id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 04 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091204.1 Rolnummer: 2008/AB/51421 Rechtsgebied: Overige - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-12-16 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-02 20:43 Fiche 1 Wanneer de rechter krachtens artikel 747 § 2 Ger.Wetboek een termijn bepaalt om conclusie te nemen, moet de conclusie die na het verstrijken van de bepaalde termijn is overgelegd, ambtshalve uit het debat worden geweerd. Dit artikel heeft niet de strekking dat een partij die nalaat binnen de aldus bepaalde termijn een conclusie te nemen, hierdoor noodzakelijk het recht verbeurt om in een latere termijn een conclusie te nemen. De rechter mag op vordering van een wederpartij enkel een deloyale proceshouding sanctioneren en kan op die grond een conclusie uit het debat weren. Deze leer geldt ook na de wet van de 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Conclusie - Termijnen Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Laattijdige conclusie - Conclusie in latere termijn. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 747,§2 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Nota: Gerangschikt onder I A art. 747 §
- Een andere korte inhoud is gerangschikt onder II AAN art.
- Fiche 2 Een ontslag om dringende reden kan gegeven worden door een lasthebber van de werkgever. Wanneer het ontslag wordt gegeven door iemand die onvoldoende gemandateerd is, kan dit ontslag immers naderhand worden bekrachtigd door de bevoegde persoon. Dergelijke bekrachtiging kan stilzwijgend zijn. Een dergelijke bekrachtiging werkt dan terug tot op de daturn van het ontslag. Door het ontbreken van een tijdige betwisting van het mandaat van de zijde van de bediende, moet worden aangenomen dat er minstens een stilzwijgende onmiddellijke bekrachtiging van het ontslag heeft plaatsgehad. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Ontslag om dringende reden Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Ontslag om dringende reden gegeven door een daartoe niet gemandateerde persoon. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN art.
- Een andere korte inhoud is gerangschikt onder I A art. 747 §
- Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 4 DECEMBER
- DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Getuigenverhoor op 19 februari 2010 om 10 uur In de zaak: DE N.V. BELGIAN SHELL, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1050 Brussel, A. Fraiteurlaan, 15-23, met als KBO-nummer 0403.048.262, rechtsopvolger door fusie van de N.V. CAR ACCESORIES AND SPECIALITIES (afgekort als N.V. C.A.R.S.), K.B.O.-nummer 0402.2596.223 met maatschappelijke zetel gevestigd te 3001 Heverlee, Sint-Jansbergsesteenweg, 403, Appellante, vertegenwoordigd door Mter R. Swennen, advocaat te 1731 Zellik; Tegen : Mevrouw I., wonende te [xxx], Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter T. De Ketelaere loco Mter J. De Ketelaere, advocaat te 3000 Leuven; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank van Leuven (1ste kamer B ) op de openbare terechtzitting van 24 juli 2008; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 9 oktober 2008; - de besluiten en synthesebesluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel, respectievelijk op 27 mei 2009 en 1 september 2009; de bundel met stukken neergelegd door geïntimeerde ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 26 oktober 2009; de bundel met stukken neergelegd door appellante ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 30 oktober 2009; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 6 november 2009 neer, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd. FEITEN EN RECHTSPLEGING.
- Mevrouw I. en de N.V. Cars Accessories and Specialities ondertekenden op 20 december 2000 een arbeidsovereenkomst voor bedienden voor een bepaalde tijd, met name van 1 januari 2001 tot 30 juni 2001, waardoor mevrouw I. tewerkgesteld werd als bediende in de tankshop aan de E40 te Heverlee. Op 14 juni 2001 werd een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd afgesloten vanaf 1 juli
- Op 15 juli 2004 ontving mevrouw I. een mededeling in verband met inventaristekorten m.b.t. de rookwaren en een verdubbeling van het aantal wegrijders. Op 29 juni 2006 volgde een aangetekende aanmaning in verband met een postverlating. Op 6 februari 2007 ondertekende mevrouw I. een dienstmededeling van 11 december 2003 met volgende inhoud : Wanneer een kassier(ster) ( indien 2 kassiers aanwezig) een product koopt in de shop zal hij dat betalen aan de kassa ( in de shop) en zijn ticket op een van de producten kleven. Een kassier(ster) die alleen werkt moet tevens het kasstuk op het product kleven. Bij aangetekende brief van 15 februari 2007 werd zij ontslagen met volgende dringende redenen : Op 13 februari 2007 hebben wij inderdaad kennis genomen van de volgende feiten, die het voortzetten van onze arbeidsrelatie definitief en onmiddellijk onmogelijk maken namelijk het herhaaldelijk nemen van consumptiegoederen uit de shop voor eigen gebruik zonder ze aan de kassa te betalen. Immers : op 2 februari werd door onze firma vastgesteld dat sommige personeelsleden de procedure i.v.m. eigen consumptie niet volgen. Deze procedure is als volgt : indien een personeelslid een blikje of een ander product neemt uit de shop dient dit voorafgaandelijk aan consumptie gescand en betaald aan de kassa waarna het etiket ter bewijs van betaling op het product dient geplakt te worden. Deze procedure werd nogmaals aan alle personeelsleden uitgelegd en ter ondertekening aan ieder afzonderlijk voorgelegd. Uzelf heeft deze regels ondertekend op 6 februari
- Op maandag 12 januari werd de site manager door personeelslid Wendy Vanstraelen op de hoogte gesteld dat u deze procedure nog steeds niet volgt en op zaterdagmorgen 10 februari bij uw shift een blikje cola heeft genomen zonder dit te betalen, getuige hiervan personeelslid Carla Beelen. Op dinsdag 15 februari heeft de site manager de directie hiervan op de hoogte gebracht; ook op deze laatste dag heeft u nogmaals tijdens uw shift een blikje cola genomen zonder dit te betalen, getuige hiervan deze keer personeelslid Johan Wallaert. Deze beide feiten worden door getuigenis bevestigd en zijn ook zichtbaar op onze camerabeelden. U heeft deze feiten tijdens een gesprek op 15 februari 2007 met de directie ( Els Renders), site manager ( Danny Claes) en vakbondsvertegenwoordigers ( Johan Wallaert) erkend en bevestigd dat u inderdaad meermaals drank neemt zonder te betalen. U zal begrijpen dat deze handelwijze, volledig in strijd is met de formele regels, die u nog onlangs eens werden bekendgemaakt, het ons totaal onmogelijk maakt u nog verder als kassierster in dienst te houden, zodat wij genoodzaakt zijn om op basis van voormelde feiten de arbeidsovereenkomst meteen te verbreken... Bij aangetekende brief van 5 maart 2007 betwistte de raadsman van mevrouw I. dit ontslag met dringende reden in vrij algemene bewoordingen. Partijen kwamen niet tot overeenstemming, zodat mevrouw I. op 21 mei 2007 haar werkgever dagvaardde voor de arbeidsrechtbank te Leuven en betaling vorderde van : -een opzeggingsvergoeding van 6 maanden, becijferd op euro 13.941,77 -een pro rata eindejaarspremie van euro 238,69 -een niet concurrentie vergoeding van 6 maanden of euro 13.941,77 al deze bedragen te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten; tevens vroeg mevrouw I. afgifte van de sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom en ze vroeg betaling van de gerechtskosten.
- Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven van 24 juli 2008 werd deze vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard en werd de N.V. Car Accessories and Specialities veroordeeld tot betaling van een opzeggingsvergoeding van euro 13.313 bruto, een pro rata eindejaarspremie van euro 238,69, te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten; de gerechtskosten werden gecompenseerd in de zin dat de dagvaardingskosten ten laste van de N.V. werden gelegd en voor het overige elke partij de eigen gemaakte kosten diende te dragen. De vordering tot betaling van de niet concurrentie vergoeding werd afgewezen.
- Bij verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 9 oktober 2008, tekende de N.V. Car Accessories and Specialities hoger beroep aan en vroeg dat de oorspronkelijke vordering van mevrouw I. volledig ongegrond zou worden verklaard, minstens dat haar een getuigenverhoor zou worden toegestaan. Na de inleidingzitting van 4 november 2008 besliste de voorzitter van deze kamer op 12 december 2008 tot een gerechtelijke instaatstelling, waarbij de conclusietermijnen werden vastgesteld en de pleitzitting werd bepaald op 6 november
- De eerste besluiten in graad van hoger beroep van mevrouw I. werden laattijdig neergelegd, zijnde op 27 mei 2009, terwijl de beschikking 747 §2 voorzag dat dit diende te gebeuren uiterlijk op 4 april
- Appellante legde geen beroepsbesluiten meer neer, doch op 14 augustus 2009 hernam de N.V. Belgian Shell het geding voor de N.V. Car Accessories and Specialities, gelet op het fusievoorstel door opslorping van deze laatste vennootschap door de N.V. Belgian Shell, goedgekeurd in de buitengewone algemene vergadering van 28 mei
- Bij synthesebesluiten, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 1 september 2009 hernam mevrouw I. haar beroepsbesluiten van 27 mei 2009 ten aanzien van de N.V. Belgian Shell. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.
- Ter zitting van 6 november 2009 vraagt de N.V. Belgian Shell dat wegens laattijdige neerlegging niet enkel de beroepsconclusies van mevrouw I. (neergelegd op 27 mei 2009) maar ook de daaropvolgende synthesebesluiten (neergelegd op 1 september 2009) uit de debatten zouden worden geweerd. Overeenkomstig de beschikking tot gerechtelijke instaatstelling van 12 december 2008 had mevrouw I. nog de mogelijkheid tot 3 oktober 2009 om haar synthesebesluiten neer te leggen.
- Wanneer de rechter krachtens artikel 747 §2 Ger. Wetboek een termijn bepaalt om conclusie te nemen, moet de conclusie die na het verstrijken van de bepaalde termijn is overgelegd, ambtshalve uit het debat worden geweerd. Dit artikel heeft niet de strekking dat een partij die nalaat binnen de aldus bepaalde termijn een conclusie te nemen, hierdoor noodzakelijk het recht verbeurt om in een latere termijn een conclusie te nemen. De rechter mag op vordering van een wederpartij enkel een deloyale proceshouding sanctioneren en kan op die grond een conclusie uit het debat weren ( Cass., 27 november 2003, JTT 2005, 418). De leer van het cassatiearrest van 27 november 2003 blijft behouden na de wet van de 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand. ( E. Brewaeys, B. Maes, N. Clijmans en R. Verbeke, Nieuwe regels inzake behandeling en berechting van de vordering, P.B. 2007, 232; D. Scheers, Is er leven na de rol? Instaatstelling na de wet van 26 april 2007, R.W. 2007-08 397) De N.V. Belgian Shell steunt zich enkel op de laattijdige neerlegging van de eerste beroepsbesluiten van 27 mei 2009 om ook de synthesebesluiten van 1 september 2009 uit de debatten te laten weren, zonder dat zij elementen aanbrengt die wijzen op een deloyale proceshouding van mevrouw I. i.v.m. het nemen van haar synthesebesluiten. Het hof ziet ook geen elementen om een deloyale proceshouding in hoofde van mevrouw I. de weerhouden, daar appellante enkel een gemotiveerd verzoekschrift tot hoger beroep heeft neergelegd, waarin ze haar voorgaande argumentatie voor de eerste rechter hernam. Ze had de mogelijkheid om beroepsbesluiten neer te leggen tot uiterlijk 4 juli 2009, waarvan ze geen gebruik heeft gemaakt. Na de neerlegging van de akte van gedinghervatting op 14 augustus 2009 heeft mevrouw I. op 1 september 2009 tijdig een syntheseconclusie neergelegd, waarvan de inhoud eveneens een herneming was van wat voor de eerste rechter was geargumenteerd. De N.V. Belgian Shell maakte geen gebruik van artikel 748 §2 Ger. W. om de conclusietermijnen te laten heropenen, zodat kan aangenomen worden dat het gemotiveerd verzoekschrift tot hoger beroep de volledige argumentatie inhield. Waar appellante een gemotiveerd verzoekschrift hoger beroep neerlegde, waarin haar volledige argumentatie werd opgenomen, begrijpt het hof niet hoe geïntimeerde kan voorhouden dat voor haar de draagwijdte van het beroep niet duidelijk is. Alleszins stelden de voorgebrachte grieven haar in staat om zich in graad van beroep afdoende te verdedigen. De exceptie van nietigheid tegen de akte van hoger beroep dient dan ook verworpen. Enkel de beroepsbesluiten van 27 mei 2009 dienen derhalve uit de debatten te worden geweerd. De dringende reden.
- Op grond van artikel 35, 3° lid van de arbeidsovereenkomstenwet mag een ontslag om dringende reden niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept. Artikel 35, laatste lid, voegt hieraan toe dat de partij die een dringende reden inroept, het bewijs moet leveren dat zij deze termijn geëerbiedigd heeft. De termijn van 3 werkdagen begint te lopen vanaf het ogenblik waarop de partij die ontslag betekent, voldoende kennis heeft van de feiten (Cassatie, 23 mei 1973, JTT 1973, 212 en Cassatie, 11 januari 1993, JTT 1993, 58). Alleen de dringende reden waarvan kennis is gegeven binnen drie werkdagen na het ontslag kan worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het ontslag zonder opzegging of vóór het verstrijken van de termijn ( art. 35, 4de lid arbeidsovereenkomstenwet). Wanneer het arbeidsgerecht de tijdigheid van het ontslag om dringende redenen moet beoordelen, dient het alleen te onderzoeken of de aangevoerde kennis van het feit niet meer dan drie werkdagen bestond en doet het daarbij nog geen uitspraak over het bestaan van de feiten en het zwaarwichtig karakter ervan (cfr. Cassatie, 19 maart 2001, JTT 2001,249). Artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet omschrijft de dringende reden als de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk onmogelijk maakt. Hieruit volgt dat 3 voorwaarden cumulatief aanwezig moeten zijn : - er moet een ernstige tekortkoming zijn van de werknemer, - die elke professionele samenwerking onmogelijk maakt, - en dit op een bijzondere manier met name onmiddellijk en definitief (zie. W. Van Eeckhoutte, Sociaal Compendium 04-05, nr. 5249). Artikel 35 laatste lid van de arbeidsovereenkomstenwet zegt dat de partij die een dringende reden inroept hiervan het bewijs dient te leveren. Benevens het foutief karakter zal de rechter dus tevens de ernst van de tekortkoming dienen te beoordelen (cfr. Mallie J., noot onder A.H. Brussel, 20.6.1980, T.S.R. 1981,41). Bij de beoordeling van een dringende reden dient uiteraard rekening te worden gehouden met de omstandigheden eigen aan de zaak. Het feit dat het ontslag om dringende reden rechtvaardigt, is immers het feit met inachtneming van alle omstandigheden die het feit het karakter geven van een zwaarwichtig motief (Cass., 13 december 1982, Arr. Cass., 1982-1983, 504; Cass., 16 juni 1971, JTT 1972, 37; Cass., 23 mei 1973, JTT 1973, 212).
- Mevrouw I. houdt voor dat mevrouw Els Renders, ongeacht de vermelding in de ontslagbrief dat zij optrad als gevolmachtigde van de N.V., niet gemachtigd was om de N.V. hiertoe te vertegenwoordigen. Zij betwist aldus het mandaat van mevrouw Renders. In het schrijven van haar raadsman van 5 maart 2007 liet mevrouw I. dit nochtans niet gelden bij de betwisting van het ontslag; dit schrijven is in zeer algemene termen opgesteld en betreft een betwisting van de inhoud van het schrijven en een protest tegen het aangetekend schrijven.
- Zelfs in de veronderstelling dat mevrouw Renders geen mandaat had van de N.V., kan mevrouw I. het ontslag niet meer betwisten, wanneer zij niet binnen een redelijke termijn het mandaat van de lastgever heeft aangevochten. (C. Paulus, R. Boes en G. Debersaques, Het ontslag aan een werknemer door een daartoe niet gemandateerde, in Liber Amicorum Ernest Krings, 1991, 271; Arbh. Brussel 17 februari 1990, JTT 1990, 445). Een ontslag om dringende reden kan gegeven worden door een lasthebber van de werkgever (Arbh. Brussel, 31 januari 1990, Inl. Soc. Secr. 1996/3, 1.9.2.1.). Wanneer het ontslag wordt gegeven door iemand die onvoldoende gemandateerd is, kan dit ontslag immers naderhand worden bekrachtigd door de bevoegde persoon (Cass., 13 januari 2003, Arr. Cass. 2003, 138; JTT 2003, 268, noot; Pas. 2003, 112; Soc. Kron. 2008, 310; Arbh. Brussel, 7 februari 1990, JTT 1990, 445, met noot). Dergelijke bekrachtiging kan stilzwijgend zijn. Een dergelijke bekrachtiging werkt dan terug tot op de datum van het ontslag. Door het ontbreken van een tijdige betwisting van het mandaat van de zijde van mevrouw I., moet worden aangenomen dat er minstens een stilzwijgende onmiddellijke bekrachtiging van het ontslag heeft plaatsgehad. (C. Paulus, R. Boes en G. Debersaques, zelfde vindplaats en de verwijzing aldaar naar voetnoot 4).
- Mevrouw I. betwist dat de N.V. tijdig het ontslag heeft ingeroepen en betwist tevens de naar voorgebrachte feiten en de zwaarwichtigheid ervan. Samen met de eerste rechter kan vastgesteld worden dat de N.V. in haar dossier weinig bewijselementen aanreikt; ze beperkt er zich toe twee identieke summiere verklaringen voor te brengen waarin collega's bevestigen dat zij getuige zijn van een diefstal van een blikje cola op 10 februari
- Deze verklaringen zijn enerzijds te beperkt en te stereotiep om als voldoende bewijskrachtig te kunnen worden aanvaard, ze brengen anderzijds niets bij in verband met de tijdigheid van het ontslag. De N.V. formuleert echter in haar verzoekschrift tot hoger beroep een getuigenaanbod dat voldoende gedetailleerd is, zodat hierop kan worden ingegaan. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, Weert de beroepsbesluiten van 27 mei 2009 uit de debatten;. Doch alvorens verder te gronde te beslissen, Staat aan appellante toe om door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen bewijs te leveren van volgende feiten : 1.Op maandag 12 februari 2007 werd de site manager door personeelslid Wendy Vanstraelen op de hoogte gesteld dat mevrouw I. de procedure in verband met eigen consumpties nog steeds niet volgt en op zaterdagmorgen 10 februari bij haar shift een blikje cola heeft genomen zonder dit te betalen; 2.Op dinsdag 15 februari 2007 heeft de site manager de directie hiervan op de hoogte gebracht; ook op deze laatste dag heeft mevrouw I. nogmaals tijdens haar shift een blikje cola genomen zonder dit te betalen; 3.mevrouw I. heeft deze feiten tijdens een gesprek op 15 februari 2007 met de directie ( Els Renders), site manager ( David Claes) en vakbondsvertegenwoordigers ( Johan Wallaert) erkend en bevestigd dat zij inderdaad drank neemt zonder te betalen. Zegt bij toepassing van artikel 917,2° Ger. Wb. dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in de raadkamer van het Arbeidshof te Brussel (lokaal 006), Poelaertplein 3 te 1000 Brussel op 19 februari 2010 om 10 uur. Zegt bij toepassing van artikel 918 Ger. Wb. dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden voor de zetel die dit heeft gelast en indien één van de raadsheren in sociale zaken niet kan aanwezig zijn, voor raadsheer Lieven Lenaerts, voorzitter van deze kamer. Staat overeenkomstig artikel 921 Ger. Wb. aan geïntimeerde het tegenbewijs toe. Om nadien verder te oordelen als naar recht; Kosten aan te houden. Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof op 4 december 2009, waar aanwezig waren : De Heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw L. REYBROECK, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer A. LEURS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS, L. LENAERTS, L. REYBROECK, A. LEURS. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 4 december 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091204.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div