← België

ECLI:BE:CTBRL:2009:AVIS.20090212.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Advies van 12 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2009:AVIS.20090212.7 Rolnummer: 49.453 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-03-19 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-02 19:11 Fiche De reclamesector behoort niet tot het spektakelbedrijf. De regel van artikel 10 van het M.B. van 26 november 1991 kan er niet op toegepast worden. De term 'spektakel' heeft niet de ruime betekenis van 'toestand of gebeurtenis die het oog tot zich trekt' maar de engere betekenis van 'activiteiten in het toneel, de film, musical, choreografie, crcus, opera, enz...'. In dat verband kan verwezen worden naar het toepassingsgebied van het paritair comité nr. 304 voor het vermakelijkheidsbedrijf. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toelaatbaarheidsvoorwaarden Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID - toelaatbaarheid bijzondere regeling voor artiesten uit het spektakelbedrijf - activiteit in de publiciteitssector Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 37 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Ministerieel Besluit - 26-11-1991 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1992013272 Nota: VAN art 37 Tegen dit arrest is er casstieberope ingesteld. Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWAALF FEBRUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN. 7e KAMER not. 580, 2° Ger. W. werkloosheidsuitkering op tegenspraak definitief In de zaak : RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door meester P. Quadflieg loco meester E. De Bock, advocaat te Vilvoorde, tegen : L. M., geïntimeerde op hoofdberoep, appellant op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door meester N. Nieuwdorp loco meester S. Capiau, advocaat te Brussel. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak, door de twintigste kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel op 11 december 2006 en ter kennis gebracht van de partijen bij gerechtsbrief van 22 december 2006 overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek; -het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 22 januari 2007; -de conclusies voor de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, neergelegd ter griffie op 9 januari 2008 --de conclusies voor de heer L., neergelegd ter griffie op 7 september 2007 en op 3 december 2008 De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 11 december

  1. Het openbaar ministerie heeft zijn schriftelijk advies op 17 december 2008 ter griffie neergelegd. Partijen hadden de mogelijkheid om tot 16 januari 2009 een repliek op dit advies ter griffie neer te leggen. De heer L. legde zijn repliek neer ter griffie op 16 januari
  2. Op 17 januari 2009 werd de zaak van rechtswege in beraad genomen om uitspraak te doen op heden. * * * RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING De heer L. werd vanaf 1-12-1996 geschorst van het recht op werkloosheidsuitkeringen wegens langdurige werkloosheid. Op 25-5-2002 vroeg hij opnieuw werkloosheidsuitkeringen aan. De directeur van het gewestelijk werkloosheidskantoor besliste op 9-8-2002 de heer L. niet toe te laten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen daar hij tijdens de periode van 18 maanden die zijn aanvraag voorafging (dit is van 25-11-2000 tot 25-5-2002) slechts 161 dagen had gewerkt en het minimum van 312 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen niet was bereikt, zodat niet voldaan was aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden bepaald bij art 30 tot 33, 37, 38, 83, 85, 142 en 144 van het Koninklijk Besluit van 25-11-1991 (werkloosheidsbesluit). De heer L. stelde tegen die beslissing een verhaal in bij de arbeidsrechtbank met een op 8-11-2002 ter griffie van de arbeidsrechtbank neergelegd verzoekschrift. De heer L. hield voor dat hij kunstenaar was daar zijn activiteit bestond uit het ontwerpen en vervaardigen van decors, zodat hij zich kon beroepen op de bijzondere regeling van art 10 van het Ministerieel Besluit van 26-11-
  3. De arbeidsrechtbank verklaarde zijn vordering gegrond en vernietigde de bestreden administratieve beslissing van 9-8-
  4. Zij verzond de zaak naar de rol om de RVA toe te laten een nieuwe beslissing te nemen i.v.m. de toelaatbaarheid van de heer L. tot het recht op werkloosheidsuitkeringen en de eventuele achterstallen aan werkloosheidsuitkeringen te berekenen. VORDERINGEN IN HOGER BEROEP De RVA vordert dat het hof de bestreden beslissing zou hervormen en de administratieve beslissing van 9-8-2002 zou bevestigen. De heer L. stelde bij conclusie incidenteel hoger beroep in. Hij vordert dat het hof het bestreden vonnis zou bevestigen in de mate het de administratieve beslissing van 9-8-2002 vernietigde en het voor het overige zou hervormen, te zeggen voor recht dat hij toegelaten wordt tot het recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 25-5-2002 en de RVA te veroordelen tot betaling van de achterstallige werkloosheidsuitkeringen en de intresten daarop vanaf 25-5-2002 en tot de kosten van het geding. In ondergeschikte orde vordert hij dat het hof de RVA zou bevelen, in toepassing van art 877 van het Gerechtelijk Wetboek, een volledig administratief dossier neer te leggen op basis waarvan kan geoordeeld worden over de toekenningsvoorwaarden (en dat in het bijzonder de afrekening van de gepresteerde uren bevat gedurende de periode van werkloosheid) en over de verschuldigde achterstallige uitkeringen. Dit dossier neer te leggen binnen de 15 dagen vanaf het tussen te komen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 100 euro per dag vertraging. BEOORDELING 1.Ontvankelijkheid Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld, zodat het ontvankelijk is. Ook het incidenteel beroep is ontvankelijk. 2.Ten Gronde Het staat vast dat de heer L. per cachet werd betaald. De betwisting betreft de vraag of de heer L. een artistieke activiteit uitoefende. Overeenkomstig art 27,10de van het Werkloosheidsbesluit, wordt voor de toepassing van de wekloosheidsreglementering als artistieke activiteit beschouwd: "de creatie en vertolking van artistieke werken, inzonderheid op het vlak van audiovisuele en beeldende kunsten, de muziek, de literatuur, het spektakelbedrijf, het decorontwerp en de choreografie." De administratieve praktijk van de RVA sluit aan bij deze omschrijving. De RVA beschouwt als artiest: "de persoon die scheppend, vertolkend of uitvoerend actief is in de audiovisuele en beeldende kunsten, de muziek de literatuur , het spektakelbedrijf, het decorontwerp en de choreografie en dit als hoofdberoep, bijberoep of hobby." Art 10 van het ministerieel besluit van 26-11-1991 voorziet in een bijzondere regeling voor de artiest-muzikant en voor de artiest van het spektakelbedrijf. Het blijkt dat die uitzonderingsregeling bijgevolg niet geldt voor de andere in art 27,10de van het werkloosheidsbesluit aangewezen artiesten. Aangezien die bepaling een afwijkende regeling bevat, dient zij eng te worden uitgelegd. Volgens die regel wordt een dagelijkse arbeidsprestatie van minder dan 5,77 uur als een arbeidsdag in aanmerking genomen indien het ontvangen brutoloon ten minste gelijk is aan 1/26ste van 1.772,51 euro voor de artiest die ten minste 21 jaar oud is. Volgens de door de RVA verschafte tekst, wordt voor een artiest die wordt aangeworven voor een bepaald werk en die per opdracht wordt betaald met een "cachet", het aantal in aanmerking te nemen arbeidsdagen voor de toelaatbaarheid tot het recht op werkloosheidsuitkeringen, berekend door het brutoloon te delen door het referentieloon voor de artiesten (32,81 Euro op 1-10-2004), waarbij het resultaat niet is beperkt tot 26 dagen per maand. De heer L. paste die berekeningsregel toe en kwam aldus tot een aantal van 652,92 arbeidsdagen. Er weze opgemerkt dat een aantal personen die eveneens in de artistieke sector werkzaam zijn, voornamelijk in het spektakelbedrijf, bvb. als technici, aan gelijkaardige werkomstandigheden kunnen onderworpen zijn als de artiesten, doch niet onder de specifiek voor de artiesten geldende wettelijke bepalingen vallen. De door de heer L. bij zijn uitkeringsaanvraag ingediende C4-documenten zijn niet eenduidig wat de aard van zijn beroepsactiviteit betreft en vermelden als beroep: machinist, technieker en één enkele maal "ontwerper - decorateur - constructeur" (C4 van 24-5-2002) De heer L. legt verder nog een aantal stukken voor waaruit blijkt dat hij via de VZW SMART, een ondersteunende maatschappij voor artiesten in contact kwam met opdrachtgevers en die VZW daarbij als derde betaler optrad. Volgens de facturatieaanvragen (zijn stukken 13 tot 30 bis) voerde hij die opdrachten uit als "decorateur" of als "beeldhouwer-decorateur". De activiteit werd uitgevoerd zowel in de filmidustrie (stukken 13 en 36 contract met I-screen, stukken 14 en 37: contract met Azimut production) als in de reclamesector. De door de heer L. bijgebrachte stukken tonen aan dat hij voornamelijk werd aangetrokken voor de realisatie van publicitaire spots, het bouwen van publiciteitsstands voor diverse ondernemingen als Douwe Egberts, Nivea, Kraft Interbrew,Cotridis, Kerastase, Garnier, Webraska, RTS, Wanadoo, Materne, Swiffer, Range Roover, Armani, FNB, SPE, Ad Store etc. waarbij vanzelfsprekend voornamelijk publicitaire bekommernissen vooropstaan en niet zozeer de artistieke vrijheid, de creatie als zodanig. Terecht merkt het openbaar ministerie op dat het ontwerpen en bouwen van stands of achtergronden bestemd voor publiciteit, demonstratie, etalage, onthaal, vermaak, drankaanbod e.d. in opdracht van commerciële firma's niet kan beschouwd worden als een artistieke activiteit in het spektakelbedrijf. (in de Franse tekst wordt daarbij de term artiste du spectacle gebruikt). Het hof kan de ruime interpretatie die de heer L. aan het spektakelbedrijf geeft niet bijtreden. Dat aan de term "spektakel" niet de ruime betekenis kan worden gegeven van "toestand of gebeurtenis die het oog tot zich trekt"(Van Dale-Groot Woordenboek der Nederlandse Taal) is wel duidelijk. Het is de engere betekenis van "activiteiten in het toneel, de film, music-hall, choreografie, circus, opera etc. die ermee bedoeld wordt. Hierbij kan verwezen worden naar het toepassingsgebied van het paritair comité nr.304 voor het vermakelijkheidsbedrijf (commission paritaire du spectacle). De verwijzingen door de heer L. naar de auteursrechtelijke regeling en bescherming is daarbij niet relevant nu zij niet toelaat de activiteit van de heer L. te integreren in het spektakelbedrijf. De reclamesector behoort niet tot het spektakelbedrijf, zodat de regel van art 10 ministerieel besluit er niet kan op toegepast worden. Het hof kan dan ook de stelling van de heer L. niet volgen dat de afwijkende regeling van art 10 ministerieel besluit van 26-11-1991 kan worden toegepast voor het berekenen van zijn wachttijd. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Gelet op het schriftelijk eensluidend advies van advocaat-generaal J.-J. André , neergelegd ter griffie op 17-12-
  5. De heer L. heeft op 16 januari 2009 een repliek op dit advies ter griffie neergelegd. Rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het principaal hoger beroep ontvankelijk en gegrond, het incidenteel hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Hervormt het bestreden vonnis Bevestigt de bestreden administratieve beslissing van 9-8-
  6. Legt de kosten van beide aanleggen ten laste van de RVA bij toepassing van art 1017, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek. Vereffent het bedrag van de proceskosten, in hoofde van de heer L. begroot op 145,78 euro als rechtsplegingsvergoeding voor de procedure voor de arbeidsrechtbank en 145,78 euro als rechtsplegingsvergoeding voor de procedure voor het arbeidshof (verminderde bedragen). Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: G. Balis, kamervoorzitter; I. Van Damme, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; K. Gacoms, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; S. Van der hoeven, griffier. G. Balis S. Van der hoeven K. Gacoms I. Van Damme De heer I. Van Damme, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen. Overeenkomstig artikel 785 Gerechtelijk Wetboek wordt het arrest ondertekend door G. Balis, kamervoorzitter en K. Gacoms, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-arbeider. S. Van der hoeven, griffier. En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel op twaalf februari tweeduizend en negen door : G. Balis kamervoorzitter Bijgestaan door S. Van der hoeven: griffier. G. Balis S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2009:AVIS.20090212.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.