← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091210.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 10 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091210.11 Rolnummer: 2007/AB/049608 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-08-26 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-07-02 20:46 Fiche Het gezag van gewijsde in strafzaken, zoals dat besloten ligt in artikel 4 van de V.T. van het Wb. Strafvordering, staat er niet aan in de weg dat een partij in een later burgerlijk proces de mogelijkheid krijgt om elementen te betwisten die uit het strafproces zijn afgeleid, in zoverre zij niet bij het strafgeding was betrokken of er niet vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden. Deze regel geldt ook voor de RSZ die niet in een strafrechterlijke proces betrokken was, ook al hat hij de mogelijkheid zich burgerlijke partij te stellen. De vrijspraak van de werkgever of zijn aangestelde kan dan ook niet tegengeworpen worden aan de Rijksdienst die sociale bijdragen opvordert. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Algemeen (voorafgaande titel Sv.) Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - STRAFVORDERING - Sociale zekerheid werknemers - W. 27/06/1969 - Vordering RSZ - Gezag van gewijsde in strafzaken. Wettelijke bepalingen: Wet - 17-04-1878 - 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN TIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN NEGEN. 7e KAMER socialezekerheidsbijdragen tegenspraak heropening van de debatten In de zaak : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, appellant op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester I. Henderickx loco meester P. Pelgrims, advocaat te Aarschot, tegen : THEUMA, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 3460 Bekkevoort (Assent), Zandstraat 10, geïntimeerde op hoofdberoep, appellante op incidenteel beroep, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester P. Smedts, advocaat te Antwerpen. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken : -het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven, uitgesproken op tegenspraak door de tweede kamer op 5 februari 2007, -het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie op 6 maart 2007; -de conclusies voor beide partijen; -de voorgelegde stukken; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 12 november 2009, waarna de debatten werd gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden. * * * I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

  1. Bij een onderzoek, dat in de loop van het jaar 1991 door de sociale inspectie uitgevoerd werd bij de nv Theuma, werd vastgesteld dat overuren betaald werden, zonder dat deze het voorwerp uitmaakten van een aangifte bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Sommige overuren werden cash betaald, andere werden vermeld op de individuele rekening vermeld onder een code "x" of "positieve vergoedingen", en werden beschouwd als niet bijdrageplichtig.
  2. Op basis van de vaststellingen gedaan tijdens het onderzoek heeft de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de nv Theuma gedagvaard voor de arbeidsrechtbank te Leuven op 10 april 1992 in betaling van de som van 20.350.788,00 BF (504.482,86 euro ) als sociale zekerheidsbijdragen, bijdrageopslagen en intresten. Op 8 december 1992 heeft de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een bijkomende dagvaarding uitgebracht in betaling van de som van 500.833,BF ( 12.415,33 euro ). Omdat inmiddels een strafprocedure was opgestart, werd de procedure voor de arbeidsrechtbank opgeschort in afwachting van de uitspraak van de strafrechter.
  3. Bij vonnis van 8 maart 1994 heeft de correctionele rechtbank te Leuven de heren Marcel Theunis en Walter Schoenmaekers, die vervolgd werden als strafrechtelijke verantwoordelijken, vrijgesproken voor de tenlasteleggingen die verband hielden met de betaling van overuren en de niet aangifte van deze overuren in het stelsel van sociale zekerheid er werknemers. Bij arrest van 9 januari 1996 heeft het hof van beroep te Brussel deze vrijspraak bevestigd. Na deze vrijspraak heeft de nv Theuma, bij monde van haar raadsman, de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en diens raadsman geïnterpelleerd over de vraag of, rekening houdend met de correctionele vrijspraak, de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in zijn vordering volhardde. Op dit schrijven volgde geen formele reactie, maar op 2 april 2004 heeft de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een conclusie neergelegd voor de arbeidsrechtbank waarbij in de vordering werd volhardt. De nv Theuma heeft voor de eerste rechter een tegenvordering ingeleid wegens tergende en roekeloze procesvoering
  4. Bij vonnis van 5 februari 2007 heeft de arbeidsrechtbank te Leuven de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid afgewezen van zijn twee vorderingen. De arbeidsrechtbank oordeelde dat zij gebonden was door het strafrechtelijk gewijsde van het vonnis van de correctionele rechtbank en het arrest van het Hof van Beroep. De tegenvordering van de nv Theuma werd eveneens afgewezen.
  5. Bij verzoekschrift van 6 maart 2007 heeft de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven. De nv Theuma heeft incidenteel beroep ingesteld tegen het vonnis in zoverre dit haar afwees van haar tegenvordering. De nv Theuma heeft ook in ondergeschikte orde een tegenvordering geformuleerd waarbij de veroordeling gevraagd wordt van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tot een som, gelijk aan de hem toegekende bijdragen, bijdrageopslagen en intresten, minstens gelijk aan de wettelijke en gerechtelijke intresten op de verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen voor de periode van 9 januari 1996 tot 2 april
  6. De nv Theuma vraagt in ondergeschikte orde de eventuele veroordeling te mogen afkorten in minstens 36 maandtermijnen. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Er wordt geen betekeningsakte voorgelegd van het bestreden vonnis, zodat het beroep ook tijdig werd ingesteld. Het hoger beroep is ontvankelijk. Het incidenteel beroep ingesteld bij besluiten is eveneens ontvankelijk, evenals de nieuwe vordering die in ondergeschikte orde wordt gesteld. III. BEOORDELING. DE HOOFDEIS.
  7. De standpunten van partijen. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is van oordeel dat de eerste rechter ten onrechte zich gesteund heeft op gezag van gewijsde van het vonnis van de correctionele rechtbank en het arrest van het hof van beroep. Volgens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is het gezag van gewijsde beperkt tot hetgeen noodzakelijk en zeker beslist is door de correctionele rechter. Volgens deze partij blijkt uit de correctionele veroordeling geenszins dat er geen onttrekking van bijdragen zou geweest zijn, maar enkel dat de twee personen die daarvoor vervolgd werden, niet aansprakelijk waren voor de ten laste gelegde feiten. In ondergeschikte orde betwist de nv Theuma het recht op intresten, gelet op het stilzitten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gedurende een belangrijk deel van de procedure. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid stelt verder dat de beide rekeninguittreksels, waarvoor gedagvaard werd, niet alleen steunden op de ambtshalve onderwerping, doch eveneens op een aantal gewijzigde aangiftes uitgaande van het sociaal secretariaat van de nv Theuma. Aldus zou over een totaalbedrag van 10.538,54 euro geen betwisting mogelijk zijn De nv Theuma stelt dat de eerste rechter een juiste toepassing gemaakt heeft van de regels inzake het gezag van gewijsde en stelt dat ingevolge de correctionele vrijspraak definitief vaststaat dat niet kan bewezen worden dat de bedragen, vermeld op de individuele rekeningen onder de codes "x" en " positieve vergoedingen", alleen betrekking hadden op de vergoeding van overuren. In ondergeschikte orde stelt de nv Theuma dat de bedragen die onder de codes "x" en "positieve vergoedingen" werden vermeld ook betrekking op de terugbetaling van kosten en dat onder deze code ook vergoedingen werden opgenomen die door de werkgever in plaats en voor rekening van de arbeidsongevallenverzekeraar werden betaald. Met verwijzing naar een cassatiearrest van 14.01.2002 stelt de nv Theuma dat het aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid toekomt te bewijzen welk deel van de sommen vermeld onder de codes "x"en "positieve vergoedingen" niet als kosten kunnen beschouwd worden maar als loon. Dit bewijs wordt volgens de nv Theuma niet geleverd. De nv Theuma betwist dat een bedrag van 10.538,54 euro onbetwistbaar zou zijn omdat dit gevorderd werd op basis van een eigen aangifte van haar sociaal secretariaat. Zij stelt dat het pas 15 jaar na het inleiden van de procedure is dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor de eerste maal dit onderscheid opmerkt en zij niet meer in staat is om deze bedragen te verifiëren en na te gaan of ze betaald zijn.
  8. Het gezag van gewijsde van de correctionele vrijspraak. 2.
  9. Het vraagstuk van het gezag van gewijsde van een correctionele veroordeling of een correctionele vrijspraak op de burgerlijke vordering van een partij die niet in het strafgeding betrokken was, heeft in de rechtspraak van het Hof van Cassatie sinds 1991 een belangrijke evolutie gekend (cfr. voor de evolutie tot 2002, Boone, I. "Gezag van gewijsde en de burgerlijke rechter", N.J.W. 2002, p.336 e.v. en voor de evolutie daarna, Taelman, P. en Voet, S. " Requiem voor het gezag van het strafrechtelijk gewijsde", P. & B; 2007, 345 e.v.). In het arrest "Stappers" van 15 februari 1991 (Arr.Cass.1991, 641 met conclusies advocaat-generaal D'Hoore) stelde het hof van Cassatie reeds dat, indien de toepassing van het gezag van het strafrechtelijk gewijsde in strijd komt met artikel 6.1 van het Europees verdrag van de Rechten van de Mens (recht op een eerlijke behandeling van de zaak, hetgeen onder meer inhoudt het beginsel van de gelijkheid van de procespartijen), prioriteit moet gegeven worden aan de toepassing van de regel van het internationaal recht. Volgens het hof wordt deze regel geschonden wanneer op grond van het beginsel van het gezag van gewijzigde erga omnes (tegenover allen) aan een partij, die geen partij was in strafgeding, niet de kans geboden wordt het door de andere gedingpartijen aangedragen bewijs betreffende een feitelijk gegeven te weerleggen. In een arrest van 2 oktober 1997 (Arr. Cass. 1997, 889 met conclusies advocaat generaal Debrulle) stelt het hof dat " het gezag van het rechterlijke gewijsde er niet aan in de weg staat dat een partij in een later burgerlijk geding de kans moet hebben de gegevens, die afgeleid worden uit het strafgeding, te betwisten in zoverre zij geen partij was in het strafgeding of er niet vrij haar belangen kon laten gelden. Het hof oordeelde concreet dat indien de strafrechter onderscheiden straffen uitsprak voor dronkenschap enerzijds en het onopzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen anderzijds, de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid toch nog in het kader van een burgerlijke procedure mochten aanvoeren dat er een voldoende verband was tussen de staat van dronkenschap en het ongeval. In het arrest van 24 juni 2002 (N.J.W. 2002, 353) oordeelde het Hof van Cassatie dat ook een vrijspraak geen algemeen gezag meer heeft op het burgerlijk geding. Het hof aanvaardde dat nadat de eigenaar van een gebouw dat door brand was vernield wegens twijfel was vrijgesproken, de verzekeraar toch voor de burgerlijke rechter mocht aantonen dat de brand opzettelijk werd veroorzaakt door de (vrijgesproken) eigenaar. In zijn arrest van 24 april 2006 (P & B, 2007, 343), gewezen op een voorziening van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, bevestigt het hof opnieuw de regel zoals gesteld in de arresten van 14 februari 1991 en 2 oktober
  10. Het voegt daaraan echter toe dat de regel die het vastlegde in vorige arresten (en die steunde op de onverenigbaarheid van het gezag van strafrechterlijk gewijsde met artikel 6 .1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) ook toepassing vindt in de materies waarin artikel 6.
  11. van het Europees verdrag geen toepassing vindt (zoals in de betwisting tussen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en de werkgever). "Het gezag van gewijsde in strafzaken, zoals dat besloten ligt in artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, staat", aldus dit arrest, "niet eraan in de weg dat een partij in een later burgerlijk proces de mogelijkheid krijgt om elementen te betwisten die uit het strafproces zijn afgeleid, in zoverre zij niet bij het strafgeding was betrokken of er niet vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden". 2.
  12. De nv Theuma, die dit cassatiearrest vermeldt in haar besluiten, geeft daaraan echter - ten onrechte - een restrictieve interpretatie die in dit arrest, en ook niet in de voorgaande arresten, vervat zit. Volgens de nv Theuma zou deze rechtspraak geen toepassing vinden indien de partij in het burgerlijk proces de gelegenheid gehad heeft zich burgerlijke partij te stellen voor de strafrechter maar dit niet gedaan heeft. In de verschillende arresten van het Hof van Cassatie wordt het gezag van gewijzigde beperkt t.a.v. de partij "die niet bij het strafgeding was betrokken of (en niet en zoals de nv Theuma het citeert) niet vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden. (Met deze laatste omschrijving wordt verwezen naar de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid die wel in het strafgeding kan tussenkomen maar wettelijk niet vermag in het nadeel van zijn verzekerde te pleiten). De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid was geen partij in het strafgeding, met als gevolg dat het gezag van strafrechtelijk gewijsde niet tegen hem kan ingeroepen worden. De omstandigheid dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zich burgerlijke partij had kunnen stellen doet daaraan geen afbreuk. Art. 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering laat de benadeelde de keuze om hetzij zich burgerlijk partij te stellen, hetzij een vordering in te stellen voor de burgerlijke rechter. 2.
  13. Ten overvloede is het hof van oordeel dat uit de strafrechtelijke vrijspraak ook niet noodzakelijk en zeker volgt dat geen overuren werden aangegeven en dat de sociale zekerheidsbijdragen daarop ten onrechte niet werden betaald. De strafrechtelijke vervolgingen werden gericht tegen twee aangestelden, de heer Theunis en de heer Schoenmaekers. De heer Theunis werd o.m. vrijgesproken omdat zijn persoonlijke betrokkenheid bij de inbreuken niet vaststond. De heer Schoenmaekers werd vrijgesproken omdat het moreel element van het misdrijf niet voorhanden was, omdat hij nog maar pas in de firma actief was en niet in de gelegenheid was geweest - wat zijn intentie ook was - om een einde te stellen aan het systeem van de betaling van overuren. Zulks houdt aldus niet in dat de strafrechter geoordeeld heeft dat er geen strafrechtelijke inbreuken gebeurden of dat deze niet bewezen waren. De strafrechter heeft alleen geoordeeld dat de heer Theunis en Schoenmaekers niet konden veroordeeld worden voor deze inbreuken. Zulk oordeel volgt ook niet uit het feit dat de nv Theuma partij was in het geding als burgerrechtelijk aansprakelijke voor de heer Theunis en de heer Schoenmaekers of uit het feit dat de betrokkenen gedagvaard werden als "werkgever, aangestelde of lastgever". Weliswaar heeft de strafrechter, zoals de eerste rechter opmerkt, de vrijspraak ook gesteund op het feit dat op basis van de lijsten, opgesteld door de sociale inspectie niet met zekerheid kon gezegd worden, dat een inbreuk werd gepleegd met betrekking tot alle werknemers die voorkwamen op deze lijsten. Zoals meer uitgebreid uiteengezet werd in het vonnis van de correctionele rechtbank hield de strafrechtelijke kwalificatie van de inbreuken, waarvoor een vervolging werd ingesteld, in dat de feiten gepleegd werden met betrekking tot respectievelijk 108 werknemers (voor wat betreft de heer Theunis) en 209 werknemers (voor wat betreft de heer Schoenmaekers), zodat ingeval van veroordeling de op te leggen geldboete diende uitgesproken worden met betrekking tot iedere werknemer. Voor een veroordeling was derhalve noodzakelijk dat de strafrechter met zekerheid kon uitmaken dat het misdrijf gepleegd werd met betrekking tot al deze werknemers, dan wel tot een aantal met name genoemde werknemers, hetgeen volgens de strafrechter niet met zekerheid kon uitgemaakt worden. Voor de bepaling van de bijdragen in de sociale zekerheid is echter, gelet op artikel 22 bis van de wet van 27 juni 1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid der werknemers, niet vereist dat de bijdrage wordt vastgesteld per individuele werknemer.
  14. Het bewijs van niet betaling van sociale zekerheidsbijdragen. 3.
  15. In zijn arrest van 14 januari 2002 (J.T.T. 2002,107) oordeelde het Hof van Cassatie dat wanneer wordt betwist dat bedragen, die als kosten eigen aan de werkgever aan de werknemer zijn betaald, het karakter van loon hebben, de instelling, die belast is met de inning van de bijdragen, dient aan te tonen dat die bedragen geen terugbetaling zijn van kosten die de werkgever moet dragen. Het Hof steunde deze conclusie op de samenlezing van art. 14 § 2 van de wet van 27 juni 1969 op de maatschappelijke zekerheid der werknemers en artikel 19 § 2, 4° van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 (cfr. in dit verband de conclusie van procureur-generaal Leclercq). Volgens de nv Theuma houdt de leer van dit arrest in dat het in de huidige casus aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, en aan hem alleen, toekomt het bewijs te leveren dat een gedeelte - en welk gedeelte - van de sommen, die voorkwamen op de individuele rekening onder de code "x" of de code " positieve vergoedingen" beschouwd dienen te worden als loon. 3.
  16. Naar het oordeel van het hof kan deze leer echter niet zonder meer toegepast worden op de huidige betwisting. In de zaak, die diende beslecht te worden door het Hof van Cassatie, had de werkgever aan de werknemers een mobiliteitsvergoeding uitbetaald, die hij kwalificeerde als een kost eigen aan de werkgever. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid stelde daar tegenover dat het om een verdoken loon ging. In huidige casus heeft de werkgever echter geenszins de sommen die voorkomen onder de code "x" of de code " positieve vergoedingen" de kwalificatie gegeven van kosten eigen aan de werkgever en heeft ze deze ook niet met deze kwalificatie aan de werknemers betaald. Integendeel blijkt uit de verklaringen, die afgelegd werden in het kader van het strafonderzoek door de heren Inglese en Theunis, personeelsverantwoordelijken (en die door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid worden neergelegd), onbetwistbaar dat onder de code "x" of de code "positieve vergoedingen" essentieel loon werd uitbetaald als tegenprestatie voor gepresteerde overuren. Alleen wordt daaraan toegevoegd dat onder deze code ook terugbetaling van sommige kosten werden opgenomen alsmede bepaalde sommen die in het kader van de arbeidsongevallenwetgeving werden betaald. Het volstaat volgens het hof niet dat de werkgever verklaart dat bepaalde sommen niet bijdrageplichtig zijn - of dat hij niet meer weet welke sommen werden uitbetaald als loon en welke sommen als terugbetaling van kosten van de werknemer - om daaruit af te leiden dat de volledige bewijslast dient verschoven te worden naar de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. 3.
  17. Zulks neemt echter niet weg dat het in de regel aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, als oorspronkelijk eiser toekomt, om het bewijs bij te brengen van zijn vordering. De vordering kan daarbij slechts toegewezen worden ten belope van het bedrag waarvan - in functie van de door beide partijen aangebrachte elementen - met voldoende zekerheid kan aangenomen worden dat het overeenstemt met lonen en niet met een terugbetaling van kosten. 3.
  18. Zoals gesteld blijkt uit de verklaringen van de personeelsverantwoordelijken en van een aantal werknemers - en dit wordt ook niet betwist door de nv Theuma - dat in de regel de overuren, (die belangrijk waren binnen de onderneming), nooit als dusdanig werden aangegeven aan de sociale zekerheid. Wanneer het ging om belangrijke bedragen (in het begin circa 5.000,00 euro per maand, op het einde 15.000,00 euro per maand ) werden deze meestal "cash" betaald. Wanneer het ging over minder belangrijke bedragen werden deze via de rekening betaald onder de code "x" of "positieve vergoedingen". (De vordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gaat enkel over de laatste bedragen). Dit bewijs blijkt ook uit de stukken die in het kader van het strafonderzoek teruggevonden werden en met name het "grijze boek" waarin de "zwarte overuren" vermeld werden, en waarvan sprake in de verklaringen. (Het "zwarte boek", waarin volgens de verklaringen van de betrokkenen de ventilatie werd gemaakt tussen de terugbetaling van de kosten en de betaling van overuren, werd niet teruggevonden.). De heer Inglese verklaart nog dat voor de ploegbazen en chauffeurs per hoofd iedere maand ca 500 euro werd uitbetaald cash en 500 euro via de code "x". Uit de verklaringen van de heer Theunis en van de heer Schoenmaekers blijkt eveneens dat onder de codes "x" en "positieve vergoedingen" bepaalde kosten werden terugbetaald. Het ging met name om de kosten van verblijf, voeding en telefoons van de chauffeurs, die belast waren met de leveringen in het buitenland en van de ploegbazen en ook sommige vergoedingen voor vervoer met eigen wagen. Uit de verklaringen blijkt niet dat ook aan andere werknemers onder deze code een terugbetaling gebeurde van werkelijke kosten. Integendeel blijkt uit de Pro Justitia van 13 februari 1992 (stuk 5a van het dossier van de nv Theuma) dat op de individuele rekeningen ook nog rubrieken voorkwamen zoals "sociaal abonnement", "verplaatsingsvergoeding", "kilometervergoeding" en "terugbetaalde kosten". Het lijkt aldus noodzakelijk een afsplitsing te maken van de bijdragen die gevorderd worden voor de ploegbazen en chauffeurs. Voor deze laatste zou, op basis van de getuigenverklaringen, en onder voorbehoud van de elementen die de partijen nog in het debat zouden kunnen brengen op basis van het strafdossier dat in hun bezit is (en waarvan aan het hof slechts een zeer klein deel is overgelegd ) kunnen aangenomen worden dat onder de code "x" en de code "positieve vergoedingen" maandelijks ca 500,00 euro als een loon voor de overuren werd vermeld voor de chauffeurs en ploegbazen. De namen van de ploegbazen en chauffeurs zijn opgenomen in de verklaring van de heer Ingleze. 3.
  19. Voor zijn stelling dat onder de codes "x" en " positieve vergoedingen" ook sommige vergoedingen voor arbeidsongevallen werden terugbetaald, die geen loon uitmaakten, verwijst de nv Theuma naar de verklaringen in het strafdossier en naar een schrijven van Assubel, waarin een lijst opgenomen is van vergoedingen arbeidsongevallen die betaald werden en waarin onder meer zeer belangrijke kosten voor medische zorgen maar ook voor uitkeringen zijn opgenomen. Het hof kan echter uit het schrijven van Assubel van 10 juli 1992 en de bijgevoegde computerlistings niet afleiden dat de bedragen, vermeld op de listings, aan de de nv Theuma werden gestort, die ze dan verder diende door te storten aan zijn werknemers. In de regel is het de arbeidsongevallenverzekeraar die de door de wet van 10 april 1971 vastgestelde vergoedingen (voornamelijk uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid en medische kosten) rechtstreeks aan de slachtoffers van een arbeidsongeval betaald. In het kader van deze wetgeving beschikt het slachtoffer van het arbeidsongeval immers over een rechtstreekse vordering tegen de verzekeringsmaatschappij en beschikt hij niet over een vordering tegen de werkgever. Overeenkomstig artikel 41 al. 2 van de wet worden de vergoedingen van medische, farmaceutische, heelkundige en verplegingskosten betaald aan degenen die deze gedragen hebben. In toepassing van deze regel worden hospitalisatiefacturen en dergelijke in de regel steeds rechtstreeks gericht aan de verzekeraar arbeidsongevallen, zonder dat aan de patiënt enige tussenkomst wordt gevraagd. Het zou dan ook verwondering wekken dat de werknemers, die bij de nv Theuma het slachtoffer waren van een arbeidsongeval, zelf deze kosten zouden gedragen hebben, ze vervolgens ingediend hebben bij de verzekeringsmaatschappij via hun werkgever en dat de terugbetaling dan nogmaals via hun werkgever zou gebeurd zijn. Aldus zouden immers de slachtoffers van een arbeidsongeval over een lange periode zelf de kosten van de geneeskundige verzorging moeten dragen. Overeenkomstig de artikelen 46 § 2 en 42 zijn het de verzekeringsinstellingen die de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid uitbetalen, evenals de rente voor blijvende arbeidsongeschiktheid. Het hof vindt in de wet van 10 april 1971 slechts één uitzondering op deze regel: overeenkomstig artikel 54 mogen de verzekeringsondernemingen in hun algemene voorwaarden of statuten bepalen dat de vergoedingen wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid voor een periode van ten hoogste zes maanden vanaf de dag, volgend op het begin van de arbeidsongeschiktheid, rechtstreeks aan de getroffenen worden betaald door de werkgever voor de rekening van de betrokken verzekeringsonderneming. Het past dan ook dat de nv Theuma terzake verdere toelichtingen zou verstrekken die ongetwijfeld nog kunnen bekomen worden bij Assubel. Met name kan aan Assubel gevraagd worden hoe zijn listing dient geïnterpreteerd te worden: gaat het gewoon om een opsomming van bedragen die uitgekeerd werden ingevolge de verzekering die de nv Theuma afsloot of ging het echt om bedragen die aan de nv Theuma betaald werden als tussenpersoon. Aan Assubel kan ook gevraagd worden of ooit een (statutaire) regeling in de zin van artikel 54 van de wet bestaan heeft en of deze ten aanzien van de nv Theuma is toegepast geworden. Tenslotte dient de nv Theuma het schrijven voor te leggen van 18 juni 1992, waarop het schrijven van Assubel een antwoord uitmaakt. In de laatste alinea van zijn schrijven preciseert Assubel dat het niet in de mogelijkheid is apart de gegevens mede te delen met betrekking tot het gewaarborgde maandloon. Het lijkt niet uitgesloten dat de vraag precies betrekking had op het gewaarborgde maandloon waarvoor eventueel een regeling kan bestaan hebben waarbij de nv Theuma bepaalde sommen, die door de verzekeraar moesten uitgekeerd worden, aan zijn werknemers heeft voorgeschoten. 3.
  20. De nv Theuma houdt tenslotte nog voor, met verwijzing naar het vonnis van de correctionele rechtbank dat bepaalde sommen, die geboekt waren onder code "x" of "positieve vergoedingen", zo laag waren dat zij onmogelijk overuren konden dekken. De door de nv Theuma aangebrachte gegevens, en hun interpretatie, worden door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid niet betwist. Het hof neemt aan dat voor de werknemers waarvan onder de code "x" of positiever vergoedingen" een bedrag vermeld wordt van minder dan 3.000 fr. (74.37 euro ) op kwartaalbasis, niet aangetoond is dat het om de betaling van loon of overloon zou gaan. 3.
  21. Het hof stelt ook vast dat in het dossier van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid alleen gedetailleerde lijsten (document F33) voorkomen van de bedragen waarvoor regularisaties werden uitgevoerd na 1.04.1990 en niet voor die datum. Volgens het onderzoeksverslag in het dossier van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zou er een opsplitsing gemaakt zijn in de periode van voor en na 1 april 1990 in functie van de personen die strafrechtelijk aansprakelijk waren in de firma. Voor de eerste periode zouden 43 formulieren zijn opgesteld zijn en voor de tweede periode 46 formulieren. Blijkbaar werden enkel deze laatste formulieren neergelegd. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dient ook de formulieren voor de eerste periode voor te leggen. 3.
  22. Een heropening van de debatten dient dan ook op bevolen te worden ten einde:

(1)de nv Theuma toe te laten aanvullende gegevens en inlichtingen bij te brengen met betrekking tot de sommen die volgens haar zouden voorkomen onder de codes"x" en " positieve vergoedingen" als terugbetaling voor vergoedingen verschuldigd in het kader van de arbeidsongevallenverzekering. Het hof verwijst terzake naar hetgeen uiteengezet is in sub 3.
(2)partijen toe te laten standpunt in te nemen over het bedrag dat onder de codes "x" en " positieve vergoedingen" als loon is opgenomen voor de chauffeurs en ploegbazen (cfr. hetgeen sub 3.5. is uiteengezet).
(3)de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid toe te laten om de formulieren F 33 voor te leggen voor de periode voorafgaand aan 1.04.1990 en om een aangepast afrekening op te stellen rekening houdend met hetgeen uiteengezet is sub 3.3 (afrekening ploegbazen en chauffeurs) en 3.6 (niet in aanmerking nemen van de sommen voor die werknemers waarvoor op kwartaalbasis 3.000 BEF (73,37 euro). of minder is opgenomen onder de codes "x" en "positieve vergoedingen"), en zo mogelijk, rekening houdend met de door de nv Theuma aan te brengen gegevens in verband met de terugbetalingen in het kader van de arbeidsongevallenwetgeving.
  1. De vordering in zoverre zij steunt op een eigen aangifte van het sociaal secretariaat van de nv Theuma. Volgens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is in het rekeninguittreksel van 2 april 1992 een bedrag opgenomen voor het 2e kwartaal 1991 van 46.607,00 BF of 1.155,36 euro , dat steunt op een aanvraag tot wijziging van het sociaal secretariaat van de nv Theuma. Deze aanvraag tot wijziging bevindt zich in het dossier neergelegd door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (onderdeel van het dossier 3). Het komt aan de nv Theuma toe te bewijzen dat zij deze bijdragen betaald heeft. Indien de nv Theuma of haar sociaal secretariaat een onderdeel van het rekeninguittreksel zou betaald hebben dient daar in ieder geval een spoor van te zijn in de boekhouding. Volgens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is verder in het rekeninguittreksel van 30 oktober 1992 een bedrag opgenomen van 378.508,00 BF of 9.383,18 euro voor het jaar 1992, dat eveneens steunt op een vraag tot wijziging van bijdragen, uitgaande van het sociaal secretariaat. De stukken voorgelegd door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid laten hier echter niet toe uit te maken hetgeen precies steunt op de eigen aangifte van het sociaal secretariaat van de nv Theuma en wat steunt op de oorspronkelijke vordering. In het dossier van de de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bevindt zich een schrijven gericht door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan zijn raadsman van 31 maart 2004 waarbij uiteengezet wordt dat het bedrag van 378.508,00 BF betrekking heeft op de bijdragen van het jaarlijkse vakantie debetbericht voor het dienstjaar
  2. En daaraan zijn bijlagen gehecht, waarvan sommigen verwijzen naar een ambtshalve wijziging en andere naar een aanvraag tot wijziging uitgaande van het sociaal secretariaat. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dient terzake meer toelichting te geven, zodanig dat bedrag per bedrag dat voorkomt op het rekeninguittreksel kan nagegaan worden wat steunt om een ambtshalve wijziging of wat steunt op een aanvraag tot wijziging van het sociaal secretariaat. Indien zoals voorgehouden wordt het bedrag van 378.508,00 Bfr. steunt op een eigen aangifte dan dienen de voorgelegde stukken dusdanig geïnventariseerd te worden dat, de nv Theuma en het hof het bedrag terug kunnen samenstellen. Ook hier geldt dat de nv Theuma dient aan te tonen dat zij onderdelen van het rekeninguittreksel zou betaald hebben. Ook op dit punt dient de heropening van de debatten bevolen te worden. DE INCIDENTELE VORDERINGEN VAN DE NV THEUMA EN DE VRAAG TOT BEPERKING VAN DE INTRESTEN. Het hof zal al de andere onderdelen van de betwisting, die nog niet uitdrukkelijk besproken zijn, verder onderzoeken nadat partijen de gegevens hebben aangebracht die door het hof worden gevraagd. Partijen hebben aldus de gelegenheid over deze onderdelen van de betwisting nog verder te concluderen indien zij dat wensen en desgevallend hun vorderingen aan te passen. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk. Alvorens recht te doen: beveelt de heropening der debatten ten einde
(1)de nv Theuma toe te laten aanvullende gegevens en inlichtingen bij te brengen met betrekking tot de sommen die volgens haar zouden voorkomen onder de codes"x" en " positieve vergoedingen" als terugbetaling voor vergoedingen verschuldigd in het kader van de arbeidsongevallenverzekering. Het hof verwijst terzake naar hetgeen uiteengezet is.sub 3.
(2)partijen toe te laten standpunt in te nemen over het bedrag dat onder de codes "x" en " positieve vergoedingen" als loon is opgenomen voor de chauffeurs en ploegbazen (cfr. hetgeen sub 3.5. is uiteengezet;
(3)de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid toe te laten om de formulieren F 33 voor te leggen voor de periode voorafgaand aan 1.04.1990 en om een aangepast afrekening op te stellen rekening houdend met hetgeen uiteengezet is sub 3.3 (afrekening ploegbazen en chauffeurs) en 3.6 (niet in aanmerking nemen van de sommen voor die werknemers waarvoor op kwartaalbasis 3.000 BEF (73,37 euro) of minder is opgenomen onder de codes "x" en "positieve vergoedingen", en zo mogelijk, rekening houdend met de door de nv Theuma aan te brengen gegevens in verband met de terugbetalingen in het kader van de arbeidsongevallenwetgeving.
(4)de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid toe te laten verdere toelichting te verstrekken bij het rekeninguittreksel van 30/10/1992 (bepaling van hetgeen steunt op een eigen aangifte van de nv Theuma) Bepaalt de termijnen voor neerlegging van stukken en besluiten als volgt :
(1)de nv Theuma zal de aanvullende informatie met betrekking tot de vergoedingen betaald op basis van de arbeidsongevallenwetgeving en haar standpunt met betrekking tot de bepaling van het aandeel lonen voor de ploegbazen en chauffeurs dienen neer te leggen uiterlijk op 25 februari 2010;
(2)de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zal de formulieren F 33, zijn toelichtingen betreffende het rekeninguittreksel van 30/10/1992 en zijn opmerkingen m.b.t. het aandeel lonen voor de ploegbazen en chauffeurs dienen neer te leggen uiterlijk op 27 mei 2010;
(3)de nv Theuma kan aanvullend besluiten, in de vorm van synthesebesluiten uiterlijk tot 29 juli 2010. De zaak wordt voor pleidooien gesteld ter openbare terechtzitting van 21 oktober 2010 om 14u 30 voor een pleitduur van 50 minuten. Verklaart het incidenteel beroep en de incidentele vordering in graad van beroep ontvankelijk. Houdt de beslissing over de gegrondheid van dit beroep en deze vordering aan. Houdt de kosten aan. Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: F. Kenis, raadsheer, voorzitter, I. Van Damme, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; K. Gacoms, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; L. Herregodts, griffier. F. Kenis L .Herregodts K. Gacoms I. Van Damme en uitgesproken op de openbare terechtzitting van tien december tweeduizend en negen van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel door: F. Kenis raadsheer, voorzitter Bijgestaan door L. Herregodts, griffier. F. Kenis L. Herregodts PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091210.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.