id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 23 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091023.15 Rolnummer: 49.441 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-11-08 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 20:28 Fiche 1 Wanneer aan de werknemer een opzeggingsvergoeding wordt toegekend, ontstaat bij brugpensioen het recht op de aanvullende vergoeding slechts na afloop van de termijn waarvoor de opzeggingsvergoeding wordt toegekend, zodat het vereist is dat de vordering binnen het jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst wordt ingesteld. De verjaringstermijn van één jaar begint dan pas te lopen na het verstrijken van de periode waarvoor de opzeggingsvergoeding werd toegekend. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Verjaring (arbeidsovereenkomst) Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Verjaring. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 15 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN art.
- Een andere korte inhoud is gerangschikt onder V J I art.
- Fiche 2 Bij conventioneel brugpensioen dient de bruggepensioneerde cumulatief te voldoen aan de leeftijdsvoorwaarde, zoals die o.m. kan volgen uit de CAO nr. 17 van 19/12/1974 tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen (KB 16/01/1975, BS 31/01/1975) - in dat geval 60 jaar en aan de bepalingen van art. 2 § 4 van het KB van 7/12/1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen ingeval van conventioneel brugpensioen (BS 11/12/1992) in verband met de loopbaanvereisten. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Brugpensioen - Voltijds - Voorwaarden Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - BRUGPENSIOEN. Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst - 19-12-1974 - 3 - C1 Link Justel databank 19741219-C1 Koninklijk Besluit - 16-01-1975 - 3 - C1 Link Justel databank 19750116-C1 Nota: Gerangschikt onder V J I art.
- Ook gerangschikt onder II AAN art 15 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 23 OKTOBER
- DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Heropening der debatten + neerlegging stukken artikels 877 en 879 Gerechtelijk Wetboek In de zaak: Mevrouw W. M., Appellante, vertegenwoordigd door Mter M.-A. Dedeurwaerdere, advocaat te 8200 Sint-Andries; Tegen : DE V.Z.W. FEDERATION EUROPEENNE DES PORT INTERIEURS, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Redersplein, 6, Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter L. De Poorter loco Mter J. Vanden Eynde, advocaat te 1050 Brussel; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank van Brussel (2de kamer ) op de openbare terechtzitting van 6 november 2006; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 17 januari 2007; - de besluiten van geïntimeerde neergelegd ter griffie neergelegd ter griffie op 8 oktober 2007; - de besluiten van appellante neergelegd ter griffie op 17 juni 2008 - de bundel met stukken van appellante neergelegd ter griffie van dit Hof op 29 september 2009 Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 2 oktober 2009; geïntimeerde legde haar bundel neer, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.
- FEITEN EN RECHTSPLEGING.
- Mevrouw W. ondertekende op 25 november 1999 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met de V.Z.W. Fédération Européenne des Ports Intérieurs (hierna afgekort als V.Z.W. FEPI) ; hierdoor kwam ze met ingang van 1 december 1999 in dienst als bediende in de functie van assistente. Bij aangetekende brief van 20 februari 2003 werd de arbeidsovereenkomst verbroken ingaande op 31 maart 2003 met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding van 7 maanden. Er werd haar een gewoon C4-formulier overhandigd. Volgens een schrijven van de R.V.A. Oostende van 13 december 2006 werd ze vanaf 3 november 2003 toegelaten tot het recht op uitkeringen in het kader van brugpensioen, omdat ze voldeed aan de leeftijdvoorwaarde volgens de C.A.O. 17 inzake conventioneel brugpensioen; volgens deze brief heeft zij eveneens recht op de aanvullende vergoedingen vanwege haar ex werkgever. Zij is geboren op 6 juli 1942 en bereikte in de loop van de maand juli 2005 de leeftijd van 63 jaar, zijnde de pensioenleeftijd, zodat er vanaf augustus 2005 geen uitkeringen in het kader van het brugpensioen meer kunnen gebeuren.
- Om die redenen vroeg mevrouw W. aan haar werkgevers het formulier C17 en betaling van de aanvullende vergoedingen conventioneel brugpensioen. De werkgever betwist dat zij aan de voorwaarden hiervoor voldoet en wijst op de loopbaanvoorwaarden, die niet zouden vervuld zijn.
- Op 29 oktober 2004 dagvaardde mevrouw W. de V.Z.W. FEPI in afgifte van de vereiste sociale en fiscale documenten, waaronder het formulier C17 onder verbeurte van een dwangsom; ze vraagt ook uitbetaling van alle achterstallige aanvullende vergoedingen te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 1 november 2003 en de gerechtelijke intresten; ze vraagt tevens betaling van een schadevergoeding van euro 4.000 wegens rechtsmisbruik en betaling van loon en voordelen in natura voor de periode van 1 tot 7 april 2003, begroot op euro 1 provisioneel. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 6 november 2006 werd deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 17 januari 2007, tekende mevrouw W. hoger beroep aan en hernam ze haar oorspronkelijke vordering. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.
- De V.Z.W. FEPI wil voorhouden dat de oorspronkelijke vordering van mevrouw W., gesteld op 29 oktober 2004, op grond van artikel 15 arbeidsovereenkomstenwet verjaard zou zijn, omdat de arbeidsovereenkomst eindigde op 31 maart
- Oordeelkundig heeft de eerste rechter erop gewezen dat, wanneer aan de werknemer een opzeggingsvergoeding wordt toegekend, bij brugpensioen het recht op de aanvullende vergoeding slechts ontstaat na afloop van de termijn waarvoor de opzeggingsvergoeding wordt toegekend, zodat het niet vereist is dat de vordering binnen het jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst wordt ingesteld (Cass., 21 juni 1993, R.W. 1993-94, 328; Cass., 21 oktober 2002, J.T.T. 2003, 37). De verjaringstermijn van één jaar begint dan pas te lopen na het verstrijken van de periode waarvoor de opzeggingsvergoeding werd toegekend, hier na 31 oktober 2003, zodat de vordering, ingesteld bij dagvaarding van 29 oktober 2004, tijdig werd ingesteld. De rechtspraak die de V.Z.W. FEPI hiertegenover wil stellen, doet hieraan geen afbreuk, daar ze geen betrekking heeft op een vordering aanvullende vergoeding brugpensioen.
- Partijen hebben discussie over het recht van mevrouw W. op het conventioneel brugpensioen. Ingevolge artikel 3 en 4 van de C.A.O. nr. 17 van 19 december 1974 tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen ( K.B. 16 januari 1975, B. S. 31 januari 1975) (zoals diverse malen gewijzigd), kan een werknemer van 60 jaar en ouder, die wordt ontslagen, behalve wegens dringende reden, aanspraak maken op een aanvullende vergoeding bij de werkloosheidsuitkeringen tot op de datum waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Tevens dient hij te voldoen aan de voorwaarden inzake het statuut van de bruggepensioneerde op het vlak van de werkloosheidsreglementering. Aan beide regelingen dient cumulatief en tegelijkertijd te zijn voldaan ( A. Vanderschaeghe, Brugpensioen: aanloop naar het pensioen?, Sociale Praktijkstudies, 18, 2004, p. 5). Wat betreft de werkloosheidsreglementering stelt artikel 2 § 4 van het K.B. van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen ingeval van conventioneel brugpensioen ( B. S., 11 december 1992) dat de ontslagen werknemer van minstens 60 jaar moet voldoen aan een loopbaanvereiste van : 1° ofwel 10 jaar beroepsverleden als loontrekkende binnen de sector binnen de 15 jaar voorafgaand aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst; 2° ofwel een beroepsverleden van 20 jaar.
- Het is de vervulling van deze laatste voorwaarde, die ter discussie staat. De eerste rechter aanvaardde dat mevrouw W. niet bewees dat deze voorwaarde vervuld was. Mevrouw W. verwijst echter naar een schrijven van de R.V.A. Oostende van 15 december 2006, waarin vermeld staat dat zij gerechtigd was op werkloosheidsuitkeringen in het kader van brugpensioen. In deze brief wordt verwezen naar de vervulling van de leeftijdvoorwaarde in toepassing van de C.A.O.
- Het schrijven zegt echter niets over de loopbaanvereiste van artikel 2 §4 van het K.B. van 7 december
- Deze voorwaarde is echter bepaald in het kader van de toekenning van werkloosheidsuitkeringen, zodat de R.V.A., wanneer zij bevestigt dat mevrouw W. voldoet aan het recht op uitkeringen brugpensioen, gegevens dient te hebben over deze voorwaarde. Het arbeidshof beveelt dan ook bij toepassing van de artikelen 877 en 879 Ger. W. dat het brugpensioendossier van mevrouw W. bij de R.V.A. zou worden voorgebracht, meer bepaald alle nuttige gegevens in verband met de vervulling van bovenvermelde loopbaanvereiste. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, Doch alvorens verder recht te doen, Beveelt bij toepassing van de artikelen 877 en 879 van het Gerechtelijk Wetboek aan de R.V.A. ( Werkloosheidsbureau Oostende) Kaaistraat 18 te 8400 Oostende om uiterlijk op 1 december 2009 een afschrift van het dossier werkloosheid/brugpensioen van mevrouw M. W. (...) neer te leggen op de griffie van het arbeidshof te Brussel, eventueel vergezeld van een aanvullende nota in verband met de vervulling van de loopbaanvereiste van artikel 2 § 4 van het K.B. van 7 december
- Verleent vervolgens aan appellante een conclusietermijn tot 15 januari 2010 om haar opmerkingen op deze stukken te geven; En aan geïntimeerde een conclusietermijn tot 1 maart 2010 om haar opmerkingen op deze stukken te geven; Stelt de zaak voor verdere behandeling op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van dit Hof op 30 april 2010, Poelaertplein, 3 te 1000 Brussel om 14 uur 30'. Om nadien te oordelen als naar recht; Kosten aan te houden. Aldus gewezen door de 3deKamer van het Arbeidshof op 23 oktober 2009, waar aanwezig waren : De Heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw S. ALAERTS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer A. LEURS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS, L. LENAERTS, S. ALAERTS, A. LEURS. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 23 oktober 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091023.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div