan het loon van 18 maanden, toen becijferd op euro 46.097,73, alsmede een uitwinningsvergoeding van euro 15.365,90, loon april, pro rata eindejaarspremie, vertrekvakantiegeld, feestdagenloon, een morele schadevergoeding en commissielonen einde tewerkstelling. Deze aanspraken werden in een gemotiveerd schrijven van de raadsman van Simone Perele afgewezen.
- Partijen kwamen aldus niet tot overeenstemming en op 10 juli 2007 dagvaardde de heer P. zijn werkgever voor de arbeidsrechtbank te Brussel en vorderde betaling van : een opzeggingsvergoeding van 18 maanden of euro 88.600 een uitwinningsvergoeding van 6 maanden of euro 29.534 een pro rata 13e maand van euro 763,06 feestdagenloon van euro 286,50 een morele schadevergoeding wegens rechtsmisbruik van euro 12.500 advocatenkosten euro 2.750 achterstallige commissies geraamd op euro 7.500 ( provisioneel) en het vakantiegeld erop al deze bedragen te vermeerderen met wettelijke intresten, de gerechtelijke intresten en de kosten. Tevens werd afgifte gevraagd van de aangepaste fiscale en sociale bescheiden. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 13 juni 2008 werd deze vordering in volgende mate ontvankelijk en gegrond verklaard : een opzeggingsvergoeding van 17 maanden of euro 83.680,46 een uitwinningsvergoeding van euro 29.534 een pro rata 13e maand van euro 763,06 feestdagenloon van euro 286,50 al deze bedragen te vermeerderen met wettelijke intresten, de gerechtelijke intresten op bruto. De betwistingen omtrent de commissies werd naar de bijzondere rol verzonden en Simone Perele dienden tevens de aangepaste sociale en fiscale bescheiden af te leveren onder verbeurte van een dwangsom van euro 25 per ontbrekend document per dag vertraging bij gebrek aan aflevering binnen een termijn van één maand na betekening. Simone Perele werd tevens veroordeeld tot de gerechtskosten. De arbeidsrechtbank weerhield aldus de dringende reden niet en achtte tevens de uitwinningsvergoeding verschuldigd omdat cliënteel werd aangebracht. Rechtsmisbruik werd niet weerhouden. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 16 september 2008, tekende Simone Perele hoger beroep aan en vroeg dat de oorspronkelijke vordering volledig zou worden afgewezen als zijnde ongegrond. De heer P. tekende incidenteel beroep aan en hernam zijn oorspronkelijke vordering, met dien verstande dat het twistpunt omtrent de commissielonen tussen partijen werd geregeld en dat de vordering hierover beperkt bleef tot de intresten.
- BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep. De dringende reden.
- Op grond van artikel 35, 3° lid van de arbeidsovereenkomstenwet mag een ontslag om dringende reden niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept. Artikel 35, laatste lid, voegt hieraan toe dat de partij die een dringende reden inroept, het bewijs moet leveren dat zij deze termijn geëerbiedigd heeft. De kennisname van de feiten waarop het ontslag met dringende reden gesteund is, dient te gebeuren in hoofde van de persoon of het orgaan, bevoegd om tot ontslag over te gaan. De termijn van 3 werkdagen begint te lopen vanaf het ogenblik waarop de partij die ontslag betekent, voldoende kennis heeft van de feiten (Cassatie, 23 mei 1973, JTT 1973, 212 en Cassatie, 11 januari 1993, JTT 1993, 58). Alleen de dringende reden waarvan kennis is gegeven binnen drie werkdagen na het ontslag kan worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het ontslag zonder opzegging of vóór het verstrijken van de termijn ( art. 35, 4de lid arbeidsovereenkomstenwet). Artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet omschrijft de dringende reden als de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk onmogelijk maakt. Hieruit volgt dat 3 voorwaarden cumulatief aanwezig moeten zijn : - er moet een ernstige tekortkoming zijn van de werknemer, - die elke professionele samenwerking onmogelijk maakt, - en dit op een bijzondere manier met name onmiddellijk en definitief (zie. W. Van Eeckhoutte, Sociaal Compendium 04-05, nr. 5249). Artikel 35 laatste lid van de arbeidsovereenkomstenwet zegt dat de partij die een dringende reden inroept hiervan het bewijs dient te leveren. Benevens het foutief karakter zal de rechter dus tevens de ernst van de tekortkoming dienen te beoordelen (cfr. Mallie J., noot onder A.H. Brussel, 20.6.1980, T.S.R. 1981,41). Bij de beoordeling van een dringende reden dient uiteraard rekening te worden gehouden met de omstandigheden eigen aan de zaak. Het feit dat het ontslag om dringende reden rechtvaardigt, is immers het feit met inachtneming van alle omstandigheden die het feit het karakter geven van een zwaarwichtig motief (Cass., 13 december 1982, Arr. Cass., 1982-1983, 504; Cass., 16 juni 1971, JTT 1972, 37; Cass., 23 mei 1973, JTT 1973, 212). De tijdigheid van het ontslag.
- Wat betreft de tijdigheid van het ontslag, stelt het arbeidshof vast dat de werkgever slechts volledige klaarheid omtrent de ingeroepen feiten bekwam d.m.v. de ondervraging van de heer P. op 23 april 2007, zodat het ontslag op 25 april 2007 tijdig werd ingeroepen, waarna de redenen binnen de 3 werkdagen werden gepreciseerd op 27 april
- In de gegeven omstandigheden was de door de werkgever gevraagde uitleg immers noodzakelijk om voldoende zekerheid te verkrijgen omtrent het bestaan van het feit en de omstandigheden die er een dringende reden kunnen van maken (vgl. Cass., 5 november 1990, R.W. 1990-91, 1124; Arbeidshof Brussel, 23 januari 1991, T.S.R. 1991, 120). De inhoudelijke beoordeling van de dringende reden.
- Partijen bevestigen ons ter zitting dat ze het omtrent de materialiteit van de feiten zo goed als eens zijn en de heer P. erkent dat hij in de periode tussen 23 maart en 30 maart 2007 in Tignes ( Frankrijk) was om er uit te rusten tijdens een skivakantie. Partijen verschillen van mening of de in de ontslagbrief ingeroepen feiten het karakter van een dringende reden hebben. In zoverre de ontslagbrief verwijst naar de melding en de medische rechtvaardiging van de ziekteperiode, ziet het hof geen feiten die een ontslag om dringende reden kunnen verantwoorden. Immers in de ontslagbrief zelf wordt aangegeven dat de heer P. reeds op 29 maart 2007 zijn werkgever ingelicht had dat hij zich niet tot bij de controledokter kon begeven omdat hij overspannen was en elders uitrustte. In de mate de heer P. de controle onmogelijk maakte, kan hij geen aanspraak maken op gewaarborgd loon, zoals ook reeds de controledokter aan Simone Perele meedeelde (art. 31 §4 A.O.W.). Uit de ontslagbrief volgt echter dat de werkgever vooral de nadruk legde op het feit dat de heer P. foute informatie gaf over zijn verblijf tijdens deze ziekteperiode; hij verbleef niet in de Ardennen, doch was wel op skivakantie in Frankrijk. Dit wordt door de werkgever als een leugen omschreven, waardoor men geen verder vertrouwen in de heer P. kon hebben. Het hof treedt de werkgever bij dat de heer P. niet de waarheid verteld heeft en dat dit een inbreuk uitmaakt op de goede trouw, die geacht wordt tussen werkgever en werknemer te bestaan. Aldus beging de heer P. een fout. Maar in de gegeven omstandigheden van ernstige overspannenheid van de heer P. omwille van professionele en familiale redenen, wordt deze fout door het hof niet beschouwd als een ernstige tekortkoming die de professionele samenwerking onmiddellijk onmogelijk kon maken. Immers, de heer P. had reeds tijdens de ziekteperiode de werkgever verwittigd van het feit dat hij elders uitrustte, waardoor de controle van zijn ziekte niet kon plaatsvinden en dit gegeven werd klaarblijkelijk door de werkgever niet in vraag gesteld, daar de heer P. vanaf 31 maart 2007 gedurende meerdere weken zijn beroepsactiviteit kon voortzetten zonder hierover te worden geïnterpelleerd. De vraag dd. 23 april 2007 of de heer P. tijdens de ziekteperiode in de Ardennen dan wel in Frankrijk verbleef, heeft, ongeacht het feit dat de werkgever van zijn werknemer mag verwachten dat de waarheid wordt gesproken, niet een dermate relevantie dat ze een ontslag om dringende reden kan rechtvaardigen. Een dergelijke sanctie is disproportioneel, nu er ook andere sanctiemiddelen voor de werkgever beschikbaar zijn om op een gepaste wijze op deze leugen te reageren. De beoordeling zou anders kunnen zijn, indien zou blijken dat de heer P. door een geveinsde ziekteperiode een vooraf geplande vakantie had willen camoufleren. Dit wordt echter niet aangetoond. Er wordt immers voorgehouden dat omwille van de overspannenheid van de heer P. zijn vriendin had voorgesteld dat hij zou uitrusten tijdens het vakantieverblijf in Frankrijk, waaraan hij oorspronkelijk niet zou deelnemen. De verklaring van deze vriendin volstaat uiteraard niet als voldoende bewijs, wel brengt de heer P. aan dat hij op professioneel vlak werkbezoeken met klanten had gepland tijdens dezelfde periode tussen 23 en 30 maart 2007, zodat hij geenszins vooraf zinnens was mee naar Frankrijk te gaan. De bewijslast in verband met de dringende reden ligt echter bij de werkgever en deze toont in deze omstandigheden niet aan dat er een intentioneel misbruik van een ziekteperiode zou zijn. In deze concrete situatie aanvaardt het hof dan ook niet de dringende reden in de zin van een ernstige tekortkoming die de professionele samenwerking onmiddellijk onmogelijk zou maken. De overige ingeroepen elementen kunnen geen afbreuk doen aan deze beoordeling. Op dit punt is het hoger beroep ongegrond. De opzeggingsvergoeding.
- Daar de dringende reden niet aanvaard wordt, heeft de heer P. recht op een opzeggingsvergoeding, die gelijk is aan het lopende loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, JTT 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen ( Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153).
- Partijen hebben discussie over de samenstelling van het basisloon, meer bepaald wat betreft de waardering van het privaat gebruik van de bedrijfswagen BMW X3, het loonkarakter van de dagvergoedingen en van het privaat gebruik van laptop, internet, GSM. De waardering van het privaat gebruik van de bedrijfswagen dient op reële basis te geschieden en het hof kan dienaangaande de beoordeling van de eerste rechter bijtreden, wat inhoudt dat dit voordeel wordt geraamd op euro 400/maand. Als handelsvertegenwoordiger had de heer P. voorzeker regelmatig dagelijks kleine uitgaven, die een kost eigen aan de werkgever uitmaakten. Een forfaitaire raming van deze uitgaven a rato van euro 550/maand is in zijn specifieke situatie aanvaardbaar. Een dergelijke terugbetaling is geen voordeel verworven krachtens de overeenkomst en komt dan ook niet in aanmerking voor de berekening van het basisloon van de opzeggingsvergoeding. Daarbuiten gebruikte de heer P. privaat zijn laptop, internet, GSM en telefoonaansluiting. De werkgever brengt geen policy of richtlijnen voor, waaruit zou kunnen afgeleid worden dat deze voordelen beperkt zijn tot professioneel gebruik en dat het privaat gebruik aldus zou verboden zijn. Het privaat gebruik is dan ook een voordeel verworven krachtens de overeenkomst en de raming hiervan op euro 125 /maand is aanvaardbaar. Behoudens de onkostenvergoeding, kan de becijfering van het basisloon door de heer P. worden aanvaard ten bedrage van euro 59.068,58 - euro 550 = euro 58.518,
- Mits een juiste evaluatie te geven aan de anciënniteit ( 16 jaar en 8 maanden), de leeftijd ( 52 jaar), de functie ( handelsvertegenwoordiger) en het jaarloon ( euro 58.518,58) kan de opzeggingsvergoeding worden begroot op 17 maanden, hetzij euro 58.518,58 x 17/12 = euro 82.901,32 Het hoger beroep is zeer gedeeltelijk gegrond. Uitwinningsvergoeding.
- Artikel 101 van de arbeidsovereenkomstenwet kent aan de handelsvertegenwoordiger een recht op de uitwinningsvergoeding toe, indien aan 4 voorwaarden cumulatief wordt voldaan : - de arbeidsovereenkomst werd beëindigd door de werkgever zonder dringende reden, - de handelsvertegenwoordiger heeft aan de werkgever een cliënteel aangebracht, - hij is langer dan een jaar tewerkgesteld als handelsvertegenwoordiger, - de werkgever toont niet aan dat de handelsvertegenwoordiger door de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen nadeel heeft geleden.
- Simone Perele betwist de verschuldigdheid van een uitwinningsvergoeding, omdat niet aangetoond wordt dat de heer P. cliënteel zou hebben aangebracht. Artikel 105 van de arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat een concurrentiebeding ten gunste van de handelsvertegenwoordiger een vermoeden schept dat hij een cliënteel heeft aangebracht, maar dat de werkgever eventueel het tegenbewijs kan leveren. In artikel 9 van de arbeidsovereenkomst is een dergelijk beding opgenomen, zodat er in hoofde van de heer P. een vermoeden is van aanbreng van cliënteel. Simone Perele weerlegt dit vermoeden niet door de enkele voorlegging van de klantenlijst, waarop schrappingen zijn aangebracht. Simone Perele brengt immers geen gegevens naar voor in verband met het klantenbestand, zoals dit bestond bij de aanwerving van de heer P., zodat er geen nuttig beginpunt is van waaruit het al dan niet aanbrengen van cliënteel kan worden geëvalueerd. Evenmin is de omzet een bewijs van het niet aanbrengen van cliënteel. Simone Perele faalt dan ook in haar bewijslast. De uitwinningsvergoeding is verschuldigd, zij het dat deze dient te worden aangepast aan het hierboven becijferde jaarloon. Deze bedraagt derhalve euro 58.518,58 x 6/12 = euro 29.259,29 Pro rata 13e maand en feestdagenloon
- Simone Perele betwist enkel de verschuldigdheid van deze posten, omdat zij voorhoudt dat het ontslag met dringende reden terecht werd gegeven. Aangezien hierboven in andere zin werd geoordeeld, zijn deze posten verschuldigd en is het hoger beroep ongegrond. Schadevergoeding wegens rechtsmisbruik.
- De opzeggingsvergoeding heeft een forfaitair karakter en dekt de volledige schade die door het ontslag werd veroorzaakt, zowel de materiële als de morele schade ( Cass., 7 mei 2001, JTT 2001, 410). Gelet op het forfaitair karakter van de opzeggingsvergoeding kan een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht slechts worden toegekend voor andere schade dan deze die voortvloeit uit het verlies van de dienstbetrekking, m.a.w. voor schade die niet veroorzaakt is door het ontslag zelf, maar door met het ontslag gepaard gaande omstandigheden (Cass., 26 september 2005, Soc. Kron. 2006,69).
- Hierboven werd reeds vastgesteld dat de heer P. door te liegen over zijn verblijf tijdens een ziekteperiode een inbreuk maakte op de goede trouw, die ten grondslag ligt aan elke arbeidsovereenkomst. Hij kan dan ook bezwaarlijk aanspraak maken op een schadevergoeding wegens rechtsmisbruik, daar hij niet aantoont dat er een bijkomende en bijzondere fout in hoofde van de werkgever zou zijn, waardoor het ontslag als dusdanig kennelijk onredelijk zou zijn. Zowel de materiële als de morele schade die het gevolg was van zijn ontslag wordt immers op forfaitaire wijze gedekt door de opzeggingsvergoeding die hem wordt toegekend. Intresten op de commissielonen bij de beëindiging van de tewerkstelling.
- Partijen hebben het punt van de commissielonen bij einde tewerkstelling onderling geregeld. De heer P. brengt met zijn stuk 23 bewijs aan dat het commissieloon van euro 2.562,50 bruto slechts betaald werd op 4 oktober
- Hij vordert nog de wettelijke intresten vanaf 30 april 2007 tot aan deze betaaldatum. Dit kan worden toegekend. Voor het overige vindt het hof in de stukken van de heer P. geen bewijs dat een betaling zou gebeurd zijn na de datum van eisbaarheid. Intresten.
- Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen bepaalt dat de rente ingevolge de loonbeschermingswet berekend wordt op het loon vooraleer de in artikel 23 van deze wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht, maar deze bepaling kon volgens artikel 90 § 1 van de wet van 26 juni 2002 slechts in werking treden op een door de Koning te bepalen datum, wat gebeurde door de artikelen 1 en 2 van het K.B. van 3 juli 2005 ( inwerkingtreding op 1 juli 2005 op de lonen waarvan de betaling inging vanaf die datum). Door de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008) werd het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 bekrachtigd. Hieruit volgt dat de intresten op de toegekende bedragen kunnen berekend worden op de brutobedragen, daar de tewerkstelling beëindigd werd op 25 april 2007, zijnde na 1 juli
- Op de prejudiciële vraag, gesteld door het Arbeidshof Gent in zijn arrest van 27 juni 2008 heeft het Grondwettelijk Hof in zijn arrest 48/2009 van 11 maart 2009 inmiddels ontkennend geantwoord, zodat er geen schending van het gelijkheidsbeginsel weerhouden werd. Er is geen reden om deze prejudiciële vraag nogmaals te stellen. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en slechts gedeeltelijk gegrond, Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk, doch enkel gegrond wat betreft het onderdeel van de intresten. Hervormt het bestreden vonnis en veroordeelt de N.V. Simone Perele tot betaling aan de heer P. van volgende bedragen : een opzeggingsvergoeding van euro 82.901,32 een uitwinningsvergoeding van euro 29.259,29 een pro rata 13e maand van euro 763,06 feestdagenloon van euro 268,50 al deze bedragen te vermeerderen met wettelijke intresten vanaf 25 april 2007 en de gerechtelijke intresten op bruto Bevestigt het vonnis van de eerste rechter wat betreft de afgifte van de sociale en fiscale documenten en wat betreft de gerechtskosten eerste aanleg; Trekt de zaak aan zich wat betreft de betwisting over de commissielonen en veroordeelt de N.V. Simone Perele tot betaling van wettelijke intresten op het bedrag van euro 2.562,50 bruto vanaf 30 april 2007 tot 4 oktober 2007; Wijst al het meergevorderde af; Veroordeelt de N.V. Simone Perele tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van beide partijen begroot op het basisbedrag rechtsplegingsvergoeding euro 5.
- Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof op 16 oktober 2009, waar aanwezig waren : De Heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw L. REYBROECK, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, Mevrouw B. MUSSCHE, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS, L. LENAERTS, L. REYBROECK, B. MUSSCHE. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 16 oktober 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091023.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.