← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091105.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 05 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091105.3 Rolnummer: 51.486 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-12-07 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 20:32 Fiche Bij terugvordering van bij wijze van voorschot toegekende steun geldt dat rekening dient gehouden te worden met alle inkomsten van de steunaanvrager en dit zoals deze bestaan vóór ieder beslag dat daarop gelegd wordt omwille van onderhoudsverplichtingen. Art 99 § 1 vindt toepassing van zodra vaststaat dat er een betaling van werkloosheidsuitkeringen (of andere uitkeringen) is geweest, dit ongeacht het feit of de betaling, ingevolge een beslag, niet effectief in handen van de aanvrager is gebeurd. De toepassing van deze regel mag er echter niet toe leiden dat de steunaanvrager in de onmogelijkheid wordt geplaatst een menswaardig leven te leiden. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Taken OCMW - Steun OCMW Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG - OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN - MAATSCHAPPELIJKE DIENSTVERLENING - terugvordering van de begunstigde door het steunverlenend OCMW van bedragen die betaald werden in het raam van de maatschappelijke dienstverlening. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 98 § 1 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJF NOVEMBER TWEEDUIZEND EN NEGEN. 7e KAMER not. art. 580, 8°, Ger. W. maatschappelijke integratie tegenspraak definitief In de zaak : OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN MECHELEN, met zetel te 2800 Mechelen, Lange Schipstraat 27 appellant, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester K. Poels loco meester T. Lammar, advocaat te Mechelen, tegen : V. H. F., geïntimeerde, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester A. Buekenhoudt loco meester B. Verhaeren, advocaat te Steenokkerzeel. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken : -het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis van 6 oktober 2008 van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Leuven dat werd uitgesproken op tegenspraak; ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 8 oktober 2009 overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W.; -het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 6 november 2008, -de conclusies; -de voorgelegde stukken; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2009, waarna de debatten werden gesloten, het openbaar ministerie een mondeling advies uitbracht en de zaak werd voor uitspraak werd gesteld op heden. * * * I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

  1. Bij verzoekschrift van 14 juni 2004 vorderde het Openbaar Centrum van Maatschappelijk Welzijn (OCMW) te Mechelen voor de arbeidsrechtbank te Leuven de veroordeling van de heer V. H. tot terugbetaling van de som van 4.014,86 euro als onverschuldigd betaalde maatschappelijke dienstverlening. De gevorderde som was samengesteld als volgt:  een som van 1.238,23 euro als financiële steun die als voorschot werd toegekend in de periode van 19 september 1989 tot 31 oktober 1996;  een som van 2.776,63 euro als financiële steun, ontvangen over de periode van 16 mei 1996 tot 31 oktober 1996 en die werd toegekend als voorschot op latere inkomsten (werkloosheidsuitkeringen).
  2. Bij vonnis van 6 oktober 2008 heeft de arbeidsrechtbank te Leuven de vordering van het OCMW Mechelen integraal afgewezen. De arbeidsrechtbank stelde vast dat, ondanks de uitdrukkelijke vraag die daartoe geformuleerd was, het OCMW Mechelen in gebreke gebleven was de beslissingen voor te leggen van het Bijzonder Comité van de sociale dienst, die de rechtsgrond uitmaakten van de verschillende betalingen, waarvan de terugbetaling werd gevorderd. De arbeidsrechtbank stelde verder vast dat het voorgelegde dossier niet toeliet precies na te gaan op welk ogenblik de betalingen werden verricht, die teruggevorderd werden, zodanig dat de door de heer V. H. ingeroepen verjaring niet kon geverifieerd worden. De rechtbank stelde tenslotte vast dat het voorgelegde dossier in het totaal niet toeliet de bedragen, waarvan de terugbetaling werden gevorderd, weder samen te stellen. Het vonnis van de arbeidsrechtbank werd ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 8 oktober
  3. Bij verzoekschrift van 6 november 2008 heeft het OCMW Mechelen (beperkt) hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. II. DE ONTVANKELIJKHEID Het beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing bij gerechtsbrief, overeenkomstig artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, en is aldus tijdig. Het beroep is ontvankelijk. III. BEOORDELING.
  4. In graad van beroep beperkt het OCMW Mechelen zijn oorspronkelijke vordering tot het bedrag van 2.776,63 euro , dat betrekking heeft op de maatschappelijke dienstverlening toegekend aan de heer V. H. in de periode van 16 mei 1996 tot 31 oktober
  5. Het OCMW Mechelen zet uiteen dat aan de heer V. H. voor deze periode maatschappelijke hulp werd toegekend bij wijze van voorschot, in afwachting van de werkloosheidsuitkeringen, die hij voor dezelfde periode diende te ontvangen. Het OCMW Mechelen legt de beslissing neer van het Bijzonder Comité van 7 mei 1996 waarin uitdrukkelijk bepaald wordt dat een financiële hulp aan het barema van het bestaansminimum categorie C wordt toegestaan "als voorschot op werkloosheidsvergoeding en eventueel als voorschot op latere kosten". Het OCMW legt eveneens een verbintenis neer die op dat ogenblik ondertekend werd door de heer V. H. , waarbij deze verklaart dat het hem bekend is dat de financiële hulp, die hem wordt verleend, wordt beschouwd als voorschot op de uitkering van werkloosheidsvergoedingen en dat hij zich ertoe verbindt de als voorschot ontvangen sommen terug te betalen, te berekenen van op de dag waarop zijn recht op werkloosheidsuitkeringen inging. De financiële hulp werd, zo blijkt uit het dossier, stopgezet op 31 oktober 1996 omdat vanaf dat ogenblik de heer V. H. niet meer te Mechelen verbleef. Uit de besluiten van de heer V. H. blijkt overigens dat hij vanaf dat ogenblik opnieuw inkomsten had uit tewerkstelling.
  6. De heer V. H. betwist de terugvordering, ook zoals deze herleid werd. Hij roept in de eerste plaats de verjaring in van de vordering. Verder stelt hij dat geen terugvordering mogelijk is omdat hij nooit effectief werkloosheidsuitkeringen ontvangen heeft, vermits deze volledig in beslag genomen werden voor een onderhoudsschuld die hij had. De heer V. H. stelt ook dat hij regelmatig toelichting gevraagd heeft bij het OCMW Mechelen over de juiste samenstelling van zijn schuld en dat hij deze toelichting nooit heeft kunnen bekomen.
  7. Overeenkomstig artikel 102, al. 1 van de wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn verjaart de vordering tot terugbetaling, bedoeld in de artikelen 98 en 99 van de wet, overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens deze laatste bepaling verjaren de vorderingen, die betrekking hebben op hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen, door verloop van 5 jaar. Overeenkomstig artikel 102, al. 4 van de wet kunnen de verjaringen, bedoeld in artikel 102 van de wet, gestuit worden door een aanmaning gedaan hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij tegen ontvangstbewijs. De verjaring van de vordering werd gestuit door de aangetekende ingebrekestellingen van 15 december 2000 en 11 oktober 2002 (stukken 5 c en 8 van het dossier van het OCMW Mechelen). De vordering is aldus niet verjaard.
  8. Het OCMW Mechelen roept als een rechtsgrond van de terugvordering artikel 98 in van de wet van 8 juli
  9. Overeenkomstig artikel 98 § 1 al 4 van deze wet vordert het centrum het geheel van de kosten van de maatschappelijke dienstverlening terug ingeval van vrijwillige onjuiste of onvolledige aangifte vanwege de begunstigde. Er wordt niet aangevoerd, en dit blijkt evenmin uit het dossier, dat er sprake geweest is van een vrijwillige onjuiste of onvolledige aangifte. Evenmin kan toepassing gemaakt te worden van artikel 98 § 2 van dezelfde wet dat de terugvordering beoogt ten laste van de onderhoudsplichtigen of ten laste van degene die aansprakelijk zijn voor de verwondingen of ziekte die het verstrekken van de hulpverlening noodzakelijk heeft gemaakt. De omstandigheid dat het OCMW Mechelen een niet adequate basis aangeeft als rechtsgrond voor zijn terugvordering, houdt echter niet in dat de terugvordering dient afgewezen te worden. Het is de taak van de rechter om op de betwisting die hem voorgelegd wordt de juiste rechtsregels toe te passen, onder voorbehoud van het respect van de regels van de verdediging. In zijn mondeling advies heeft het openbaar ministerie de mogelijke terugvorderingsgronden onderzocht en verwezen naar de eventuele toepassing van artikel 99 § 1 van de wet. Partijen hebben daarop kunnen repliceren.
  10. Overeenkomstig artikel 99 § 1 van de wet vordert het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de kosten van de hulpverlening terug wanneer een persoon de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor hulp werd verleend en dit tot beloop van het bedrag van deze inkomsten. Vermits de maatschappelijke dienstverlening werd toegekend als voorschot op te ontvangen werkloosheidsuitkeringen, kan de maatschappelijke dienstverlening aldus teruggevorderd worden overeenkomstig artikel 99 § 1, op voorwaarde dat vaststaat dat de begunstigde de beschikking gekregen heeft over die inkomsten.
  11. De heer V. H. betwist niet dat hem werkloosheidsuitkeringen toegekend werden voor de periode waarop de terugvordering slaat. Op deze werkloosheidsuitkeringen werd echter een beslag gelegd ingevolge achterstallige onderhoudsverplichtingen, zodanig dat de werkloosheidsuitkeringen hem niet effectief werden betaald, maar aangewend werden voor de betaling van zijn schulden. In zijn arresten van 17 mei 1993 (Soc. Kron. 1994, 449) en van 14 september 1998 ( J.T.T.1999, 61 en A.J.T. 1999-2000, p. 38 met noot Veny) heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat bij het onderzoek naar de bestaansmiddelen van de steunaanvrager, rekening dient gehouden te worden met alle inkomsten van de steunaanvrager, en dit zoals deze bestaan vóór ieder beslag dat daarop gelegd wordt omwille van onderhoudsverplichtingen. De achterliggende idee achter deze rechtspraak is dat dient vermeden te worden dat de gemeenschap moet opdraaien voor het niet nakomen van de burgerrechtelijke onderhoudsverplichtingen van de aanvrager (cfr. noot Veny, p.40). Dezelfde regel dient volgens het hof toegepast te worden voor wat betreft de terugvordering van de bij wijze van voorschot toegekende steun. Artikel 99 § 1 vindt toepassing van zodra vaststaat dat er een betaling van werkloosheidsuitkeringen (of andere uitkeringen) is geweest, dit ongeacht het feit of de betaling, ingevolge een beslag, niet effectief in handen van de aanvrager is gebeurd. Weliswaar zou de toepassing van deze regel er niet toe mogen leiden dat de steunaanvrager in de onmogelijkheid wordt geplaatst een menswaardig leven te leiden, maar dit probleem stelt zich niet vermits de heer V. H. , volgens zijn verklaringen sinds 1996 over regelmatige inkomsten uit arbeid beschikt en aldus in de mogelijkheid was de bij wijze van voorschot verleende steun terug te betalen, zonder dat zijn recht op een menswaardig leven in het gedrang kwam.
  12. De terugvordering is dan ook gegrond voor het bedrag dat in graad van beroep nog gevorderd wordt. De omstandigheid, zoals aangevoerd door de heer V. H. , dat het OCMW Mechelen hem nooit vóór de procedure volledige duidelijkheid heeft kunnen of willen verschaffen over de precieze grondslag van de terugvordering, kan niet tot gevolg hebben dat hij vrijgesteld wordt van de terugbetaling van hetgeen hij onverschuldigd ontvangen heeft. De eventuele schade die hij zou geleden hebben door het gebrek aan een doorzichtigheid van de terugvordering, wordt gedekt door het feit dat het OCMW van Mechelen, noch voor de eerste rechter, noch voor het hof moratoire intresten heeft gevorderd. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gehoord in zijn mondeling advies, de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond; Hervormt het bestreden vonnis in de volgende mate. Veroordeelt de heer V. H. tot betaling van de som van 2.776,63 euro . Veroordeelt, overeenkomstig artikel 1017 al.2 van het Gerechtelijk Wetboek, het OCMW Mechelen tot de kosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van de heer V. H. op 248,64 euro zoals gevorderd. Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: F. Kenis, raadsheer, voorzitter; I. Van Damme, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; K. Gacoms, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; S. Van der hoeven, griffier. F. Kenis S. Van der hoeven K. Gacoms I. Van Damme en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vijf november tweeduizend en negen van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel door: F. Kenis raadsheer, voorzitter Bijgestaan door S. Van der hoeven, griffier. F. Kenis S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091105.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.