← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091208.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 08 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091208.1 Rolnummer: 2005/AB/46527 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-12-16 Raadplegingen: 149 - laatst gezien 2026-07-02 20:44 Fiches 1 - 2 Een business manager, die promotieactiviteiten uitoefent bij klanten zonder zaken af te sluiten, omdat het product nog moet worden ontworpen, maar die nadien in het kader van zijn kaderfunctie betrokken wordt bij bepaalde commerciële aspecten in het kader van de verkoopspolitiek en -strategie van de onderneming, is geen handelsvertegenwoordiger; zijn kaderfunctie primeert en hij bewijst niet op bestendige wijze taken als handelvertegenwoordiger uit te voeren. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Handelsvertegenwoordigers Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Handelsvertegenwoordigers. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 4 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN art. 4, eveneens gerangschikt onder II DN art.

  1. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder III H art.
  2. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - HANDELSVERTEGENWOORDIGERS - Verkoopsdirecteur is geen handelsvertegenwoordiger. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 88 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II DN art. 88, eveneens gerangschikt onder II AAN art.
  3. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder III H art.
  4. Fiche 3 Wanneer in een bonusplan bepaald werd dat het bonusstelsel geen verworven recht is, dan kan men bij het ontbreken van regeling voor het lopende jaar, niet terugvallen op de bonusregeling van het voorgaande jaar. In de gegeven omstandigheden is het loon niet bepaalbaar. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Loonbegrip Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING - BESCHERMING VAN HET LOON - Geen bepaalbaar loon. Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 2 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Nota: Gerangschikt onder III H art.
  5. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder II AAN art. 4 en II DN art.
  6. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 8 DECEMBER
  7. 3DE KAMER Bediendecontract Op tegenspraak Definitief In de zaak: D. A., Appellant, vertegenwoordigd door Mr. J.B. PETITAT, advocaat te SINT-KRUIS (BRUGGE). Tegen: ATOS ORIGIN BELGIUM N.V., met maatschappelijke zetel gevestigd te 1935 ZAVENTEM, Corporate Village, Da Vincilaan
  8. Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. H. CRAENINCKX, advocaat te BRUSSEL. ó ó ó Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Brussel op 9 maart 2005; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 5 april
  9. - het tussenarrest van dit Hof d.d. 27 februari 2007; Gelet op de door partijen neergelegde besluiten na heropening der debatten en stukken. Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 24 november 2009 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. ó ó ó FEITEN EN RECHTSPLEGING
  10. Wat betreft de uiteenzetting omtrent de feiten en de rechtspleging kan verwezen worden naar het tussenarrest van 27 februari
  11. In dit tussenarrest werd het hoger beroep ontvanke-lijk verklaard en werd de aandacht gevestigd op een procedure die de heer D. eerder had ingeleid tegen een vorige werkgever met name de NV Sema Services, die op 4 februari 2005 overgenomen werd door Atos Origin Belgium (hierna aangeduid als Atos). Deze overname situeert zich na het ontslag van de heer D. door Atos op 10 februari 2003, zodat ze voor de verdere afhandeling van huidige betwisting zonder relevantie is. De procedure die de heer D. voerde tegen de NV Sema Services, is dan ook niet samenhangend met huidig geschil.
  12. Aldus kan thans verder onderzocht worden in hoeverre de heer D. lastens Atos nog aanspraak kan maken op een aanvullende opzeggingsvergoeding, een achterstallige variabele wedde, achterstallig vakantiegeld, een uitwinningsvergoeding en een schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht, vorderingen die door de eerste rechter in het bestreden vonnis van 9 maart 2005 werden afgewezen als zijnde ongegrond. ó ó ó BEOORDELING De vorderingen in verband met de achterstallige variabele wedde, het vakantiegeld hierop en de uitwinningsvergoeding hangen grotendeels af van de vraag of de heer D. zich kan beroepen op de hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger, zodat het hof dit aspect eerst zal onderzoeken. Is de heer D. handelsvertegenwoordiger?
  13. In artikel 4 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt de activiteit van een handelsvertegenwoordiger omschreven als volgt : " De arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordiger is de overeenkomst waarbij een werknemer, de handels-vertegenwoordiger, zich verbindt tegen loon cliënteel op te sporen en te bezoeken met het oog op het onderhandelen over en het sluiten van zaken, verzeke-ringen uitgezonderd, onder het gezag, voor rekening en in naam van een of meer opdrachtgevers ". De vertegenwoordigingsactiviteit dient in hoofdzaak te worden uitgeoefend, wat volgt uit artikel 88 van de arbeidsovereenkomstenwet : ‘Op de bepalingen van deze titel kan zich alleen beroepen de handelsvertegenwoordiger die in dienst wordt genomen om op bestendige wijze zijn beroep uit te oefenen, zelfs indien hij door zijn werkgever wordt belast met bijkomstig werk dat van andere aard is dan de handelsvertegenwoordiging. Dat voordeel wordt... niet verleend aan de bediende die er af en toe mede wordt belast, samen met zijn arbeid binnen de onderneming, stappen te doen bij de cliëntele.' Degene die zich op het bestaan van een arbeids-overeenkomst voor handelsvertegenwoordiger beroept, moet zijn hoedanigheid bewijzen (Arbh. Antwerpen, 13 februari 2004, JTT 2004, 361 met een omstandige analyse van de parlementaire voorbereiding in verband met de bewijslast en P. Leclercq, Het statuut van de handelsvertegenwoordiger, Kluwer, Sociale Praktijkstudies, 2006, 19); de bediende wiens activiteiten zowel commerciële als andere aspecten vertoont, maar die niet bewijst welke van beide aspecten doorslaggevend is, kan zich niet beroepen op de hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger (Arbh. Brussel, 27 januari 2004, AR 39.550). Dit aspect is dikwijls aan de orde bij een verkoop-chef, business manager of sales manager, die enerzijds de verkoopstrategie uitzet en het werk van de eigenlijke handelsvertegenwoordigers begeleidt of coördineert en anderzijds zelf bezoek brengt aan bepaalde klanten met het oog op het onderhandelen en/of sluiten van zaken. De betrokkene dient dan bewijs te leveren dat hij in hoofdorde taken van handelsvertegenwoordiging doet (D. Ryckx, Het juridisch statuut van de handelsvertegenwoordiger, Or. 2004, 117; Arbh. Brussel, 22 april 2008, JTT 2008, 404-406).
  14. Atos betwist dat de heer D. hoofdzakelijk activiteiten van handelsvertegenwoordiging ver-richtte en wijst op de geschreven arbeidsovereen-komst voor bedienden van 22 mei, waarin zijn functie betiteld werd als Business Manager. Atos sluit zich aan bij de beoordeling van de eerste rechter die aanvaard heeft dat de heer D. cliënteel bezocht en prospecteerde, doch daarbij niet bewijst dat hij dit deed met het oog op het onderhandelen en/of afsluiten van zaken, daar zijn taak eerder bestond in het promoten van activiteiten bij bestaande en potentiële klanten, waarna het uiteindelijke contract werd onderhandeld met een speciaal daartoe bestemd verkoopsteam. De heer D. van zijn kant verwijst naar zijn stuk en 20a t/m 20n en 25 t/m 30 om voor te houden dat zijn taak als Business Manager in hoofdzaak bestond uit het werk als handelsvertegenwoordiger.
  15. De heer D. erkent op p. 11 van zijn syntheseconclusie in hoger beroep dat het zijn taak was om potentiële klanten op te sporen en te bewerken zodat deze belangstelling kregen tot het uitbesteden van informatica en deze te laten verzorgen door geïntimeerde. Hij bevestigt aldus zijn promotietaak. Hij betwist niet dat het dienstenpakket voor de klanten bij de eerste contacten nog niet bestond, daar het nog op maat diende uitgewerkt door het technische BIT-team. Zijn initiële contacten konden dan ook uit niets anders bestaan dan het voorstellen van de mogelijkheden van de firma, wat als loutere promotie dient te worden beschouwd. De te verkopen zaak (in casu een dienst) moest immers nog geconcipieerd worden, zodat het bezoek niet in functie kon staan van het onderhandelen en het afsluiten van zaken. Uit de stukken kan afgeleid worden dat de heer D., ongeacht het feit dat er een zgn. BIT-team was dat de producten uitwerkte en in functie daarvan de zaken bepaalde en afsloot, toch soms betrokken werd bij de onderhandeling van een aantal essentiële commerciële aspecten van deze producten. Dit deed hij als onderdeel van zijn kaderfunctie, waardoor hij de verkoopspolitiek en -strategie diende te bepalen. Hij toont echter niet aan dat hij dit deed op bestendige wijze. Uit zijn stukken blijkt immers dat zijn tussenkomsten voornamelijk het gevolg waren van zijn management-functie in het kader waarvan hij de verkoopstrategie diende te coördineren en strategische beslissingen diende te nemen. Dit blijkt uit de e-mailcorrespondentie over het contract Sabena Technics met Managing Director Henri Van Engelen, waarin vooral de interne commerciële oriëntatie ter discussie staat en niet het eigenlijk opsporen en bezoek van de klant met het oog op het onderhandelen over en het sluiten van zaken. Dat hij soms brieven aan de klant ondertekende, volgde ook uit zijn kaderfunctie van Business Manager; overi-gens waren de brieven van Sabena Technics ondertekend door de President & CEO en door de Outsourcing Manager, zodat het normaal was dat de antwoorden van Atos ook uitgingen van minstens iemand van het kader. Ook het feit dat de heer D. in de loop van het proces tot uitwerking van het concept een powerpoint-voorstelling gaf bij de klant, toont niet aan dat hij alzo in hoofdzaak bezoeken aflegt met het oog op het onderhandelen over en het sluiten van zaken. Dit hoorde immers bij zijn managementfunctie. Terecht verwijst Atos hiervoor naar de taakverdeling die blijkt uit de e-mail van 18 januari 2002 ( stuk 20d) waaruit volgt dat de heer D. als Business Manager optrad ten aanzien van de klant, maar dat de onderhandeling over de eigenlijke contracten gebeurde door andere personen ( Jo en Patrick) op een maand bij maand en week bij week basis. In dezelfde zin wordt de heer D. in de e-mail van 2 mei 2002 aangeduid als de persoon die instond voor de verkoopscoördinatie ( Sales Coördination : A. D.). Dit volgt ook uit het schrijven van 25 april 2002 waarin zijn managementfunctie wordt ingeschaald naar het hoogste niveau (level 9); uit de bijgevoegde classificatie volgt dat het vertegenwoordigers- en consultantwerk thuishoorde in een lagere schaal ( 7 of 8). In artikel 1 van de arbeidsovereenkomst voor bedienden wordt overigens de nadruk gelegd op de functie van Business Manager. Hierbij erkent de heer D. dat hij een functie bekleedt die niet valt onder het toepassingsgebied van het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor Bedienden in verband met de classificatie van de functies. In artikel 8.2 van de CAO van 29 mei 1989 betreffende de arbeids- en beloningsvoorwaarden, afgesloten in dit paritair comité, worden de handelsvertegenwoor-digers ondergebracht in de functiecategorie
  16. Dit houdt in dat de heer D. niet als handelsver-tegenwoordiger werd aangeworven en dat hij dit ook aanvaardde. Het is dan ook duidelijk dat men voor de heer D. de nadruk heeft willen leggen op zijn kaderfunctie als Business Manager, zodat de door hem aangebrachte elementen niet volstaan om aan te tonen dat hij in hoofdzaak taken van handelsvertegenwoordiger verrichtte. Wanneer hij bepaalde taken deed, die een raakpunt hadden met het werk van zij, die het echte vertegenwoordigingswerk bij de klant verrichtten, dan was dit wat hem betreft bijkomstig en eerder het gevolg van zijn algemeen coördinerende taak als manager. Deze raakpunten waren niet op bestendige wijze aanwezig. Hieruit vloeit voort dat de vordering in verband de uitwinningsvergoeding ongegrond is. De variabele wedde.
  17. Aangezien de heer D. niet aantoont dat hij de hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger had, steunt hij zich eveneens ten onrechte op de artikelen 87 tot 89 en 91 tot 107 van de arbeidsovereenkomstenwet. Hij kan op grond van deze bepalingen geen aanspraak maken op commissielonen na het einde van de tewerkstelling.
  18. Atos roept in dat om dezelfde reden geen toepassing kan gemaakt worden van artikel 90 van de arbeidsovereenkomstenwet. Hierbij veronachtzaamt de werkgever dat artikel 88 van deze wet een uitzondering voorziet voor artikel 90 ten voordele van een bediende die er af en toe mede wordt belast, samen met zijn arbeid binnen de onderneming stappen te doen bij de cliëntele. Ingevolge artikel 90 is commissieloon verschuldigd voor iedere order die door de werkgever wordt aanvaard, zelfs indien op die order geen uitvoering volgt, behalve ingeval van niet uitvoering door de schuld van de handelsvertegenwoordiger. Iedere order wordt vermoed aanvaard te zijn behoudens weigering of voorbehoud door de werkgever aan zijn handelsvertegenwoordiger schriftelijk meegedeeld binnen een in de overeenkomst bepaalde termijn. Is deze termijn niet bepaald, dan bedraagt hij een maand vanaf het doorgeven van de order. Enkel wat de orders betreft, die tot stand kwamen na het einde van de arbeidsovereenkomst van de heer D., roept Atos in dat de bonusregeling niet kan gelden bij gebreke aan order, wat logisch is aange-zien de commissieregeling na de tewerkstelling voor deze orders niet meer kan worden toegepast. Na zijn ontslag kon de heer D. geen orders meer door-geven en dienden ze dus evenmin te worden aanvaard door de werkgever (zie randnummer 4). Artikel 90 heeft voor deze betwisting dan ook maar weinig belang. In deze gaat de discussie immers over hoe artikel 4 van de arbeidsovereenkomst voor bedienden van 22 mei 2000 in verband met de gratificaties of de potentiële bonus moet worden toegepast.
  19. Artikel 4 van de arbeidsovereenkomst bepaalt : De werknemer heeft recht op een potentiële bonus zoals bepaald in het bonusplan in bijlage. De targets worden jaarlijks herzien. Elke premie en elk voordeel dat de werkgever zou toekennen buiten het loon overeengekomen in artikel 3, zonder daartoe verplicht te zijn door de wet of door een collectieve arbeidsovereenkomst, worden als vrijgevigheid beschouwd. De toekenning ervan doet derhalve geen recht ontstaan voor de toekomst; de bediende kan zich dienaangaande niet beroepen op een verworven recht. Dit bonusplan was toepasselijk op outsourcing-contracten met klanten van de heer D.. Bij een totale contractwaarde van 3,75 miljoen, had de heer D. recht op een progressief commissie-loon dat steeg naarmate de waarde in een hogere schijf kwam. Mits er voor deze contracten gefactureerd werd ter waarde van 1,5 miljoen gedurende de eerste 12 maanden van het contract, was eveneens in een progressief commissieloon voorzien. Mits er drie nieuwe klanten werden aangebracht, was er een bonus van euro 2.500 per nieuwe klant. Atos houdt voor, zonder daarin te worden tegen-gesproken door de heer D., dat voor de jaren 2000 en 2001 de bonus op deze basis voldaan werd, zij het dat deze bonus slechts kon berekend worden na het einde van het jaar en derhalve uitbetaald werd in de maand maart van het daaropvolgende jaar, zodat de eerstvolgende gratificatie slechts zou volgen in maart 2003 op een ogenblik dat de heer D. reeds was ontslagen.
  20. Atos beroept zich op de bepaling van artikel 4 van de overeenkomst. Ingevolge de bewoordingen van dit artikel 4 konden de targets jaarlijks worden herzien. Tevens werd uitdrukkelijk bepaald dat de toekenning van een bonus geen verworven recht creëerde voor de toekomst. Op 16 december 2002 heeft de werkgever duidelijk laten weten dat hij het oude plan niet meer wilde handhaven en heeft hij een nieuw stelsel voorgesteld, waarover partijen onderhandeld hebben, maar niet tot overeenstemming zijn gekomen. Het standpunt van de heer D. komt erop neer dat hij meent, door het ontbreken van een akkoord, recht te hebben op de oude regeling. Zijn berekening van de achterstallige bonus is volledig gebaseerd op dit aanvankelijk bonusplan. Hij veronachtzaamt hierbij echter dat artikel 4 uitdrukkelijk stelt dat de vroegere toekenningen geen verworven recht creëerden voor de toekomst. Om hierover nog duidelijker te zijn werd in de tweede alinea enkel het overeengekomen vast loon van artikel 3 gegarandeerd. Al het overige werd als gratificatie of vrijgevigheid beschouwd, waardoor de werkgever weliswaar niet het loonkarakter van de bonus kon ontkennen, maar wel kon uitdrukken dat deze geen verworven recht was, wat in het volgende zinsdeel nog eens uitdrukkelijk wordt benadrukt en herhaald. Door het ontbreken van een nieuw bonusplan was er dan ook geen bepaalbare loonafspraak. In die zin is de vordering van de heer D. ongegrond.
  21. De eerste rechter heeft hier terecht aan toegevoegd dat de heer D. zich evenmin kan beroepen op de ramingen over de contractwaarden die in de onderhandelingen werden vooropgesteld. Deze waren gebaseerd op niet definitieve schattingen, die er overigens van uitgingen dat de heer D. in 2003 verder normaal zou worden tewerkgesteld, zoals blijkt uit de ramingen van de zgn. billings. De heer D. bewees derhalve evenmin de uitgangs-punten van zijn vordering. Vakantiegeld.
  22. Aangezien de vordering in verband met de variabele wedde ongegrond is, geldt hetzelfde voor het vakantiegeld hierop. Opzeggingsvergoeding.
  23. Ook de herbecijfering van de opzeggingsvergoeding wordt verantwoord door het verschil in basisloon wat betreft het variabel loon. De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, JTT 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen ( Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153). Rekening houdend met de anciënniteit van 2 jaar en 8 maanden, de leeftijd van 51 jaar, een jaarloon van euro 118.889,98 en de functie van Business Manager, heeft Atos terecht een opzeggingstermijn van 8 maanden aangerekend. De vordering tot het bekomen van een bijkomende opzeggingsvergoeding werd door de eerste rechter dan ook oordeelkundig ongegrond verklaard. Rechtsmisbruik.
  24. Zoals hierboven besproken, voorzag de arbeidsovereenkomst dat het bonussysteem geen aanspraak gaf op een verworven recht, zodat de werkgever dit mocht aanpassen. Atos had dus alleszins een wijzigingsrecht op dit punt, zodat ze de bonus zelfs eenzijdig kon vastleggen, maar Atos heeft de heer D. nog betrokken in haar voorstellen; wanneer ze daarop vaststelde dat ze hierover niet tot een overeenkomst met de heer D. kon komen, heeft ze haar ontslagmacht niet op abnormale wijze afgewend van zijn economische en sociale finaliteit, in de mate ze de wettelijk voorziene opzeggingsregeling in acht nam. De opzeggingsvergoeding heeft immers een forfaitair karakter en dekt de volledige schade die door het ontslag werd veroorzaakt, zowel de materiële als de morele schade ( Cass., 7 mei 2001, JTT 2001, 410). Gelet op het forfaitair karakter van de opzeggingsvergoeding kan een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht slechts worden toegekend voor andere schade dan deze die voortvloeit uit het verlies van de dienstbetrekking, m.a.w. voor schade die niet veroorzaakt is door het ontslag zelf, maar door met het ontslag gepaard gaande omstandigheden (Cass., 26 september 2005, Soc. Kron. 2006, 69). Noch een abnormale en foutieve aanwending van de ontslagmacht, noch een bijkomende schade wordt door de heer D. aangetoond, zodat zijn vordering ongegrond is. Gerechtskosten.
  25. Wat betreft de verdedigingskosten, verwijzen de partijen naar de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van erelonen en naar het KB van 26 oktober 2007, op basis waarvan ze aanspraak maken op de basisvergoeding rechtsplegingsvergoeding. Gelet op de waarde van de vordering ( euro 453.424,17 + wettelijke intresten tot de datum der dagvaarding) dient deze op euro 7.000 te worden bepaald. Het hoger beroep is dan ook volledig ongegrond. ó ó ó OM DEZE REDENEN : Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis; Veroordeelt de heer D. tot betaling van de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van Atos begroot op rechtsplegingsvergoeding hoger beroep basisbedrag euro 7.000, En aan de zijde van de heer D. voor zover als nodig begroot op euro 10.000, doch herleid tot euro 7.000; Aldus gewezen door de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De Heren : L. LENAERTS : Raadsheer. G. JACOBS : Raadsheer in sociale zaken als werkgever, R. VANDENPUT : Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, En bijgestaan door : D. DE RAEDT : Griffier, G. JACOBS, R. VANDENPUT, D. DE RAEDT, L. LENAERTS, En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 8 december 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door D. DE RAEDT, griffier, D. DE RAEDT, L. LENAERTS, PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091208.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.