← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091224.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 24 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091224.1 Rolnummer: 51.567 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-01-18 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-02 20:53 Fiche De bevoegdheid die door artikel 51 § 4 van de samengeordende wetten op de kinderbijslag wordt toegekend aan de minister of aan de door hem aangewezen ambtenaar is een discretionaire bevoegdheid. Aan de minister of zijn ambtenaar wordt de vrijheid gelaten te beoordelen wanneer het behartenswaardig geval voorhanden is en of het opportuun voorkomt het recht op kinderbijslag te verlenen aan een werknemer voor kinderen die deel uitmaken van zijn gezin of geplaatst zijn in een instelling, maar niet vermeld zijn in § 3 of die niet de hierin bepaalde voorwaarden vervullen. De arbeidsrechtbank is weliswaar bevoegd om toezicht te houden op de wettigheid van de bestreden beslissing en om na te gaan of de minister of zijn ambtenaar bij het uitoefenen van hun bevoegdheid niet onredelijk of onwillekeurig hebben gehandeld, maar vermag niet aan het bestuur zijn beoordelingsbevoegdheid te ontnemen en zich aldus in de plaats van het bestuur te stellen. Het Hof legt aan de Belgische Staat dan ook de verplichting op om een nieuwe beslissing te nemen met betrekking tot de toekenning van de kinderbijslag met terugwerkende kracht. De motivering van de nieuwe beslissing dient duidelijk te maken welk beleid terzake door de minister of de door hem aangewezen ambtenaar gevoerd wordt. De beslissing dient aan te geven op basis van welke criteria een vraag ingediend op grond van artikel 51 § 4 in het algemeen beoordeeld wordt, en meer in het bijzonder, waarom de aanvraag tot het bekomen van kinderbijslag met terugwerkende kracht niet aanvaard wordt, hetzij in de algemene regel, hetzij gelet op de specifieke elementen van de zaak. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Gezinsbijslag - Werknemer Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS - KINDERBIJSLAG - geen rechtgevend kind - afwijking - behartenswaardig geval - rechtsmacht van de rechter Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 19-12-1939 - 51 § 4 - 01 ELI link Pub nr 1939121901 Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIERENTWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN NEGEN. 7e KAMER not. 580, 2°, Ger. W. kinderbijslag tegenspraak gedeeltelijk definitief en heropening van de debatten In de zaak : V. N., appellante, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester W. Dierickx, advocaat te Berlare, tegen : 1.BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 - B1, eerste geïntimeerde, die ter openbare terechtzitting worden vertegenwoordigd door meester L. Bracke loco meester C. Decordier, advocaat te Gent; 2.BELGACOM, naamloze vennootschap naar publiek recht, met zetel te 1030 Brussel, Koning Albert II-laan 27, ondernemingsnummer 0202.239.951, tweede geïntimeerde, die ter openbare terechtzitting worden vertegenwoordigd door meester A. Grypdonck-De Schrijver, advocaat te Gent. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken : -het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis van de vijfde kamer van de arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Aalst, uitgesproken bij verstek van de Belgische Staat, op 20 oktober 2005; -het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest van de vijfde kamer van het arbeidshof te Gent, afdeling Gent, uitgsproken bij verstek van de Belgische Staat, op 2 februari 2007, - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest van de derde kamer van het Hof van Cassatie van 28 januari 2008, waarbij de zaak (beperkt) wordt verwezen naar dit arbeidshof -de dagvaarding na Cassatie, betekend op 29 oktober 2008 en neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 2 december 2008; -de conclusies voor beide partijen; De partijen werden opnieuw gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 26 november 2009, waarna de debatten werden gesloten, het openbaar ministerie een advies uitbracht en de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden. * * * I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

  1. Mevrouw V. is werkneemster van de nv Belgacom, die ook de kinderbijslag uitkeert waarop haar werknemers recht hebben. Mevrouw V. heeft op 13 augustus 2001 een aanvraag ingediend tot het bekomen van kinderbijslag overeenkomstig artikel 51 §4 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag van 19 december
  2. De kinderbijslag werd aangevraagd voor het kind J. M., dat niet haar kind was, maar waarvoor zij de zorg en de opvoeding op zich genomen had. Bij beslissing van 22 februari 2002 werd aan mevrouw V. medegedeeld dat een gunstige beslissing genomen werd en dat kinderbijslag kon uitgekeerd worden vanaf de datum dat de aanvraag, hetzij 13 augustus
  3. Op 8 maart 2002 heeft mevrouw V. een aanvraag ingediend ten einde de kinderbijslag uitbetaald te krijgen met een terugwerkende kracht van drie jaar, dit in overeenstemming met artikel 120 van de gecoördineerde wetten. Bij beslissing van 20 maart 2002 werd deze aanvraag afgewezen.
  4. Bij verzoekschrift van 25 maart 2002 betwistte mevrouw V. beide beslissingen voor de arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Aalst. Bij vonnis van 20 oktober 2005 verklaarde de arbeidsrechtbank zich onbevoegd om uitspraak te doen over de vordering lastens de Belgische Staat en verklaarde zij de vordering ongegrond ten laste van de nv Belgacom. De arbeidsrechtbank was van oordeel dat de gevraagde afwijking van de ingangsdatum van het recht op kinderbijslag tot de discretionaire bevoegdheid behoorde van de minister en bijgevolg niet onderworpen kon worden aan de controlebevoegdheid van de rechterlijke macht.
  5. Bij verzoekschrift van 21 november 2005 stelde mevrouw V. hoger beroep in tegen dit vonnis bij het arbeidshof te Gent. Bij arrest van 2 februari 2007 heeft het arbeidshof te Gent het hoger beroep ontvankelijk verklaard, het vonnis van de eerste rechter vernietigd en opnieuw wijzend, de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond verklaard. Het arbeidshof oordeelde dat de bestreden administratieve beslissing nietig was wegens schending van artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffen de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Het arbeidshof zegde voor recht dat mevrouw V. recht had op kinderbijslag voor J. M. voor een periode van drie jaar, voorafgaand aan 13 augustus
  6. Tegen dit arrest werd een cassatievoorziening ingeleid door de Belgische Staat. De cassatievoorziening betwistte niet de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering maar wel het feit dat het arbeidshof, na de bestreden beslissing vernietigd te hebben op basis van een motiveringsgebrek, zichzelf in de plaats stelde van de minister voor de beoordeling van het behartenswaardige karakter van de aanvraag. Bij arrest van 28 januari 2008 heeft het Hof van Cassatie het arrest van het arbeidshof vernietigd maar enkel in zoverre het zelf uitspraak deed over het al dan niet behartenswaardig karakter van de aanvraag en op grond hiervan het recht op kinderbijslag toekende voor de periode van drie jaar voorafgaand aan 13 augustus
  7. Bij exploot van 29 oktober 2008 heeft de nv Belgacom het arrest van het Hof van Cassatie betekend aan mevrouw V. en aan de Belgische Staat en heeft zij deze partijen gedagvaard voor het arbeidshof te Brussel in voortzetting van de procedure en van het hoger beroep ingesteld door mevrouw V.. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het hoger beroep van mevrouw V. werd reeds door het arbeidshof te Gent ontvankelijk verklaard. De zaak werd na cassatie op rechtsgeldige wijze aanhangig gemaakt bij dit hof. III. BEOORDELING.
  8. Artikel 51 van de samengeordende wetten op de kinderbijslag van 19 december 1939 bepaalt in zijn § 1 en 2 de personen die recht hebben op kinderbijslag. Artikel 51 § 3 van dezelfde wet bepaalt voor welke kinderen deze kinderbijslag verworven kan worden en onder welke voorwaarden. Overeenkomstig artikel 51 § 4 van de wet kan de minister van Sociale Zaken of de ambtenaar die hij aanduidt in behartenswaardige gevallen bepalen dat de werknemer recht heeft op kinderbijslag voor kinderen die deel uitmaken van zijn gezin of geplaatst zijn in een instelling, bedoeld in artikel 70, en die niet vermeld zijn in § 3 of die niet de hierin bepaalde voorwaarden vervullen.
  9. Het is in het kader van de bevoegdheid die door artikel 54 § 4 verleend wordt aan de minister dat de bestreden administratieve beslissingen genomen zijn. Ingevolge het arrest van 2 februari 2007, gewezen door het arbeidshof te Gent en dat op dit onderdeel niet betwist werd, staat vast dat de bestreden beslissingen nietig zijn, omdat zij onvoldoende gemotiveerd zijn, in de zin van 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Betwisting bestaat enkel nog over de vraag of het arbeidshof bevoegd is om, na de vernietiging van de beslissingen, zelf uitspraak te doen over het behartenswaardig karakter van de aanvraag.
  10. Het hof sluit zich aan bij de zienswijze van het Hof van Cassatie in zijn arrest van 28 januari
  11. De bevoegdheid die door artikel 51 § 4 van de samengeordende wetten op de kinderbijslag wordt toegekend aan de minister of aan de door hem aangewezen ambtenaar is een discretionaire bevoegdheid. Aan de minister of zijn ambtenaar wordt de vrijheid gelaten te beoordelen wanneer het behartenswaardig geval voorhanden is en of het opportuun voorkomt het recht op kinderbijslag te verlenen aan een werknemer voor kinderen die deel uitmaken van zijn gezin of geplaatst zijn in een instelling, maar niet vermeld zijn in § 3 of die niet de hierin bepaalde voorwaarden vervullen. De arbeidsrechtbank is weliswaar bevoegd om toezicht te houden op de wettigheid van de bestreden beslissing en om na te gaan of de minister of zijn ambtenaar bij het uitoefenen van hun bevoegdheid niet onredelijk of onwillekeurig hebben gehandeld, maar vermag niet aan het bestuur zijn beoordelingsbevoegdheid te ontnemen en zich aldus in de plaats van het bestuur te stellen.
  12. Daaruit volgt dat de Belgische Staat een nieuwe beslissing dient te nemen over de vraag of mevrouw V. aanspraak kan maken op kinderbijslag voor het kind J. M., met terugwerkende kracht van 3 jaar, zoals gevraagd werd. Het hof legt aan de Belgische Staat dan ook de verplichting op om een nieuwe beslissing te nemen met betrekking tot de toekenning van de kinderbijslag met terugwerkende kracht. De motivering van de nieuwe beslissing dient duidelijk te maken welk beleid terzake door de minister of de door hem aangewezen ambtenaar gevoerd wordt. De beslissing dient aan te geven op basis van welke criteria een vraag ingediend op grond van artikel 51 § 4 in het algemeen beoordeeld wordt, en meer in het bijzonder, waarom de aanvraag tot het bekomen van kinderbijslag met terugwerkende kracht niet aanvaard wordt, hetzij in de algemene regel, hetzij gelet op de specifieke elementen van de zaak. Met het oog op een efficiënte rechtsbedeling bepaalt het Hof de termijn waarin binnen de Belgische Staat een nieuwe beslissing dient te nemen en bepaalt het verder de termijnen waarover partijen beschikken om over deze nieuwe beslissing, wanneer zij dit wensen, tegenspraak te voeren. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gehoord in zijn eensluidend mondeling advies, de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal, Verklaart het hoger beroep van mevrouw V. tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Aalst als volgt gegrond. Beveelt de Belgische Staat een nieuwe beslissing te nemen met betrekking tot de aangevraagde kinderbijslag voor het kind Juul Martens voor de periode van drie jaar voorafgaand aan 13 augustus 2001, rekening houdend met de motiveringsplicht zoals het hof deze in de overwegingen van zijn arrest heeft gepreciseerd. Zegt dat deze beslissing aan mevrouw V. dient betekend te worden en neergelegd dient te worden ter griffie van het hof uiterlijk op 4 maart
  13. Heropent de debatten: Zegt dat mevrouw V. over een termijn beschikt die afloopt op 22 april 2010 om haar eventuele bemerkingen ten aanzien van de nieuwe beslissing te formuleren en dat de Belgische Staat en de nv Belgacom over een termijn beschikken die afloopt op 20 mei 2010 voor neerlegging van hun eventuele replieken. Stelt de zaak voor behandeling vast ter zitting van 24 juni 2010 te 14 uur voor een pleitduur van 30 minuten. Houdt de kosten aan. Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: F. Kenis, raadsheer, voorzitter; I. Van Damme, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; J.-P. Van Coningsloo, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; S. Van der hoeven, griffier. F. Kenis S. Van der hoeven J.-P. Van Coningsloo I. Van Damme en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vierentwintig december tweeduizend en negen van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel door: F. Kenis raadsheer, voorzitter Bijgestaan door S. Van der hoeven, griffier. F. Kenis S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20091224.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.