id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 30 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091030.7 Rolnummer: 51448 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-10-25 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 20:30 Fiche Artikel 82 § 3 beoogt enkel de werknemer te beschermen en is dus enkel imperatief in zijn voordeel. Hieruit volgt dat de werkgever de nietigheid van een brief die het ontslag voorafgaat en die het bedrag van de opzeggingsvergoeding bepaalt, niet kan inroepen. Een overeenkomst, gesloten voor de datum van opzegging, waarin bepaald wordt dat in geval van ontslag van een deeltijdse werknemer er rekening zal gehouden worden met het voltijdse loon om de duur van de opzeggingstermijn of de compenserende opzeggingsvergoeding te bepalen, is geen overeenkomst over de duur van de opzeggingstermijn, maar beoogt enkel de mogelijke discriminatie van een deeltijdse werknemer bij het bepalen van de opzeggingstermijn weg te nemen. Ze geeft aan de werknemer wel een bijkomend voordeel in zoverre ze bepaalt dat voor de berekening van de opzeggingsvergoeding rekening zal gehouden worden met het voltijds loon. Een aanvullende opzeggingsvergoeding strekt ertoe de aan de werknemer ter kennis gebrachte ontoereikende opzeggingstermijn te 'compenseren', zodat de term compenserende opzeggingsvergoeding ook op de aanvullende opzeggingsvergoeding betrekking kan hebben. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzegging Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - BEDIENDEN - Ontslag. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 82,§3 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN 30 OKTOBER
- DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: De Heer M. W., Appellant, vertegenwoordigd door Mter J. Hofkens, advocaat te 1000 Brussel; Tegen : AEG BELGIUM N.V., ondernemingsnummer 0457 961 942, met zetel gevestigd te 1070 Anderlecht, Biestebroekkaai, 300, Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter T. Van de Calseyde, advocaat te 1170 Brussel; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank van Brussel (24ste kamer ) op de openbare terechtzitting van 4 september 2008; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 22 oktober 2008; - de besluiten en synthesebesluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 1 april 2009 en 1 september 2009; - de besluiten voor appellant neergelegd ter griffie op 15 juni 2009; - de bundel met stukken neergelegd door geïntimeerde ter griffie op 3 september 2009; - de bundel met stukken neergelegd door appellant ter griffie op 1 oktober 2009; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 9 oktober 2009, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd. FEITEN EN RECHTSPLEGING
- De heer W. M. kwam op 1 januari 1991 in dienst van de N.V. AEG Belgium als verantwoordelijke voor de juridische cel van de technische groep; in de overeenkomst van 5 december 1990 werd bepaald dat de anciënniteit berekend wordt vanaf 3 januari 1989, datum van zijn aanwerving met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Op 8 juli 2005 ondertekenden partijen een bijkomende overeenkomst, waarin afgesproken werd dat de arbeidsovereenkomst op 31 januari 2011 in gemeen overleg en zonder opzeggingstermijn of vergoeding een einde zou nemen, maar dat tevens vanaf 1 januari 2005 de arbeidsduur verminderd werd tot 60%, hetzij 23,4 uur/week, waarbij het maandloon bepaald werd op euro 3.
- Artikel 3 van deze overeenkomst bepaalde ( in vrije vertaling) : Indien de arbeidsovereenkomst een einde neemt voor 31 januari 2011 op initiatief van de werkgever en uitgezonderd het geval van ontslag om dringende reden, zal er rekening gehouden worden met het voltijdse loon om de duur van de opzeggingstermijn of de compenserende opzeggingsvergoeding te bepalen. Indien de opzeg gepresteerd wordt, heeft de werknemer de keuze om deze voltijds te presteren. Op 31 mei 2006 liet de N.V. AEG Belgium bij gerechtsdeurwaardersexploot een opzeggingsbrief betekenen aan de heer W. met een opzeggingstermijn van 17 maanden ingaande op 1 juni
- Deze opzegging nam daadwerkelijk een einde op 30 november
- Op 3 december 2007 stelde de raadsman van de heer W. de N.V. AEG Belgium in gebreke en maakte hij aanspraak op een opzeggingstermijn van 21 maanden, zodat een bijkomende opzeggingsvergoeding van 4 maanden werd gevraagd, berekend op voltijds loon.
- Hierover kwamen partijen niet tot overeenstemming en op 15 januari 2008 dagvaardde de heer W. de N.V. AEG Belgium in betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 31.913,04, te vermeerderen met intresten en kosten, ondergeschikt in een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 20.454,80, eveneens te vermeerderen met intresten en kosten. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank van Brussel van 4 september 2008 werd deze vordering ontvankelijk, doch ongegrond verklaard, omdat een opzeggingstermijn van 17 maanden voldoende werd geacht. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 22 oktober 2008, tekende de heer W. hoger beroep aan tegen dit vonnis en hernam hij zijn oorspronkelijke vordering. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. De opzeggingsvergoeding.
- Bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt de opzeggingstermijn vastgesteld hetzij bij overeenkomst, gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, hetzij door de rechter, met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, JTT 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen ( Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153).
- Partijen zijn het eens over de volgende gegevens : - anciënniteit : 17 jaar en 5 maanden - leeftijd : 55 jaar - functie : hoofd van de afdeling personeel en juridische aangelegenheden - fictief voltijdse jaarloon : euro 95.739,13 Rekening houdend met deze elementen,de gegevens eigen aan de zaak en de belangen van partijen, waardeert het hof de kans voor de heer W. om een gelijkwaardige betrekking te vinden op een termijn van 20 maanden. Rekening houdend met de door de heer W. daadwerkelijk gepresteerde opzeggingstermijn van 17 maanden, kan hij dan ook aanspraak maken op een bijkomende opzeggingsvergoeding van 3 maanden.
- Wat betreft de becijfering van deze bijkomende opzeggingsvergoeding, verwijst de heer W. naar artikel 3 van de overeenkomst van 8 juli 2005 en stelt hij dat deze bijkomende opzeggingsvergoeding moet worden berekend op basis van het voltijds loon. De N.V. AEG Belgium betwist de geldigheid van deze bepaling, omdat ze in strijd zou zijn met artikel 82 §3 van de arbeidsovereenkomstenwet, waarin gezegd wordt dat de overeenkomst over de opzeggingstermijn ten vroegste kan gesloten worden op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, terwijl de overeenkomst van 8 juli 2005 voorafging aan de opzegging van 31 mei
- Het hof kan het standpunt van de N.V. AEG Belgium niet volgen, omdat zelfs in de veronderstelling dat de overeenkomst van 8 juli 2005 een overeenkomst over de opzeggingstermijn zou zijn, dan nog artikel 82 § 3 enkel de werknemer beoogt te beschermen en dus enkel imperatief is in zijn voordeel. Hieruit volgt dat de werkgever de nietigheid van een brief die het ontslag voorafgaat en die het bedrag van de opzeggingsvergoeding bepaalt, niet kan inroepen ( Cass., 7 april 2008, JTT 2008, 207 met noot ML Wantiez).
- Maar bovendien is de overeenkomst van 8 juli 2005 geen overeenkomst over de duur van de opzeggingstermijn, daar in verband met deze duur enkel op algemene wijze gezegd wordt dat rekening zal gehouden worden met het voltijds loon. Deze bepaling is volledig in overeenstemming met de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof die aangeduid heeft dat, wanneer men bij het bepalen van de opzeggingstermijn van een deeltijdse werknemer, enkel rekening houdt met het loon op deeltijdse basis, men een ongelijkheid schept in de zin van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, omdat deeltijdse en voltijdse bedienden die evenwaardige functies uitoefenen, het recht hebben op een gelijke behandeling. (A H. 20 april 1999, JTT 1999, 315). De bepaling van artikel 3 van de overeenkomst van 8 juli 2005 sluit deze ongelijke behandeling uit. Overigens erkent de N.V. AEG Belgium terecht dat men voor de bepaling van de opzeggingstermijn voor deeltijdse bedienden aldus rekening moet houden met een fictief voltijds loon. Wat betreft de bepaling van de opzeggingstermijn bevestigt artikel 3 van de overeenkomst dan ook enkel de aanwijzing van het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) dat men niet mag discrimineren ten nadele van deeltijdse werknemers, maar deze bepaling houdt als dusdanig geen overeenkomst in over de duur van de opzeggingstermijn.
- Nu deze overeenkomst niet vooraf de opzeggingstermijn vastlegt, heeft ze ook geen weerslag op de opzeggingsvergoeding in zoverre ze gerelateerd is aan de duur van deze termijn of het resterend gedeelte ervan. Ze betreft dus niet de berekeningswijze van de opzeggingstermijn. Een opzeggingsvergoeding, gelijk aan het resterend gedeelte van de opzeggingstermijn, kan door de werknemer gevraagd worden, wanneer de werkgever de overeenkomst opzegt met een opzeggingstermijn die door de werknemer onvoldoende wordt geacht. Het arbeidshof heeft onder punt 2 de duur van de in acht te nemen opzeggingstermijn bepaald op 20 maanden en heeft hieruit afgeleid dat de heer W. op grond van artikel 39 van de arbeidsovereenkomstenwet recht heeft op een bijkomende opzeggingsvergoeding van 3 maanden. Indien partijen de overeenkomst van 8 juli 2005 niet zouden hebben gesloten, dan zou deze opzeggingsvergoeding verder moeten worden berekend op het deeltijds loon (Arbh. Antwerpen, 3 april 2000, R.W . 2000 -01, 911, err. 1072; Arbh. Brussel, 9 januari 2009, RABG, 2009, 954 met noot M. Demedts). Door te bepalen dat het voltijds loon ook zou toegepast worden voor de becijfering van de opzeggingsvergoeding zelf, werd aan de werknemer een bijkomend voordeel toegekend; deze geldig aangegane overeenkomst strekt de partijen tot wet.
- Ten onrechte wil de N.V. de draagwijdte van deze contractuele bepaling beperken door een kunstmatige uitleg te geven aan het begrip compenserende opzeggingsvergoeding en hierbij een onderscheid te maken met de aanvullende opzeggingsvergoeding. Dit terminologisch onderscheid is niet terug te vinden in artikel 39 van de arbeidsovereenkomstenwet, dat de wettelijke basis vormt voor de regeling van de opzeggingsvergoeding. De N.V. wil zich hier steunen op bepaalde rechtspraak, maar evenzeer kan vastgesteld worden dat in andere gezaghebbende rechtspraak betreffende het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding gezegd wordt dat dit recht ertoe strekt de aan de werknemer ter kennis gebrachte ontoereikende opzeggingstermijn te "compenseren" (Cass., 5 januari 2009, JTT 2009, 228, concl. O.M., RW 2009-10, 152, concl. O.M.., noot MORTIER, K; Soc.Kron. 2009, 362, concl. O.M.). Alleszins was het de gemeenschappelijke bedoeling van partijen om de berekening van de bijkomende opzeggingsvergoeding te laten plaatsvinden op basis van het voltijds loon; vanuit de huidige interpretatie van de N.V. zou er immers een onverklaarbare ongerijmdheid ontstaan in het geval N.V. AEG Belgium de toegekende opzeggingstermijn van 17 maanden vroegtijdig zou afbreken en de heer W. bovendien de termijn van 17 maanden onvoldoende zou achten, waarbij dan een andere berekeningswijze zou moeten gehanteerd worden voor wat de N.V. wil begrijpen onder compenserende en aanvullende opzeggingsvergoeding. De overige ingeroepen elementen kunnen aan deze beoordeling geen afbreuk doen.
- Partijen hebben geen discussie over de berekening van het zogenaamde fictief bruto jaarloon op euro 95.739,
- De bijkomende opzeggingsvergoeding kan dan ook worden begroot op 95.739,13 x 3/12 = euro 23.934,
- In die mate is het hoger beroep gegrond. Intresten en gerechtskosten.
- Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen bepaalt dat de rente ingevolge de loonbeschermingswet berekend wordt op het loon vooraleer de in artikel 23 van deze wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht, maar deze bepaling kon volgens artikel 90 § 1 van de wet van 26 juni 2002 slechts in werking treden op een door de Koning te bepalen datum, wat gebeurde door de artikelen 1 en 2 van het K.B. van 3 juli 2005 ( inwerkingtreding op 1 juli 2005 op de lonen waarvan de betaling inging vanaf die datum). Door de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008) werd het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 bekrachtigd. Hieruit volgt dat de intresten op de toegekende bedragen kunnen berekend worden op de brutobedragen, daar de opzegging betekend werd op 31 mei 2006, zijnde na 1 juli
- Op de prejudiciële vraag, gesteld door het Arbeidshof Gent in zijn arrest van 27 juni 2008 heeft het Grondwettelijk Hof in zijn arrest 48/2009 van 11 maart 2009 inmiddels ontkennend geantwoord, zodat er geen schending van het gelijkheidsbeginsel weerhouden werd. Er is geen reden om een verdere prejudiciële vraag te stellen. Het Grondwettelijk Hof heeft inmiddels in zijn arrest nr. 86/2009 van 14 mei 2009 haar rechtspraak bevestigd. Het K.B. van 3 juli 2005 is door de Raad van State nooit vernietigd en was derhalve op partijen van toepassing op het ogenblik van het uitbrengen van de dagvaarding; de bekrachtigingwet van 8 juni 2008 had tot doel de rechtszekerheid te herstellen en bevat geen nieuwe bepaling; ze consolideert enkel de bepaling van het K.B. van 3 juli 2005, waarvan de draagwijdte gekend was en de wet creëert als dusdanig geen nadelig retroactief gevolg ten aanzien van de N.V. AEG Belgium (vgl. Gr. H. 41/2008 1 september 2008).
- Als in het ongelijk gestelde partij, dient de N.V. AEG Belgium te worden veroordeeld tot de betaling van de gerechtskosten van beide aanleggen, waarbij de rechtsplegingsvergoedingen op het basisbedrag kunnen worden vastgesteld. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende, Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Veroordeelt de N.V. AEG Belgium tot betaling aan de heer M. W. van een bijkomende opzeggingsvergoeding van euro 23.934,78, te vermeerderen met wettelijke intresten vanaf de datum van opeisbaarheid en de gerechtelijke intresten op bruto; Veroordeelt de N.V. AEG Belgium tot betaling van de gerechtskosten van beide aanleggen aan de heer W., deze aan de zijde van beide partijen begroot op rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg basisbedrag euro 2.000 rechtsplegingsvergoeding beroep basisbedrag euro 2.000 totaal euro 4.000 Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof op 30 oktober 2009, waar aanwezig waren : De Heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw L. REYBROECK, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer A. LEURS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS, L. LENAERTS, L. REYBROECK, A. LEURS. Het arrest is uitgesproken op de buitengewone openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 30 oktober 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091030.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div