id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 03 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091203.3 Rolnummer: 51.362 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-12-16 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-02 20:44 Fiche De door een vakantiegeld gedekte dagen kunnen niet aangerekend worden op de periode die gedekt is door een opzeggingsvergoeding., ook al is de werkloze niet in staat geweest zijn vakantiedagen uit te putten ten laatste in de maand december van het jaar dat volgt op het vakantiedienstjaar.(vgl. art 20van het M.B. van 26 november 1991). Artikel 12, laatste alinea van het koninklijk besluit van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen dat bepaalt dat voor de toepassing van de artikelen 10, 11 en 12 van dat koninklijk beskuit geen rekening wordt gehouden met de verlenging van de opzeggingstermijn doorgevoerd in toepassing van de artikelen 38, § 2 en 38 bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten staat hieraan niet in de weg;. Deze bepaling heeft kennelijk enkel als doel te vermijden dat een schorsing van de opzeggingstermijn zou verstrijken na het verstrijken van de geldigheidsperiode van de C.A.O. of het collectief akkoord. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden - Afwezigheid loon Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID - aanrekening van door vakantiegeld gedekte dagen - brugpensioenregeling Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 46 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Ministerieel Besluit - 26-11-1991 - 20 - 30 ELI link Pub nr 1992013272 Nota: V .A. N 46 ( M.B. van 26.11.1991) art. 20 De voorziening in Cassatie werd verworpen door Hof van cassatie 20.09.2009, 3de Kamer, 20/09/2010, Nr S.10.0020.N. Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIE DECEMBER TWEEDUIZEND EN NEGEN. 7e KAMER not. art. 580, 2°, Ger. W. werkloosheidsuitkering tegenspraak definitief In de zaak : P. W. , woonskeuze doende bij zijn raadlieden te 1050 Brussel, Waterloosesteenweg 612, appellant, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester J. Moens loco meester J. Mommens en loco meester K. Vercreaye, beiden advocaat te Brussel, tegen : 1.RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, eerste geïntimeerde, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester R. Swennen, advocaat te Zellik, 2.HULPKAS VOOR WERKLOOSHEIDSUITKERINGEN, openbare instelling, met zetel te 1210 Brussel, Brabantstraat 62, tweede geïntimeerde, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door mevrouw J. Christiaens, optredend als wettelijke vertegenwoordigster in rechte, houdster van een schriftelijke volmacht daartoe * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken : -het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel, uitgesproken op tegenspraak door de twintigste kamer op 25 juni 2008, ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 1 juli 2008 overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W.; -het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie op 15 september 2008; -de conclusies voor beide partijen; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 15 oktober
- Het openbaar ministerie heeft op 21 oktober 2009 zijn schriftelijk advies ter griffie neergelegd. Partijen hadden de mogelijkheid om tot 5 november 2009 een repliek op dat advies ter griffie neer te leggen, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden. * * * I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
- De heer P. werd in het kader van een herstructurering door zijn werkgever ontslagen bij schrijven van 23 juni
- In de overeenkomst die opgesteld werd bij het ontslag, werd voorzien in de toekenning van een opzeggingstermijn van 38 maanden, die de periode dekte van 1 juli 2005 tot en met 31 augustus
- Ingevolge de erkenning van de onderneming als onderneming in moeilijkheden, werd deze overeenkomst herzien en werd tussen partijen, in toepassing van artikel 12 van het Koninklijk Besluit van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen ingeval van conventioneel brugpensioen, een verkorte opzeggingstermijn van 15 maanden overeengekomen die afliep op 30 september
- Op 1 oktober 2006 vroeg de heer P. werkloosheidsuitkeringen aan.
- Bij beslissing van 18 januari 2007 oordeelde de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dat de heer P. slechts vanaf 30 oktober 2006 aanspraak kon maken op werkloosheidsuitkeringen omdat hij eerst de dagen vakantie, waarop hij recht had op het ogenblik van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, nog diende uit te putten. Bij verzoekschrift van 18 april 2007 heeft de heer P. deze beslissing betwist voor de arbeidsrechtbank te Brussel. Hij vroeg verder dat het vonnis gemeen zou verklaard worden aan de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen.
- Bij vonnis van 25 juni 2008 heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de heer P. afgewezen van zijn vordering. Het vonnis werd gemeen verklaard aan de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen. Het vonnis werd aan de heer P. ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 1 juli
- Bij verzoekschrift van 15 september 2008 heeft de heer P. beroep aangetekend tegen dit vonnis. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is eveneens tijdig ingesteld vermits in toepassing van artikel 50 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek de termijn van hoger beroep wordt verlengd tot de 15e dag van het nieuwe gerechtelijk jaar indien de termijn van beroep binnen de gerechtelijke vakantie begint te lopen en ook verstrijkt. Het hoger beroep is ontvankelijk. III. BEOORDELING.
- De heer P. is van oordeel dat de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ten onrechte de opzeggingstermijn ‘verlengd' heeft. Hij verwijst naar de toepassing van artikel 12 van het Koninklijk Besluit van 7 december 1992 dat voorziet dat, voor de toepassing van dit Koninklijk Besluit, geen rekening gehouden wordt met de verlenging van de opzeggingstermijn, zoals voorzien door artikel 38 § 2 en 38 bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
- Om werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten moet de werkloze zonder arbeid en zonder loon zijn wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil (artikel 44 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - hierna genoemd werkloosheidsbesluit). Artikel 46 van het werkloosheidsbesluit bepaalt dan verder in zijn § 1: " Wordt voor de toepassing van artikel 44 inzonderheid als loon beschouwd: ... 3° het vakantiegeld ... 5° de vergoeding waarop de werknemer aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met uitzondering van de vergoeding wegens morele schade en de vergoeding die toegekend wordt ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering. ... De Minister kan na advies van het beheerscomité bepalen: 1° het tijdstip waarop de werkloze de dagen gedekt door vakantiegeld of door de bezoldiging bedoeld in het eerste lid, 3° en 4° moet uitputten alsmede de wijze waarop het aantal dagen dat door deze bezoldiging gedekt is wordt berekend". In uitvoering van dit laatste lid bepaalt het Ministerieel Besluit van 26 november 1991, artikel 20, 1° het volgende: " Artikel 20 De werkloze moet de dagen die gedekt zijn door vakantiegeld ten laatste uitputten in de maand december van het jaar dat volgt op het vakantiedienstjaar. De door vakantiegeld gedekte dagen mogen niet uitgeput worden tijdens periodes van volledige werkloosheid die niet vergoedbaar zijn in toepassing van artikel 46 van het Koninklijk Besluit ingevolge het ontvangen van een vergoeding wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst...".
- Uit deze bepalingen volgt dat zowel het vakantiegeld als de verbrekingsvergoeding loon vormen voor de toepassing van art. 44 van het werkloosheidsbesluit, zodat de werkloze geen werkloosheidsuitkeringen kan ontvangen voor de periodes waarop dit loon betrekking heeft. Indien de werkloze niet in staat geweest is zijn vakantiedagen uit te putten ten laatste in de maand december van het jaar dat volgt op het vakantiedienstjaar, dan dienen deze vakantiedagen aangerekend te worden vooraleer het recht op werkloosheidsuitkeringen effectief kan geopend worden (cfr. Arbeidshof Brussel, 10.04.2008, A.R. nr. 49.871 inzake RVA t D Arbh. Antwerpen, 13.09.2007, J.T.T. 2008, p. 88; Arbh. Gent, 7.02.200 ). De omstandigheid dat de regeling inzake werkloosheid daarbij afwijkt van de regeling die van toepassing is in de verhouding tussen werkgever en werknemer in het kader van de vakantiewetgeving (waarbij de vakantie niet verder overdraagbaar is naar een volgend kalenderjaar) is geen reden om deze wetgeving niet toe te passen. Beide wetgevingen regelen een verschillende aangelegenheid.
- Overeenkomstig artikel 12 al.1 van het Koninklijk Besluit van 7 december 1992 kan, in het kader van een brugpensioenregeling voor de ondernemingen in moeilijkheden of voor de ondernemingen in herstructurering, worden voorzien in de inkorting van de opzeggingstermijn of van de door de opzeggingsperiode gedekte termijn, en dit in afwijking van artikel 46 van het werkloosheidsbesluit van 25 november
- Vereist is dat deze verkorting van de opzeggingstermijn wordt voorzien in een algemeen verbindend verklaarde C.A.O. (of bij gebreke daaraan een C.A.O. of een collectief akkoord goedgekeurd door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid) en dat de opzeggingstermijn, of de door de opzeggingsvergoeding gedekte periode, verstrijkt gedurende de periode tijdens dewelke de C.A.O. of het collectief akkoord van toepassing zijn. Artikel 12 laatste alinea bepaalt dat voor de toepassing van de artikelen 10,11 en 12 van het besluit, geen rekening gehouden wordt met de verlenging van de opzeggingstermijn, zoals die volgt uit de toepassing van artikel 38 § 2 en 38 bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (schorsing van de opzeggingstermijn tijdens de periode van jaarlijkse vakantie). De draagwijdte van deze bepalingen is: te bepalen dat in het kader van de brugpensioenregeling voor ondernemingen in moeilijkheden of herstructurering, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dient rekening te houden met de aldus verkorte opzeggingstermijn en niet met de normale opzeggingstermijnen ; een vast karakter te verlenen aan de verkorte opzeggingstermijn. Daarbij lag, zoals terecht opgemerkt door het Openbaar Ministerie in zijn advies, kennelijk enkel de bedoeling voor te vermijden dat een schorsing van de opzeggingstermijn voor gevolg zou hebben dat deze opzeggingstermijn zou verstrijken na de geldigheidsperiode van de C.A.O. of het collectief akkoord. Deze bepalingen zijn zonder invloed op de toepassing van de sub 2 genoemde wetsbepalingen en op het verbod om werkloosheidsuitkeringen te cumuleren met vakantiegeld. Overigens blijkt uit de neergelegde stukken dat de heer P. in feite geen opzeggingstermijn gepresteerd heeft maar dat hij een verbrekingsvergoeding ontvangen heeft, overeenstemmend met de opzeggingstermijn, zodat zijn situatie niet geviseerd wordt door artikel 12 laatste alinea. Deze laatste alinea verwijst, in tegenstelling met wat de heer P. aanvoert in besluiten na advies van het openbaar ministerie, uitdrukkelijk enkel naar een verlenging van de opzeggingstermijn. Een opzeggingsvergoeding kan overigens per definitie niet verlengd worden.
- De bestreden beslissing werd dan ook terecht en in overeenstemming met wettelijke bepalingen genomen. Daaruit volgt noodzakelijk dat de vordering in schadeloosstelling ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ongegrond is. Het bestreden vonnis dient dan ook bevestigd te worden. Het arrest wordt gemeen verklaard aan de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen. Veroordeelt, overeenkomstig artikel 1017 al.2 van het Gerechtelijk Wetboek, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tot de kosten van het hoger beroep, niet begroot in hoofde van de heer P. . Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: F. Kenis, raadsheer, voorzitter; I. Van Damme, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; K. Gacoms, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; S. Van der hoeven, griffier. F. Kenis S. Van der hoeven K. Gacoms I. Van Damme en uitgesproken op de openbare terechtzitting van drie december tweeduizend en negen van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel door: F. Kenis raadsheer, voorzitter Bijgestaan door S. Van der hoeven, griffier. F. Kenis S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091203.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div