← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091023.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 23 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091023.14 Rolnummer: 51340 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-10-25 Raadplegingen: 125 - laatst gezien 2026-07-02 20:29 Fiche Er is sprake van overgang van onderneming, wanneer de exploitatie van de onderneming door de verkrijger wordt voortgezet met een zelfde of analoge activiteit. Gelet op artikel 8 van de CAO 32bis dienen de vervreemder en de verkrijger in solidum in te staan voor de op het tijdstip van de overgang bestaande schulden in verband met de arbeidsovereenkomst van deze bediende en vallen de schulden na die datum ten laste van de verkrijger. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsraad - Nationale arbeidsraad - W. 29 mei 1952 - Werking - art. 4 -10 Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN - NATIONALE ARBEIDSRAAD. Wettelijke bepalingen: Wet - 29-05-1952 - 5bis - 01 ELI link Pub nr 1952052902 Collectieve arbeidsovereenkomst met nummer - 32bis - 07-06-1985 - 6 - 31 Link Justel databank 19850607-31 Collectieve arbeidsovereenkomst met nummer - 32bis - 07-06-1985 - 7 - 31 Link Justel databank 19850607-31 Collectieve arbeidsovereenkomst met nummer - 32bis - 07-06-1985 - 8 - 31 Link Justel databank 19850607-31 Nota: Gerangschikt onder IV D 5bis - CAO 32bis - NAR 7/06/1985, artt. 6, 7 en

  1. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 23 OKTOBER
  2. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: DE B.V.B.A. BMS TRAVEL, , met maatschappelijke zetel gevestigd te 1780 Wemmel, De Limburg Stirumlaan, 97, BTW BE 0475.192.310- RPR Brussel Appellante, vertegenwoordigd door Mter Van den Bossche loco Mter E. Jacobs, advocaat te 1050 Brussel; Tegen : Mevrouw F. , Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mevr. M. De Ké, syndicaal afgevaardigde, drager van volmacht; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank van Brussel (12de kamer ) op de openbare terechtzitting van 9 mei 2008; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 10 september 2008 - de besluiten en synthesebesluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 12 december 2008 en 30 april 2009; - de besluiten voor appellante neergelegd ter griffie op 31 maart 2009; - de bundel met stukken neergelegd door geïntimeerde ter griffie op 13 augustus 2009 ; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 25 september 2009, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.
  3. FEITEN EN RECHTSPLEGING.
  4. Op 24 augustus 1998 ondertekenen de N.V. BMS. Isa en mevrouw F. een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, ingaande op 24 augustus
  5. Deze overeenkomst wordt op 24 februari 1999 vervangen door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 25 februari 1999 tot 30 september 1999 voor de functie van deskbediende (agent de comptoir), deze arbeidsovereenkomst wordt afgesloten met BMS Travel and Coach. Beide overeenkomsten vermelden een arbeidsrooster van 40 uur en worden langs werkgeverszijde ondertekend door afgevaardigde bestuurder, mevrouw Detaille Eliane. Tot en met juli 2001 worden loonstaten en individuele rekeningen opgemaakt voor de N.V. BMS. Vanaf 1 augustus 2001 worden loondocumenten en individuele rekeningen opgemaakt door B.V.B.A. BMS Travel. Alle individuele rekeningen verwijzen naar het PC
  6. Op 1 september 2003 ondertekent mevrouw F. andermaal een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, ditmaal met B.V.B.A. BMS Travel, vertegenwoordigd door mevrouw Gaëlle George, ingaande op 1 september
  7. Als functie wordt vermeld : verantwoordelijke reisagentschap diverse bureelwerken van de reisagentschap. Het arbeidsrooster omvat 38 uren per week. In artikel 4 wordt een bruto maandloon van euro 2.045 overeengekomen. Op 15 juli 2004 maakt mevrouw F. een einde aan deze arbeidsovereenkomst door opzegging, met een opzeggingstermijn van 6 weken, ingaand op 1 augustus
  8. Op 15 september 2004 ondertekent mevrouw George deze opzeggingsbrief voor akkoord. De B.V.B.A. levert een C4-formulier af waarin zij bevestigt dat mevrouw F. voor haar gewerkt heeft van 1 augustus 2001 tot 15 september
  9. Als bevoegd paritair comité wordt verwezen naar PC
  10. Op 17 januari 2005 stelt de vakorganisatie van mevrouw F. de B.V.B.A. BMS Travel in gebreke in betaling van een pro rata eindejaarspremie op grond van artikel 5 van de C.A.O. van 29 mei 1989 ( K.B. 10 november 2001), men verwijst naar een anciënniteit van meer dan vijf jaar, met name van 24 augustus 1998 tot 15 september
  11. Tevens wordt vertrekvakantiegeld 2004- 2005 gevraagd, samen met betaling van de vervangingsdagen voor de feestdagen van 1 mei en 15 augustus
  12. Ten slotte wordt afgifte gevraagd van de sociale documenten. Dit schrijven wordt door de B.V.B.A. betwist op 24 januari 2005, waarbij betaling van het vertrekvakantiegeld wordt aangekondigd en waarbij gewezen wordt op openstaande facturen in verband met niet professionele en privé telefoongesprekken. De vakorganisatie antwoordt hierop bij brief van 10 mei 2005 en gaat akkoord dat de rekening in verband met de telefoongesprekken in mindering wordt gebracht op het vertrekvakantiegeld, maar wegens nazicht van het dossier wordt nog achterstallig loon gevraagd, rekening houdend met het opleidingsniveau en de taak van mevrouw F.. Er wordt voor de periode vanaf augustus 1998 verwezen naar de classificatie van het PC 218 categorie 2; vanaf juli 2000 worden de baremalonen van de categorie 3 gevraagd; vanaf juli 2003 vraagt men de categorie 3, schaal II. Op basis van de arbeidsovereenkomst van 1 september 2003 wordt vanaf die datum een loonbedrag van euro 2.045 gevraagd. De afrekening resulteert in -een achterstallig loon van euro 4.601,41, te vermeerderen met het vakantiegeld hierop of euro 705,
  13. -een pro rata eindejaarspremie van euro 1.405,56 -het vakantiegeld hierop of euro 215,
  14. -vervangingsdagen voor feestdagen euro 194,62 -het vakantiegeld hierop of euro 29,
  15. -een overloontoeslag van euro 2.028 -het vakantiegeld hierop of euro 311,10 -gederfde inhaalrustdagen of euro 5.838,48 -het vakantiegeld hierop of euro 895,
  16. In een antwoordbrief van 18 mei 2005 betwist de B.V.B.A. deze vordering.
  17. Partijen komen zodoende niet tot overeenstemming en op 16 juni 2005 dagvaardt mevrouw F. de B.V.B.A. BMS. Travel voor de arbeidsrechtbank te Brussel in betaling van : -een achterstallig loon van euro 7.168 te vermeerderen met het vakantiegeld hierop of euro 1.099,57 -een pro rata eindejaarspremie, of euro 1.405,56 -het vakantiegeld hierop of euro 215,
  18. -vervangingsdagen voor feestdagen euro 194,62 -het vakantiegeld hierop of euro 29,
  19. -een overloontoeslag van euro 1.280,41 -het vakantiegeld hierop of euro 196,41 -gederfde inhaalrustdagen of euro 3.892,32 -het vakantiegeld hierop of euro 597,08 al deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten en de gerechtskosten. Tevens werd afgifte gevraagd van de aangepaste sociale en fiscale bescheiden onder verbeurte van een dwangsom. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank van Brussel van 9 mei 2008 wordt deze vordering ontvankelijk en gegrond verklaard, behalve wat betreft de vervangingsdagen voor feestdagen en het vakantiegeld hierop. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 10 september 2008, tekent de B.V.B.A. BMS Travel hoger beroep aan en vraagt dat de oorspronkelijke vordering ongegrond zou worden verklaard.
  20. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Samengevat, blijft er discussie bestaan over de onderdelen eindejaarspremie, loonclassificatie en overloon. De beoordeling door de eerste rechter van het onderdeel feestdagenloon wordt door mevrouw F. aanvaard; ze tekent geen incidenteel beroep aan. Wat betreft de eerste twee onderdelen rijst de vraag in hoeverre de N.V. BMS en de B.V.B.A. BMS Travel dienen beschouwd te worden als dezelfde werkgever en of er tussen deze vennootschappen kan gesproken worden van een overgang van onderneming in de zin van de C.A.O. 32bis. Overgang van onderneming.
  21. De C.A.O. 32 bis, afgesloten binnen de Nationale Arbeidsraad op 7 juni 1985 en algemeen verbindend verklaard bij K.B. van 25 juli1985 (B.S. 9 augustus 1985) betreft het behoud van rechten van werknemers bij de wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillisssement of gerechtelijk akkoord door boedelafstand. Zij werd gewijzigd bij C.A.O. 32 ter van 2 december 1986 (K.B. 2 december 1986, BS 28 januari 1987), C.A.O. 32 quater van 19 december1989 (K.B. 6 maart 1990, BS 21 maart 1990) en C.A.O. 32quinquies van 13 maart 2002 (K.B. 14 maart 2002, B.S. 29 maart 2002). Deze C.A.O. is de uitwerking naar Belgisch recht van de richtlijn 77/187 van 14 februari 1977 van de Raad van de Europese Gemeenschap, thans de Richtlijn 2001/23 van 12 maart
  22. De bepalingen ervan dienen dan ook richtlijnconform te worden geïnterpreteerd. De toepassing van de richtlijn en de C.A.O. 32 bis (hoofdstuk 2) is onderworpen aan de volgende voorwaarden : -er is een wijziging van werkgever, -krachtens een overeenkomst, -die de overgang van de onderneming, een vestiging of een onderdeel ervan betreft. De rechtspraak van het Hof van Justitie hanteert voor de toepassing van de richtlijn een zeer ruime interpretatie. Het Hof laat zich vooral leiden door het doel dat de richtlijn beoogde nl. de continuïteit van de arbeidsovereenkomst veilig te stellen in het raam van een bepaalde economische entiteit. Onder wijziging van werkgever wordt bedoeld dat een wijziging is opgetreden in de natuurlijke of rechtspersoon die de onderneming of een gedeelte ervan uitbaat ( H.v.J. 17 december 1987, 287/86, Jur.
  23. 5465 nr. 12). Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie is beslissend of de economische eenheid wordt bewaard (H.v.J. 19 september 1995, JTT 1996, 175 RO 15 met verwijzing naar het arrest Spijkers van 18 maart 1986, 24/85, Jur
  24. RO 11). Bepalend hiervoor zal zijn of de exploitatie van die entiteit door de verkrijger wordt voortgezet met dezelfde of een analoge economische activiteit (ibidem). Als indiciën kunnen onder meer in aanmerking worden genomen: - de aard van de betrokken onderneming of vestiging, - het feit dat de materiële activa zoals gebouwen en roerende goederen al dan niet worden overgedragen, - de waarde van de overgenomen immateriële activa, - de overname van het personeel, - de overname van cliënteel en de aard van de uitgeoefende activiteit, - de duur van een eventuele onderbreking van de activiteit (arrest Spijkers). Het is geenszins vereist dat alle activa worden overgenomen (H.v.J. arrest Spijkers RO 13; arrest Bork 15 juni 1988 Rec. 88 3057 RO 15; P.Crahay, La convention collective 32bis et le transfert d'entreprise, Soc. Kron. 91, p. 124). Evenmin is noodzakelijk dat de economische eenheid belangrijke materiële en immateriële activa omvat (H.v.J. 14 april 1994 Christel Schmidt JTT 1994, 282, noot Gosseries). De overdracht van materiële en/of immateriële activa is zelfs niet steeds noodzakelijk (H.v.J. 7 maart 1996, C171/94, Merckx en Neuhuys, JTT 1996, 165). Aldus is er sprake van overgang van onderneming, wanneer het handelsfonds en bijna het gehele personeel worden overgenomen (Arbeidshof Brussel, 16 april 2002, A. R. 41.710; Arbeidshof Luik, 28 maart 1984, JTT 364, noot TAQUET en WANTIEZ; PELTZER L., Conventionele overdracht van ondernemingen 2007, p. 105). Naar luid van art. 7 van C.A.O. 32bis die de tekst overneemt van art. 3 van de richtlijn, gaan de rechten en verplichtingen die voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomsten, door deze overgang over op de verkrijger. Deze overgang gebeurt van rechtswege (H.v.J 14 november 1996, C. Rotsart de Hertaing, JTT 1996, 496). De overgang van rechten en verplichtingen van de vervreemder op de verkrijger, zoals bepaald bij art. 7 C.A.O. geldt bij overdracht ten aanzien van al de werknemers die tewerk gesteld waren in de overgedragen onderneming, en dit niettegenstaande de andersluidende wil van de overdrager of de overnemer en niettegenstaande de weigering van deze laatste om zijn verplichtingen uit te voeren (H.v.J. 14 november 1996 Rotsard de Hertaing, JTT 1996, 496). Een andersluidende overeenkomst tussen vervreemder en verkrijger kan aan die werknemers niet worden tegengeworpen (W.Van Eeckhoutte, Sociaal Compendium, 04-05, nr. 5812). Krachtens de bepaling van art. 8 van C.A.O. 32 quater, waarbij C.A.O. 32 bis werd gewijzigd, zijn vervreemder en verkrijger in solidum gehouden tot betaling van de op het tijdstip van de overname bestaande schulden.
  25. Terecht heeft de eerste rechter er op gewezen dat enige tijd voor de faillietverklaring van de N.V. BMS op 22 januari 2002 de B.V.B.A. BMS Travel ( alsook de B.V.B.A. BMS Coach) werd opgericht op 2 juli 2001 ( B.S. 17 juli 2001). Deze vennootschappen werden geleid door dezelfde familie, met name de ouders Renotte-Detaille en dochter Gaëlle George. De arbeidsovereenkomsten van mevrouw F. van 24 augustus 1998 en 24 februari 1999 werden beiden ondertekend door mevrouw Detaille voor de N.V. BMS, die volgens de publicatie in het B.S. van 24 maart 2006 haar dochter Gaëlle George opvolgde als zaakvoerder van de B.V.B.A. BMS Coach. Deze laatste was ook zaakvoerder in de B.V.B.A. BMS Travel en ondertekende in die hoedanigheid overigens de arbeidsovereenkomst van mevrouw F. van 1 september 2003 , het akkoord met de ontslagbrief van 15 september 2004, het C4-formulier en de briefwisseling met de vakorganisatie na het ontslag. Volgens de loonbrieven van de N.V. BMS werkte mevrouw F. op de exploitatiezetel, Brusselsesteenweg 158 te 1780 Wemmel; op de individuele rekening 2001, 2002 vinden we hetzelfde adres voor de B.V.B.A. BMS Travel. Volgens stuk 19 van mevrouw F. was dit ook de maatschappelijke zetel van deze B.V.B.A. tot deze op 18 april 2003 verplaatst werd naar Limburg Stirumlaan 97 te Wemmel. Tevergeefs benadrukt appellante de verschillende bedrijfsactiviteit. ( N.V. BMS personenvervoer versus B.V.B.A. BMS Travel reisbureau) Deze activiteiten zijn complementair en betreffen een analoge activiteit. Mevrouw F. heeft immers haar werkzaamheid zonder onderbreking voortgezet en werd reeds in de arbeidsovereenkomst van 24 februari 1999 aangeduid als deskbediende (veelzeggend is dat in deze arbeidsovereenkomst de N.V. BMS benoemd wordt als BMS Travel and Coach - onze onderlijning) Ook in de arbeidsovereenkomst van 1 september 2003 wordt de verantwoordelijkheid van mevrouw F. voor het reisagentschap bevestigd. Terecht heeft de eerste rechter dan ook vastgesteld dat er een overname van onderneming ingevolge overeenkomst was in de zin van de C.A.O. 32bis; de N.V. BMS en de B.V.B.A. BMS Travel dienen beschouwd te worden als een zelfde werkgever in de zin van artikel 82 van de arbeidsovereenkomstenwet, gelet op de ononderbroken tewerkstelling in verwante ondernemingen. Het hof houdt hierbij geen rekening met het niet door de vennootschappen ondertekende document van het sociaal secretariaat over de overgang van personeel ( stuk 1d van mevrouw F.), maar steunt zich op de bovenstaande feitelijke elementen, die op de overeenkomst tot overgang wijzen. Pro rata eindejaarspremie en het vakantiegeld hierop.
  26. Uit alle sociale documenten volgt dat de B.V.B.A. BMS Travel ressorteert onder het paritair comité 218, zodat voor de aanspraak op een pro rata eindejaarspremie rekening moet worden gehouden met artikel 5 van de C.A.O. van 29 mei 1989 betreffende de loon en arbeidsvoorwaarden ( K.B. 10 november 2001, B.S. 14 februari 2002). Ingevolge deze bepaling heeft de werknemer die zelf ontslag neemt, enkel recht op een pro rata eindejaarspremie voor zover een anciënniteit in het bedrijf van minstens vijf jaar kan worden bewezen. Partijen hebben discussie over de vervulling van deze voorwaarde. Gelet op wat hierboven onder
  27. werd vastgesteld, was er een anciënniteit van 24 augustus 1998 tot 15 september 2004, wat inhoudt dat de anciënniteitvoorwaarde vervuld is. Terecht heeft de eerste rechter vastgesteld dat mevrouw F. noch verzaakt heeft, noch een afstand van recht deed bij de betekening van haar opzeggingstermijn; een afstand van recht moet strikt worden uitgelegd en kan slechts worden afgeleid uit de feiten en gedragingen die voor geen andere uitleg vatbaar zijn. Het hoger beroep wat betreft deze onderdelen is dan ook ongegrond. Achterstallig loon en vakantiegeld hierop.
  28. Mevrouw F. houdt voor dat zij gedurende diverse periodes onderbetaald werd, rekening houdend met de functieclassificatie van artikel 2 van de hierboven aangehaalde C.A.O. van 29 mei 1989 en met de loonafspraak in de arbeidsovereenkomst van 1 september
  29. De derde klasse werd in de C.A.O. als volgt omschreven : - normale aanvangsleeftijd : 23 jaar - bediende waarvan de functie wordt gekenmerkt door : a. Een praktische opleiding die opweegt tegen de bekwaamheid verkregen door volledige middelbare studies of door middelbare studies van de lagere graad aangevuld hetzij door gespecialiseerde vakstudies, hetzij door een vakbekwaamheid door middel van stages of het uitoefenen van gelijke of gelijkaardige betrekkingen; b. Het zelfstandig uitvoeren van afwisselend werk dat doorgaans initiatief en redenering vereist en bovendien de verantwoordelijkheid voor de uitvoering vergt. Als voorbeelden worden o.m. gegeven : typist belast met secretariaatswerk, bediende die verantwoording draagt, bediende gelast met het opstellen van stereotype brieven...
  30. Mevrouw F. werd geboren op 24 juni 1977 en werd dus 23 jaar in juni
  31. Uit de door haar voorgelegde diploma's ( middelbare opleiding met specialisatiejaar toerisme) volgt dat zij aan de opleidingvereisten van de derde klasse voldoet. Reeds in de arbeidsovereenkomst van 24 februari 1999 wordt haar werk omschreven als deskbediende (agent de comptoir), wat aanduidt dat zij voldoet aan de kenmerken van de functie zoals omschreven in b. Dit kan ook afgeleid worden uit de vergelijking met de voorbeelden die in de C.A.O. zijn opgesomd. Terecht wijst de eerste rechter erop dat zij zowel in het Frans, Nederlands als in het Engels de klanten diende te woord te staan, gelet op de ligging van het kantoor te Wemmel Ten onrechte wil de B.V.B.A. BMS Travel deze functie herleiden tot deze van de eerste klasse, daar deze openstaat voor bedienden met een niveau van lager onderwijs en die slechts eenvoudig bijkomstig werk uitoefenen. Mevrouw F. deed ook werk van een hoger niveau dan dit van de tweede klasse daar zij een hogere opleiding had dan deze van de eerste drie jaren van de middelbare graad en zij meer deed dan het correct uitvoeren van eenvoudig en weinig afwisselend werk, onder rechtstreeks toezicht en met slechts beperkte verantwoordelijkheid. De B.V.B.A. BMS brengt overigens geen feitelijke elementen aan die haar standpunt zouden kunnen ondersteunen. Terecht verwijst mevrouw F. naar de schaallonen ( zie haar stukken 12), waaruit volgt dat bedienden van minstens 25 jaar oud die sinds drie jaar in dezelfde onderneming en in dezelfde ANPC-categorie werkzaam zijn, recht hebben op de minimale lonen van de schaal II. Dit houdt in dat zij vanaf juli 2003 terecht aanspraak maakt op deze minimumlonen. De beoordeling van de eerste rechter in verband met de functieclassificatie overeenkomstig de C.A.O. dient dan ook te worden bevestigd. Vanaf 1 september 2003 steunt mevrouw F. haar loonaanspraak op het bruto maandloon van euro 2.045, dat in de arbeidsovereenkomst van 1 september 2003 was bedongen. Dit overeengekomen loon werd slechts tijdens de maanden september en oktober uitbetaald en in november en december 2003 daalde het loon naar euro 1.837,56; van januari tot juni 2004 werd euro 1.859,56 betaald; vanaf juli 2004 euro 1.896,
  32. De afrekening in verband met de achterstallen wordt door de werkgever cijfermatig niet betwist.
  33. De B.V.B.A. BMS Travel houdt voor dat de vordering van mevrouw F. zou verjaard zijn voor de periode die voorafgaat aan 1 september
  34. Artikel 15 van de arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat de rechtsvorderingen die uit een overeenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden. De arbeidsovereenkomst eindigde op 15 september 2004 en de dagvaarding werd uitgebracht op 16 juni 2005, zodat de loonvordering ingaande op 17 juni 2000 niet verjaard is.
  35. Tevens wijst de B.V.B.A. BMS Travel erop dat mevrouw F. slechts met ingang van 1 augustus 2001 bij haar in dienst kwam. De B.V.B.A. veronachtzaamt hierbij dat ze op grond van artikel 8 van de C.A.O. 32bis in solidum met de N.V. BMS gehouden is tot betaling van de op 1 augustus 2001 bestaande schulden, zoals die voortvloeien uit de op dat tijdstip bestaande arbeidsovereenkomsten. De vordering wegens achterstallig loon en het vakantiegeld hierop heeft immers geen betrekking op de aanvullende regimes van sociale voorzieningen. Hierboven onder
  36. en
  37. werd vastgesteld dat de C.A.O. 32bis op de N.V. BMS en de B.V.B.A. BMS Travel van toepassing is en dat beide ondernemingen in mekaar overgingen krachtens overeenkomst. Terecht heeft de eerste rechter dan ook de B.V.B.A. veroordeeld tot betaling van de volledige loonachterstand. De B.V.B.A. brengt bovendien geen elementen aan die zouden aantonen dat mevrouw F. afstand zou gedaan hebben van haar aanspraken op dit punt; dit gebeurde alleszins niet in de nieuwe overeenkomst van 1 september
  38. Het hoger beroep voor deze onderdelen is dan ook ongegrond. Overloon en loon voor inhaalrustdagen.
  39. Terecht wijst mevrouw F. erop dat ingevolge de hierboven aangehaalde C.A.O. van 29 mei 1989 de wekelijkse arbeidsduur bepaald werd op 38 uren, terwijl uit haar arbeidsovereenkomsten volgt dat een arbeidstijdrooster van 40 uren overeengekomen was tot en met augustus
  40. Haar prestaties werden uitgevoerd overeenkomstig dit arbeidstijdrooster.
  41. Met verwijzing naar wat hierboven werd gezegd onder
  42. kan ook hier het argument van de verjaring voor de periode vóór 1 september 2003 niet worden aanvaard. De afrekening gaat niet verder terug dan vijf jaar vóór de datum van de dagvaarding.
  43. Wat betreft de periode vóór 1 augustus 2001, kan verwezen worden naar hetgeen hierboven werd gezegd onder 1.,
  44. en
  45. Dezelfde redenering geldt mutatis mutandis voor de vordering overloon en het loon voor de inhaalrustdagen. Terecht heeft de eerste rechter dan ook deze onderdelen gegrond verklaard; appellante brengt geen cijfermatige kritiek uit op de berekening van deze onderdelen en voor zover als nodig kan worden herhaald wat de eerste rechter op het tiende blad van het eerste vonnis heeft aangehaald en becijferd. De bijkomende grieven die appellante nog aanbrengt, kunnen hieraan geen afbreuk doen. Intresten en gerechtskosten.
  46. Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen bepaalt dat de rente ingevolge de loonbeschermingswet berekend wordt op het loon vooraleer de in artikel 23 van deze wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht, maar deze bepaling kon volgens artikel 90 § 1 van de wet van 26 juni 2002 slechts in werking treden op een door de Koning te bepalen datum, wat gebeurde door de artikelen 1 en 2 van het K.B. van 3 juli 2005 ( inwerkingtreding op 1 juli 2005 op de lonen waarvan de betaling inging vanaf die datum). Door de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008) werd het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 bekrachtigd. Hieruit volgt dat de intresten op de toegekende bedragen kunnen berekend worden op de nettobedragen, daar de tewerkstelling beëindigd werd op 15 september 2004, zijnde voor 1 juli
  47. De gerechtskosten dienen ten laste van de bvba BMS Travel te worden gelegd, doch mevrouw F. werd niet bijgestaan door een advocaat, zodat ze geen aanspraak kan maken op rechtsplegingsvergoedingen. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis. Veroordeelt de B.V.B.A. BMS Travel tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van mevrouw F. vereffend op nihil En voor zover als nodig aan de zijde van de B.V.B.A. begroot op euro 1.100 Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof op 23 oktober 2009, waar aanwezig waren : De Heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw L. REYBROECK, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer A. LEURS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS, L. LENAERTS, L. REYBROECK, A. LEURS. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 23 oktober 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091023.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.