← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091208.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 08 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091208.2 Rolnummer: 2009/AB/51677 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-12-17 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-02 20:45 Fiche Anders dan bij de nietigheid, bedoeld in artikel 37 § 1, derde en vierde lid arbeidsovereeenkomstenwet in verband met de wijze van betekening van de opzegging door de werkgever, is de nietigheid in verband met de inhoud van de opzegging relatief, zodat ze kan gedekt worden door de andere partij. Een nietige opzegging maakt het ontslag niet ongedaan. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzegging Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Relatieve nietigheid opzegging - ontslag blijft. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 37 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 8 DECEMBER

  1. 3DE KAMER Bediendecontract Op tegenspraak Definitief In de zaak: VIDI-SQUARE AV SOLUTIONS & VIDEO RENTAL N.V., met maatschappelijke zetel gevestigd te 2243 ZANDHOVEN-PULLE, Keulsebaan
  2. Appellante op hoofdberoep en geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr. I. GLEISSNER loco Mr J. ROBBROECKX, advocaat te Wilrijk. Tegen: S. J., Geïntimeerde op hoofdberoep en appellante op incidenteel beroep, verschijnend in persoon en bijgestaan door Mr. N. THOELEN, advocaat te Berchem. ó ó ó Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Brussel op 10 oktober 2008; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 2 januari 2009; - de besluiten en synthesebesluiten van de geïntimeerde d.d. 6 april 2009 en 2 september 2009; - de besluiten van de appellante d.d. 9 juni 2009; Gelet op de door partijen neergelegde stukken. Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 10 november 2009 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. ó ó ó FEITEN EN RECHTSPLEGING
  3. De heer S. kwam op 1 oktober 1997 in dienst van de N.V. Heuvelman, rechtsvoorganger van appellante, in de hoedanigheid van vertegenwoordiger. Hij legt uit dat hij naar aanleiding van de overgang van de N.V. Heuvelman naar de N.V. Vidi Square AV Solutions & Video Rental allerlei moeilijkheden begon te ondervinden, waardoor hij zijn taak niet meer naar behoren kon uitvoeren. Hij heeft zijn arbeidsovereenkomst zelf opgezegd met een aangetekende brief van 23 december 2006, met volgende inhoud: " Met dit schrijven bevestig ik u mijn ontslag en mijn arbeidsovereenkomst met de firma Heuvelman N.V. op te zeggen, mits naleving van de wettelijke opzeg-gingstermijn. Deze zal ingaan op 01 januari
  4. Aangezien de duur van de opzeggingstermijn best in onderling overleg dient te gebeuren, en gezien de huidige situatie, lijkt het me opportuun samen schriftelijk het einde van de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang per 01/01/2007 te betekenen. Graag had ik dan ook met u besproken voor 01/01/2007". Bij aangetekende brief van 26 december 2006 reageerde de werkgever dat deze opzeggingsbrief nietig is wegens het ontbreken van de duur en vorderde hij een opzeggingsvergoeding van 4,5 maanden, becijferd op euro 20.679,
  5. Wanneer de heer S. zich op 27 december 2006 op het werk aanbood, werd hij door de bestuurder van de N.V. Heuvelman in het bijzijn van een gerechtsdeurwaarder aangemaand om het bedrijf te verlaten en geen prestaties meer te leveren, gelet op het onregelmatige ontslag. De heer S. liet de gerechtsdeurwaarder acteren : " Indien het ontslag onregelmatig zou zijn wens ik verder te werken om dit te kunnen regulariseren of aan mijn wettelijke opzegtermijn te voldoen, doch mijn werkgever verbiedt mij de firma nog te betreden. Ik heb alle goederen en alle informatie afgegeven". Bij aangetekende brief van 28 december 2006 protesteerde de heer S. tegen de houding van zijn werkgever en verklaarde hij zich bereid om de opzeggingstermijn te respecteren, bij gebreke aan gebeurlijk andersluidende minnelijke regeling, maar hij stelde dat door het verbod om op 27 december 2006 het werk nog te betreden, de N.V. Heuvelman zelf eenzijdig de arbeidsovereenkomst had beëindigd. In de navolgende briefwisseling, deels via de raadslieden en via de vakorganisatie van de heer S., werden de wederzijdse standpunten betwist. De N.V. Heuvelman hield een onkostenvergoeding voor de maand november en het netto vakantiegeld einde dienst in op de door haar in aanmerking genomen opzeggingsvergoeding van euro 20.679,19, zodat ze nog een saldo van euro 17.520,61 vorderde. De heer S. betwistte deze inhouding.
  6. Partijen kwamen aldus niet tot overeenstemming, zodat ze mekaar wederzijds dagvaardden voor de arbeidsrechtbank te Brussel. Bij dagvaarding van 20 december 2007, uitgaande van de vennootschap, vorderde deze het hierboven vermelde saldo van euro 17.520,61 provisioneel, te vermeerderen met verwijlintresten vanaf 26 december 2006 en de gerechtskosten. Bij dagvaarding van 21 december 2007 vorderde de heer S. : - een opzeggingsvergoeding van euro 45.953,75 - een uitwinningsvergoeding van euro 18.381,50 - vakantiegeld van euro 1 provisioneel - schadevergoeding achterstallig loon en vakantiegeld euro 1 provisioneel, te vermeerderen met wettelijke, vergoedende en gerechtelijke intresten en de kosten tevens vorderde hij afgifte van de sociale documenten onder verbeurte van een dwangsom. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank van Brussel van 10 oktober 2008 werden beide vorderingen samengevoegd en vervolgens ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard in de zin dat de N.V. na gerechtelijke compensatie werd veroordeeld om aan de heer S. het bedrag van euro 6.827,59 bruto te betalen, te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten. De gerechtskosten werden gecompenseerd in de zin dat iedere partij de eigen kosten diende te dragen. Door de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, diende de heer S. een opzeggingsvergoeding te betalen van één week, door de eerste rechter becijferd op euro 1.148,84, die gerechtelijk gecompenseerd werd met het door hem gevorderde vertrekvakantiegeld op brutobasis en met het saldo onkosten. Dit vonnis werd door de heer S. betekend op 3 december
  7. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 2 januari 2009, tekende de N.V. hoger beroep aan en hernam zij haar oorspronkelijke vordering. De heer S. tekende incidenteel beroep aan en vroeg dat de door hem verschuldigde ontslagvergoeding zou worden beperkt tot euro 1 en dat de N.V. zou worden veroordeeld tot betaling van achterstallig vertrekvakantiegeld van euro 7.936,
  8. Zij vraagt tevens dat de eventuele schuldvergelijking zou gebeuren op basis van het bruto bedrag van het vakantiegeld. ó ó ó BEOORDELING. Gelet op de betekening van het bestreden vonnis op 3 december 2008, werd het hoger beroep op 2 januari 2009 tijdig ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep. De nietige opzegging door de heer S.
  9. Op grond van artikel 37 §1, tweede lid van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 dient de kennisgeving van de opzegging op straffe van nietigheid het begin en de duur van de opzeggingstermijn te vermelden. Anders dan bij de nietigheid, bedoeld in artikel 37 §1, derde en vierde lid in verband met de wijze van betekening van de opzegging door de werkgever, is de nietigheid in verband met de inhoud van de opzegging relatief, zodat ze kan gedekt worden door de andere partij.
  10. In de opzeggingsbrief van de heer S. van 23 december 2006 wordt de duur van de opzeggingstermijn niet vermeld, zodat deze opzegging relatief nietig is. De N.V. Vidi Square AV Solutions & Video Rental heeft deze nietigheid onmiddellijk vastgesteld in haar aangetekende brief van 26 december 2006, zodat de nietigheid niet gedekt werd. Deze nietigheid maakt het ontslag niet ongedaan (Cass. 23 maart 1981, JTT 1981, 240 met noot). De opzeggingsvergoeding
  11. De N.V. maakt dan ook terecht aanspraak op een opzeggingsvergoeding gelijk aan de duur van de in acht te nemen opzeggingstermijn. Deze laatste mag bij toepassing van artikel 82 §3, derde lid niet langer zijn dan 4,5 maanden. Bij gebreke aan overeenkomst hierover, dient de rechter de opzeggingstermijn, rekening houdend met dit maximum, vast te stellen met inachtneming van het belang van beide partijen, hetzij, met inachtneming van de mogelijkheid voor de werkgever om op het tijdstip van de verbreking een werknemer met dezelfde kwalificatie te vinden. Indien deze mogelijkheid zich onverwijld zou voordoen, dan kan de opzeggingsvergoeding gebeurlijk op een minimumbedrag (1 F of euro 1) worden bepaald ( zie Cass. 19 mei 1989, JTT 1989, 384 met noot).
  12. Alhoewel de N.V. voorhoudt dat de heer S. werd aangeworven met een specifieke functieomschrijving, is deze omschrijving opgesteld in zeer algemene bewoordingen. Uit de toelichting ter zitting blijkt dat zijn vertegenwoordigingswerk betrekking had op verhuur van videofilms. Rekening houdend met de belangen van beide partijen en gelet op het ruime aanbod van kandidaten voor deze vrij algemene niche op de arbeidsmarkt, kan de theoretische mogelijkheid voor het vinden van een werknemer met een kwalificatie van vertegenwoordiger in verhuur van videofilms worden geraamd op één week, zodat het arbeidshof de vaststelling van de opzeggingsvergoeding door de eerste rechter kan bijtreden. Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn op dit punt dan ook ongegrond. De compensatie
  13. Reeds voor de eerste rechter betwistte de N.V. niet dat het vertrekvakantiegeld en het saldo onkostenvergoeding door haar verschuldigd waren, zodat ze voor deze onderdelen geen hoger beroep instelde. Terecht werpt de heer S. op dat de vaststelling van de opzeggingsvergoeding, bij gebreke aan overeenkomst, niet zeker en vaststaand was, zodat de N.V. niet mocht overgaan tot schuldvergelijking in de zin van de artikelen 1290 en 1291 B.W. Dit neemt niet weg dat na de beslissing over de opzeggingsvergoeding wel de gerechtelijke schuldvergelijking kan plaatsvinden tussen deze vergoeding enerzijds en de onkostenvergoeding plus het vertrekvakantiegeld anderzijds. De heer S. vraagt dat zou worden gezegd voor recht dat dit dient te gebeuren op basis van het brutobedrag. De N.V. stelt een afrekening op basis van netto voor. Uit de loonstaat einde dienst, opgesteld door de N.V. op 5 januari 2007, volgt dat zowel de sociale zekerheidsbijdragen als de bedrijfsvoorheffing op het vakantiegeld reeds zijn ingehouden en derhalve aan de betrokken instanties dienen te zijn overgemaakt. Deze betaling van de sociale zekerheidsbijdragen en de bedrijfsvoorheffing gebeurde voor de heer S., zodat dit deel van zijn brutoloon reeds vereffend werd en niet meer in aanmerking komt voor de gerechtelijke schuldvergelijking. Aldus blijft er een nettobedrag vertrekvakantiegeld voor de heer S. van euro 3.118,33; dit laatste bedrag komt dus in aanmerking voor de gerechtelijke compensatie. Op de door de heer S. verschuldigde opzeggingsvergoeding dienen geen inhoudingen te worden aangerekend. Aldus betreft de afrekening euro 3.118,33 + euro 40,25 (onkostenvergoeding) = euro 3.158,58 - euro 1.148,84 = euro 2.009,
  14. In die mate is het hoofdberoep gedeeltelijk gegrond. De gerechtskosten
  15. Aangezien beide partijen gedeeltelijk in het gelijk en in het ongelijk zijn gesteld, dienen ook de gerechtskosten hoger beroep te worden gecompenseerd bij gelijke helften. Deze worden aan de zijde van de heer S. begroot op het minimumbedrag rechtsplegingsvergoeding euro 625 en aan de zijde van de N.V. worden ze niet begroot. ó ó ó OM DEZE REDENEN : Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond; Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis, behalve wat betreft de afrekening na gerechtelijke compensatie, op dit punt opnieuw recht doende, veroordeelt de vennootschap tot het betalen aan de heer S. van het bedrag van euro 2.009,74, te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 26 december 2006 en de gerechtelijke intresten; Compenseert de gerechtskosten hoger beroep bij gelijke helften; deze aan de zijde van de heer S. begroot op rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 625 en aan de zijde van de N.V. Vidi Square AV Solutions & Video Rental niet begroot; ó ó ó Aldus gewezen door de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De Heren : L. LENAERTS : Raadsheer. G. JACOBS : Raadsheer in sociale zaken als werkgever, R. VANDENPUT : Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, En bijgestaan door : D. DE RAEDT : Griffier, G. JACOBS, R. VANDENPUT, D. DE RAEDT, L. LENAERTS, En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 8 december 2009 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door D. DE RAEDT, griffier, D. DE RAEDT, L. LENAERTS, PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091208.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.