id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 13 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091113.3 Rolnummer: 51.430 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-11-26 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-02 20:35 Fiche Van zodra een arbeidsovereenkomst geldig werd afgesloten, kan ze door één van de partijen worden beëindigd, zelfs indien de arbeidsovereenkomst nog niet werd aangevangen. Wanneer partijen akkoord zijn om de overeengekomen aanvangsdatum van de overeenkomst te verdagen zonder de nieuwe datum duidelijk vast te leggen, kan de werkgever geen impliciet ontslag inroepen omwille van een contactuele wanprestatie, wanneer de werknemer de wil uitdrukte om de arbeidsovereenkomst aan te vangen en hierover overleg vroeg. Door onterecht impliciet ontslag in te roepen, heeft de werkgever zelf de arbeidsovereenkomst beëindigd. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Algemeen Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Beëindiging arbeidsovereenkomst voor begin van uitvoering - Impliciet ontslag. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 39 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 13 NOVEMBER
- DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: Mevrouw M.B. , wonende te [xxx] Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter E. Wauters, advocaat te 1050 Brussel; Tegen : DE N.V. VEKMO, KBO nr. 0473.588.048, met zetel gevestigd te 8000 Brugge, Sint-Clarastraat, 48bis, Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter T. Verstraete loco Mter A. Lachaert, advocaat te 9051 Sint-Denijs-Westrem; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank van Leuven (1ste kamer B ) op de openbare terechtzitting van 24 juli 2008; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 14 oktober 2008; - de besluiten en synthesebesluiten van geïntimeerde neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel, respectievelijk op 15 januari 2009 en 15 april 2009; - de besluiten en aanvullende synthesebesluiten van appellante neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel, respectievelijk op 6 maart 2009 en 30 april 2009; - de bundel met stukken neergelegd door geïntimeerde ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 6 oktober 2009; - de bundel met stukken neergelegd door appellante ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 15 oktober 2009; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 16 oktober 2009, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.
- FEITEN EN RECHTSPLEGING.
- Op 2 november 2006 ondertekenden mevrouw M.B. en de N.V. Vekmo een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, waarvan artikel 1 bepaalt : De werkgever neemt de bediende in dienst met ingang van 1 januari 2007 als adjunct-directeur. De aanwerfdatum kan in wederzijds overleg gewijzigd worden. Mevrouw M.B. was klaarblijkelijk nog tewerkgesteld bij haar vorige werkgever en diende deze arbeidsovereenkomst nog te beëindigen. Dit was schijnbaar nog niet rond op 1 januari 2007, zodat mevrouw M.B. op de overeengekomen datum niet in dienst kwam bij de N.V. Vekmo, waartegen deze niet protesteerde. In het kader van e-mailcorrespondentie over de indiensttreding tussen haarzelf en de directeur van de N.V. Vekmo, de heer Patrick Godelie, schreef deze laatste op 20 februari 2007 : Ik vind dit een zeer moeilijke situatie worden. Er rest ons nog net één week ...Ik hoop dat je met de nodige sereniteit aan een nieuwe opdracht kan beginnen. Je wordt verwacht in Leuven op 1 maart
- Mevrouw M.B. liet hierop weten dat zij voor de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst met de vorige werkgever een nieuwe advocaat had gekozen en dat zij hierover met de heer Godelie wilde spreken tijdens een etentje in de loop van de week. Ze benadrukte dat het nog steeds haar bedoeling was om te komen. De heer Godelie stelde hierop een afspraak voor op woensdag 21 februari 2007 in een restaurant vlakbij de exploitatiezetel. In een aangetekend schrijven van de N.V. Vekmo aan mevrouw M.B. van 9 maart 2007 werd contractbreuk vastgesteld, omwille van volgende reden : Wij stellen vast dat u uw tewerkstelling bij ons, die volgens de gesloten arbeidsovereenkomst uiterlijk per 1 maart 2007 zou starten, ondanks herhaalde voorafgaande herinneringen, niet heeft aangevat. De werkgever vroeg betaling van een opzeggingsvergoeding van 1 maand + 1 week, hetzij samen euro 6.652,60, te vermeerderen met diverse kosten die voor mevrouw M.B. werden gedaan, zodat in totaal een bedrag van euro 12.305,80 werd gevorderd. In een aangetekend schrijven van de raadsman van de N.V. van 10 april 2007 werd de contractbreuk bevestigd, maar werd de schadevergoeding gebracht op euro 36.912, zijnde een opzeggingsvergoeding van 6 maanden. Dit standpunt werd vervolgens door de raadsman van mevrouw M.B. betwist en ook uit de verdere briefwisseling volgde geen oplossing van het geschil.
- Op 3 augustus 2007 heeft de N.V. Vekmo mevrouw M.B. gedagvaard voor de arbeidsrechtbank te Leuven en vorderde de opzeggingsvergoeding van euro 36.912, meer de intresten en de kosten. Mevrouw M.B. stelde een tegenvordering in tot het bekomen van een schadevergoeding wegens rechtsmisbruik ten bedrage van euro 2.500 en vroeg in ondergeschikte orde de herleiding van de opzeggingsvergoeding tot euro
- Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven van 24 juli 2008 werden hoofd- en tegenvordering ontvankelijk verklaard; de hoofdvordering werd gedeeltelijk gegrond verklaard ten bedrage van een opzeggingsvergoeding van 6 weken of euro 7.468, te vermeerderen met de intresten, terwijl de tegenvordering ongegrond werd verklaard. De gerechtskosten werden omgeslagen. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 14 oktober 2008, tekende mevrouw M.B. hoger beroep aan tegen dit vonnis en vroeg dat de oorspronkelijke vordering van de N.V. Vekmo ongegrond zou worden verklaard, terwijl haar tegenvordering gegrond diende te worden verklaard, maar ze breidde deze uit tot het bekomen van een compenserende opzeggingsvergoeding van euro 13.
- Tevens vroeg zij de veroordeling van de N.V. Vekmo tot de kosten van beide aanleggen. De N.V. Vekmo stelde incidenteel beroep in voor het afgewezen gedeelte van haar vordering. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel hoger beroep. De beëindiging van de niet begonnen arbeidsovereenkomst.
- Van zodra een arbeidsovereenkomst geldig werd afgesloten, kan ze door één van de partijen worden beëindigd, zelfs indien de arbeidsovereenkomst nog niet werd aangevangen ( Cass., 26 september 1994, JTT 1994, 472; Arbh. Brussel, 24 oktober 2008, AR 49896; I. PLETS, Beëindiging van de arbeidsovereenkomst vóór het begin van uitvoering van de arbeidsovereenkomst en tijdens de opzegtermijn, T.S.R. 1998, 556, nr. 15).
- In deze zaak roept de werkgever in dat de werkneemster éénzijdig de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd door deze niet aan te vatten op de overeengekomen datum. Hij beroept zich aldus op het impliciet ontslag van de werkneemster door het foutief niet aanvatten van de overeenkomst. Wanneer een partij tekort komt aan de verplichtingen die voor haar voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst, doet zulks op zichzelf de arbeidsovereenkomst niet eindigen ( Cass., 5 januari 1977, Arr. Cass. 1977,487; Cass., 14 april 1980, R.W. 1980 -81, 979 met conclusie Openbaar Ministerie; Cass., 27 oktober 1986, Soc. Kron., 1987, 116; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990 -91, 1437; Cass., 1 februari 1993, Soc. Kron. 1993, 304 met noot). Enkel wanneer de blijvende wil blijkt om de overeenkomst in haar geheel of voor een belangrijk deel niet meer uit te voeren kan er sprake zijn van een onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst ( Cass., 26 maart 1984, Arr. Cass. 1983-84, 973; Cass., 7 maart 1994, Arr. Cass. 1994, 232). Of de partij die aan een verplichting tekort komt, uiting geeft aan de wil om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, is een feitelijk gegeven waarover de feitenrechter oordeelt ( Cass., 26 februari 1990, Soc. Kron. 1990, 273). Deze wil dient afgeleid worden uit de concrete omstandigheden eigen aan de zaak (Arbh. Brussel 1 juni 1979, JTT 1980,143). De partij die ten onrechte contractbreuk verwijt aan een andere partij, begaat een tekortkoming waarbij zijzelf de wil uitdrukt om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, zodat in dat geval deze partij zelf de arbeidsovereenkomst onrechtmatig beëindigt ( Arbh. Antwerpen, 14 oktober 1993, JTT 1994, 213; Arbh. Antwerpen, 4 februari 1997, R.W. 1997-98, 50).
- Uit het feitenrelaas volgt dat mevrouw M.B. alleszins de arbeidsovereenkomst niet aangevat heeft op de aanvankelijk overeengekomen datum van 1 januari 2007; in artikel 1 van de arbeidsovereenkomst was opgenomen dat deze datum in wederzijds overleg kon gewijzigd worden. Mevrouw M.B. houdt voor dat de N.V. Vekmo akkoord ging dat ze niet aanvatte op 1 januari 2007, maar dat de N.V. vervolgens de datum van 1 maart 2007 éénzijdig en niet in wederzijds overleg heeft bepaald. Of mevrouw M.B. in deze omstandigheden een tekortkoming pleegde aan wat overeengekomen was, valt moeilijk vast te stellen, gelet op het ontbreken van bewijsstukken en gelet op de tegenstrijdige uitleggingen van partijen. Wanneer de N.V. Vekmo impliciet ontslag lastens mevrouw M.B. inroept, heeft ze de bewijslast in verband met deze tekortkoming. Maar de enkele tekortkoming aan hetgeen overeengekomen was, volstaat niet voor het inroepen van impliciet ontslag, omdat de N.V. Vekmo bijkomend dient aan te tonen dat mevrouw M.B. de wil had om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Dit kan door de N.V. Vekmo niet volgehouden worden, daar mevrouw M.B. in antwoord op de e-mail, waarin de aanvangsdatum van 1 maart 2007 werd vastgesteld, liet weten dat ze de moeilijkheden wou bespreken en uitleggen, maar ook dat het nog steeds haar bedoeling was om te komen werken. Aldus bevestigde zij dat ze de wil had om de arbeidsovereenkomst uit te voeren, wat inhoudt dat ze geenszins de arbeidsovereenkomst wilde beëindigen.
- Door onterecht impliciet ontslag in te roepen, heeft de N.V. Vekmo dan ook zelf de arbeidsovereenkomst beëindigd en is ze in beginsel betaling van een opzeggingsvergoeding aan mevrouw M.B. verschuldigd. Hieruit vloeit voort dat haar vordering lastens mevrouw M.B. ongegrond is en het hoger beroep van mevrouw M.B. gegrond. Het incidenteel beroep van de N.V. Vekmo is dus ook ongegrond. Terecht werpt de NV Vekmo op dat mevrouw M.B. haar vordering tot het bekomen van een opzeggingsvergoeding voor de eerste maal formuleerde in het verzoekschrift tot hoger beroep van 14 oktober 2008, zijnde meer dan een jaar na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 9 maart 2007, zodat deze vordering verjaard is bij toepassing van artikel 15 van de arbeidsovereenkomstenwet. Schadevergoeding wegens misbruik van procesrecht.
- Mevrouw M.B. meent dat de N.V. Vekmo misbruik van procesrecht heeft gemaakt, omdat ze haar vordering baseerde op het zogenaamd akkoord om de arbeidsovereenkomst aan te vatten op 1 maart 2007, terwijl de N.V. wist dat zij dit éénzijdig had opgelegd. Hierboven werd vastgesteld dat omtrent dit punt geen duidelijkheid bestaat, wat partijen aan zichzelf te wijten hebben door enkel mondeling te communiceren en nadien mekaars gezegdes te betwisten. Er kan dan ook geen misbruik van procesrecht weerhouden worden en de kosten in verband met de tussenkomst van een advocaat in de procedure worden vergoed door de rechtsplegingsvergoeding. Partijen verwijzen wat dit laatste betreft beiden naar het basisbedrag. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk, Verklaart het hoger beroep gedeeltelijk gegrond en het incidenteel beroep ongegrond. Vernietigt het betreden vonnis en opnieuw rechtdoende, Verklaart de oorspronkelijke vordering van de N.V. Vekmo en de oorspronkelijke tegenvordering van mevrouw M.B. beiden ongegrond; Verklaart de uitbreiding van de tegenvordering van mevrouw M.B. verjaard. Veroordeelt de N.V. Vekmo tot de kosten van beide aanleggen, deze aan de zijde van mevrouw M.B. begroot op rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg basisbedrag euro 2.000 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep basisbedrag euro 2.000 totaal euro 4.000 en voor zover als nodig aan de zijde van de N.V. Vekmo begroot op euro 4.129,
- Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof op 13 november 2009, waar aanwezig waren : De Heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw L. REYBROECK, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer H. ENGELEN, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS, L. LENAERTS, L. REYBROECK, H. ENGELEN. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 13 november 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091113.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div