← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100104.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 04 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100104.7 Rolnummer: 2008/AB/051541 Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-10-12 Raadplegingen: 140 - laatst gezien 2026-07-02 21:09 Fiche 1 Wanneer het Hof van Cassatie, ingevolge een cassatievoorziening die slechts betrekking heeft op een onderdeel van de vordering, de zaak na cassatie verwijst naar een ander arbeidshof, dan is het hof, waarnaar de zaak verwezen wordt, eveneens gevat over de onderdelen van de betwisting die door het hof, waarvan het arrest verbroken was, nog niet afgehandeld waren, ook al verwijst het Hof van Cassatie de 'aldus beperkte zaak' naar een ander arbeidshof. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatie - Gevolgen - Verwijzing na cassatie Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - Saisine van het arbeidshof na Cassatie. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1110 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Nota: Gerangschikt onder I A art.

  1. Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder I D art. 26 en III D.art.19 Fiche 2 In zoverre de vordering uitsluitend steunt op het bestaan van een misdrijf, vinden de bewijsregels van de strafvordering principieel toepassing. Zulks houdt in dat de bepalingen van artikel 870 van het Ger.W. en artikel 1315 van het B.W. geen toepassing vinden. De bewijslast berust exclusief bij de partij die het bewijs van een misdrijf inroept. De partij, tegen wie het bestaan van het misdrijf ingeroepen wordt, kan niet verplicht worden mee te werken aan de bewijsvoering en er kan haar niet opgelegd worden stukken voor te leggen die moeten toelaten na te gaan of al dan niet een misdrijf begaan werd. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Algemeen (voorafgaande titel Sv.) Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - STRAFVORDERING - Arbeidsrecht - Vordering gesteund op een misdrijf - Bewijslast. Wettelijke bepalingen: Wet - 17-04-1878 - 26 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Nota: Gerangschikt onder I D art.
  2. Andere samenvattingen zijn gerangschikt onder I A art. 1110 en III D.art 19 Fiche 3 De omstandigheid dat een werknemer thuis kan opgeroepen worden voor bepaalde prestaties, houdt niet in dat hij de volledige tijd ter beschikking is van de werkgever in de zin van artikel 19 van de wet van 16 maart
  3. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Arbeids- en rusttijden - Arbeidsduur Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING - ARBEIDSDUUR - Tijd ter beschikking van de werkgever. Wettelijke bepalingen: Wet - 16-03-1971 - 19 - 02 ELI link Pub nr 1971031602 Nota: Gerangschikt onder III D I art.
  4. Andere samenvattingen zijn gerangschikt onder I A art. 1110 en I D art.
  5. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 4 JANUARI
  6. 5e KAMER Arbeidsovereenkomst Tegensprekelijk Definitief In de zaak: LAFRIMMO NV, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Rodestraat 8, KBO nr.
  7. Appellante, vertegenwoordigd door Mr. T. Peeters, advocaat te Antwerpen; Tegen: M. D., Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. I. Verbeeck loco Mr. B. Foubert, advocaat te Antwerpen; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op de stukken van de rechtspleging en ondermeer op: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, uitgesproken op tegenspraak door 1e kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 10 februari 2000; - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest, uitgesproken op tegenspraak door 3e kamer van het arbeidshof te Antwerpen op 8 maart 2004; - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest van het Hof van Cassatie van 22 januari 2007 (AR s.06.0010.N/2); - de dagvaarding na cassatie van 12 november 2008 en ontvangen ter griffie op 25 november 2008; - de besluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op 6 februari 2009 en 2 juni 2009; - de besluiten van appellante, ontvangen ter griffie op 2 februari 2009, 30 april 2009 en 3 juli 2009; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging op de openbare terechtzitting van 7 december
  8. De debatten werden gesloten waarop de zaak in beraad werd genomen. p p p I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
  9. De heer M. was als depanneur in dienst van de nv Lafrimmo (voorheen de nv Depannage La France), die een takelbedrijf uitbaat. Hij was oorspronkelijk in dienst van 1 september 1992 tot en met 15 juni
  10. Op die datum werd hij ontslagen om dringende reden. De nv Lafrimmo kwam echter op die beslissing terug. In eerste instantie verving zij het ontslag om dringende reden door een ontslag met betaling van een verbrekingsvergoeding. Op 21 juni 1993 nam zij de heer M. terug in dienst. Op 31 januari 1994 heeft de nv Lafrimmo de arbeidsovereenkomst van de heer M. opnieuw beëindigd, mits betaling van een verbrekingsvergoeding.
  11. Bij exploot van 14 juli 1994 dagvaardde de heer M. de nv Lafrimmo voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen. Hij vorderde de betaling van een vergoeding wegens willekeurig ontslag en 1,00 BEF provisioneel als achterstallig loon en overloon voor prestaties die hij tijdens wachtdiensten zou verricht hebben. Hij vroeg de veroordeling van de nv Lafrimmo tot voorlegging van de facturen en prestatiebladen voor de periode van zijn tewerkstelling, ten einde een afrekening te kunnen maken van de hem toekomende sommen. In de laatste besluiten, neergelegd vóór het tussenvonnis van de arbeidsrechtbank, berekende hij zijn vordering op een bedrag van 10.257,29 euro (413.778,00 BEF), waarbij hij ervan uitging dat hij per week 12 u wachtdienst verrichtte, waarvoor hij niet betaald werd. Bij tussenvonnis van 6 mei 1999 heropende de arbeidsrechtbank te Antwerpen de debatten. Zij legde de nv Lafrimmo op om de facturen en de prestatiebladen voor te leggen. De nv Lafrimmo is op deze vraag niet ingegaan. Zij hield voor dat dit voor haar onmogelijk was. Zij wees erop dat het om boekhoudkundige gegevens ging van vijf jaar vroeger, dat zij de prestatiebladen niet diende te bewaren en dat het een "titanenwerk" zou zijn om de prestaties van de heer M. te achterhalen.
  12. Bij vonnis van 10 februari 2000 veroordeelde de arbeidsrechtbank te Antwerpen de nv Lafrimmo tot betaling van een schadevergoeding van 7.436,81 euro (300.000,00 BEF) op grond van artikel 882 van het Gerechtelijk Wetboek omdat de nv Lafrimmo in gebreke gebleven was uitvoering te geven aan het vonnis tot voorlegging van de documenten. In hetzelfde vonnis werd de vordering wegens willekeurig ontslag toegekend.
  13. De nv Lafrimmo heeft tegen dit vonnis hoger beroep aangetekend bij het arbeidshof te Antwerpen. Bij arrest van 8 maart 2004 heeft het arbeidshof te Antwerpen de vordering afgewezen in zoverre ze betrekking had op achterstallig loon en overuren. Het arbeidshof oordeelde dat de heer M. zijn vordering weliswaar steunde op een misdrijf, maar dat hij geen schadevergoeding vorderde op basis van dit misdrijf noch bij equivalent noch bij wijze van herstel in natura. Het arbeidshof oordeelde aldus dat de vordering verjaard was. In hetzelfde arrest beval het arbeidshof een getuigenverhoor met betrekking tot de gevorderde vergoeding wegens willekeurig ontslag. De nv Lafrimmo werd gemachtigd door middel van getuigen aan te tonen dat de heer M. laattijdig op zijn werk toekwam, weigerde opdrachten uit te voeren en zich schuldig maakte aan storend gedrag en ongepaste uitlatingen ten aanzien van zijn werkgever en collega's. Het getuigenverhoor bevolen door het arbeidshof, en toevertrouwd aan de arbeidsrechtbank, werd uitgevoerd.
  14. Op 23 januari 2006 heeft de heer M. een cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het arbeidshof. Bij arrest van 22 januari 2007 heeft het Hof van Cassatie het arrest van het arbeidshof vernietigd in zoverre dit arrest uitspraak deed over de vordering met betrekking tot het achterstallig loon voor overuren en over de kosten. Het hof verwees de "aldus beperkte zaak" voor dit arbeidshof. Het hof oordeelde dat het bestreden arrest de bewijskracht van de besluiten van de heer M. miskende door te oordelen dat deze in zijn besluiten geen vordering tot schadevergoeding stelde.
  15. Bij exploot van 12 november 2008 heeft de heer M. het arrest van het Hof van Cassatie betekend en heeft hij de zaak aanhangig gemaakt voor dit hof. II. DE ONTVANKELIJKHEID EN DE SAISINE VAN HET HOF. Het Arbeidshof te Antwerpen heeft het hoger beroep ontvankelijk verklaard. Het arrest is op dit punt definitief. De zaak werd na cassatie rechtsgeldig aanhangig gemaakt bij dit hof. Alhoewel het gedeelte van de vordering dat betrekking had op de vergoeding wegens willekeurig ontslag niet aan het Hof van Cassatie onderworpen werd en het Hof van Cassatie enkel het arrest verbrak in zoverre het de vordering tot het bekomen van een vergoeding wegens achterstallig loon en overuren afwees en de "aldus beperkte zaak" verwees naar het arbeidshof is het hof niettemin gevat over het geheel van de betwisting in zoverre deze nog niet beslecht was door het arbeidshof te Antwerpen, en met name de betwisting inzake het willekeurig ontslag. Met de bewoording dat de "aldus beperkte zaak verwezen wordt" bedoelt het Hof van Cassatie enkel dat het niet bestreden, noch vernietigde beschikkend gedeelte van de bestreden beslissing in kracht van gewijsde is gegaan en niet meer opnieuw voor de rechter, naar wie de zaak is verwezen, kan besproken worden. (Cass. 27.05.1968, Pas., 1968, I, 1167). De verwijzing heeft tot gevolg dat alles waarover de rechter, wiens beslissing vernietigd is, nog geen uitspraak gedaan heeft, onder de bevoegdheid valt van de rechter waarnaar de zaak verwezen wordt (Ch. Storck, Le renvoi au juge du fond dans la procédure en cassation en matière civile, in Imperat lex : liber amicorum Pierre Marchal, 2003, p.218 met verwijzing naar vroegere rechtspraak van het Hof van Cassatie en de motieven die daaraan ten grondslag lagen) Het hof is dus eveneens gevat om uitspraak te doen over de vordering met betrekking tot het willekeurig ontslag. ó ó ó III. BEOORDELING.
  16. De vordering wegens loonachterstal.
  17. De nv Lafrimmo betwist niet meer dat de heer M. zijn vordering kan steunen op een misdrijf en dat hij bij wijze van herstel in natura het loon kan vorderen dat hem onthouden werd doordat prestaties niet verloond werden of onvoldoende verloond werden (cfr. Cass. 22.01.2007, J.T.T.2007, 488). Zij houdt echter voor dat het gevolg van deze kwalificatie van de vordering ook is dat op deze vordering de regels van het bewijsrecht inzake de uitoefening van de strafvordering van toepassing zijn en niet de regels van het bewijsrecht in burgerlijke zaken. Zulks houdt volgens de nv Lafrimmo in dat zij niet kan verplicht worden mee te werken aan de bewijsvoering van het misdrijf dat haar ten laste gelegd wordt, en dat haar niet kan bevolen worden bepaalde stukken voor te leggen. Verder kan, steeds volgens deze partij, geen beroep gedaan worden op vermoedens. Met betrekking tot de gevorderde voorlegging van documenten stelt de nv Lafrimmo dat zij deze documenten niet kan voorleggen (omdat zij te omvangrijk zijn en niet bewaard werden), dat het gaat om documenten die zij wettelijk niet diende te bewaren en dat deze documenten niet dienstig zijn voor de beoordeling van het geschil. De nv Lafrimmo gaat verder in op de problematiek van de arbeidsduur in de depannage bedrijven. Zij stelt dat zij gepoogd heeft in de onderneming een arbeidstijdregeling uit te werken in het kader van de wet 17 maart 1987 en de interprofessionele C.A.O nr. 42 betreffende de invoering van nieuwe arbeidsregeling in de ondernemingen, maar dat zij daarvoor niet de medewerking bekwam van de vakorganisaties met het oog op het afsluiten van de vereiste C.A.O. Zij stelt ook dat niet gans de periode tijdens dewelke de werknemers konden opgeroepen worden per semafoon, terwijl zij thuis waren, als arbeidstijd kan beschouwd worden en voelt zich gediscrimineerd door het feit dat in het kader van artikel 19, 2e lid van de arbeidswet, de bepaling van het begrip " ter beschikking zijn van de werkgever" enkel kan gebeuren op verzoek van het Paritair Comité, terwijl binnen het Paritair Comité waaronder zij ressorteert, geen initiatief genomen wordt voor een dergelijke regeling.
  18. De heer M. is van oordeel dat, ook al steunt de vordering op het bestaan van een misdrijf, de eerste rechter toch de voorlegging van de facturen en rekenbladen kon bevelen omdat deze voorlegging niet kaderde in de bewijsvoering maar wel in het kader van de exacte begroting van de schade. Ten gronde stelt de heer M. dat als arbeidstijd dient beschouwd worden de tijd dat hij thuis ter beschikking was van de werkgever, wanneer hij kon opgeroepen worden per semafoon. Hij verwijst naar een interne nota van 30 april 1993 van de firma waaruit blijkt dat er een beurtrolregeling voorzien was tijdens de weekends en 's nachts, en dat alle werknemers op bepaalde dagen voor oproeping moesten beschikbaar zijn. De heer M. vraagt de bevestiging van het vonnis van de eerste rechter in zoverre dit de nv Lafrimmo veroordeelt tot een schadevergoeding wegens het niet voorleggen van de gevraagde stukken.
  19. De nv Lafrimmo kan gevolgd worden waar zij stelt dat, in zoverre de vordering uitsluitend steunt op het bestaan van het misdrijf, de bewijsregels van de strafvordering principieel toepassing vinden (Cass. 12.09.2001, Arr. Cass. 2001, 1433) wat onder meer inhoudt dat de bepalingen van artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek geen toepassing vinden (cfr. Arbh. Mons,16.12.2003, J.T.T. 2004,302,), althans niet voor het bewijs van het strafrechtelijk feit dat aan de vordering ten grondslag gelegd wordt. De bewijslast berust exclusief bij de partij die het bewijs van een misdrijf inroept. De partij, tegen wie het bestaan van het misdrijf ingeroepen wordt, kan niet verplicht worden mee te werken aan de bewijsvoering. Aan haar kan niet opgelegd worden stukken voor te leggen die moeten toelaten na te gaan of al dan niet een misdrijf begaan werd. Ten onrechte roept de heer M. in dat de voorlegging van de stukken, bevolen door de eerste rechter, enkele kaderde in het bewijs van de omvang van de schade. Het misdrijf geen loon betaald te hebben of onvoldoende loon betaald te hebben (vergoeding van overuren) kan niet in abstracto aangetoond worden door te stellen dat er een vermoeden bestaat dat overuren gepresteerd werden. De door de eerste rechter bevolen voorlegging had precies tot doel nauwkeurig te kunnen nagaan welke prestaties de heer M. verricht had buiten de gewone wekelijkse arbeidsduur, en die niet verloond waren of onvoldoende verloond waren. Wanneer zulks bekend geweest was, had de voorlegging van de prestatiebladen en de facturen trouwens geen zin, vermits het loon bekend was en de berekeningswijze van het overloon uit de wet volgt. Hieraan dient toegevoegd te worden dat de heer M. geen recht heeft op loon voor de volledige periode waarin hij van wacht was. De omstandigheid dat een werknemer thuis kan opgeroepen worden voor bepaalde prestaties, houdt niet in dat hij de volledige tijd ter beschikking is van de werkgever in de zin van artikel 19 van de wet van 16 maart 1971 (cfr. Arbh.Brussel, 12.02.2008, J.T.T. 2008, 406; Arbh.Brussel, 9.10.1985, T.S.R 1985, 622; Arbh.Brussel 21.
  20. 1988, Soc. Kron.1989, 46; Arbh.Mons, 13.03.1992, J.T.T 1992, 282, Arbh. Luik, 28.06.1995, J.T.T. 1995,340; F. Kefer en J. Clesse, Le temps de garde inactif, entre le temps du travail et le temps de repos, Rev.Dr. Ulg, 2006,167). Het volstaat aldus niet dat de heer M. aantoont dat er een wachtregeling was waaraan hij diende mee te werken: hij dient aan te tonen op welke dagen precies hij prestaties verricht heeft en hoeveel. Hij levert dit bewijs niet en doet geen verder bewijsaanbod. De vordering van de heer M. is dus ongegrond in zoverre ze uitsluitend steunt op het bestaan van een misdrijf.
  21. De vordering van de heer M. steunt echter niet uitsluitend op een misdrijf. De vordering zoals zij verwoord werd in de gedinginleidende dagvaarding steunde op de arbeidsovereenkomst zoals die tussen partijen bestaan had. De heer M. heeft slechts een strafrechtelijke grondslag aan zijn vordering gegeven in de mate waarin de nv Lafrimmo inriep dat de vordering verjaard was in toepassing van artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten. De vordering werd ingeleid bij dagvaarding van 14 juli 1994, dit wil zeggen binnen het jaar na de beëindiging van de tweede arbeidsovereenkomst, die aanving op 21 juni 1993 en eindigde op 31 januari
  22. Aldus was de vordering steunend op deze overeenkomst niet verjaard in zoverre ze betrekking had op feiten die minder dan 5 jaar oud waren. De nv Lafrimmo had overigens slechts de verjaring van de vordering ingeroepen in zoverre deze vordering terugging op de eerste arbeidsovereenkomst. Op de vordering, steunend op de arbeidsovereenkomst van 21 juni 1993, zijn de burgerlijke bewijsregels wel van toepassing. De eerste rechter kon derhalve aan de nv Lafrimmo bevelen over te gaan tot overlegging van de prestatiebladen (rittenbladen), waarvan het bestaan als dusdanig niet ontkend werd en van de facturen. Indien het mogelijk is dat deze prestatiebladen thans niet meer bestaan stelt het hof vast dat de nv Lafrimmo na het tussenvonnis van de eerste rechter niet aangevoerd heeft dat deze documenten toen al vernietigd waren. De omstandigheid dat het ging om documenten waarvan de bewaring niet opgelegd werd door een bijzondere wetsbepaling is in dit kader irrelevant. De argumentatie van de nv Lafrimmo dat de voorlegging van deze documenten niet dienstig was omdat daaruit niet bleek gedurende welke tijdspanne de heer M. ter beschikking was, kan niet weerhouden worden. Zoals vermeld sub 4 kan de heer M. geen aanspraak maken op het loon voor de volledige tijd dat hij ter beschikking van de werkgever was, maar enkel voor de prestaties die hij effectief verricht had. De prestatiebladen hadden opheldering kunnen verschaffen over de prestaties die in de weekends of buiten de normale arbeidsduur verricht waren. De nv Lafrimmo maakt onvoldoende aannemelijk dat het onmogelijk was of dat van haar in redelijkheid niet kon gevraagd worden deze documenten te verzamelen. Indien de nv Lafrimmo van mening was geweest dat aan haar een te grote medewerking aan de bewijsvoering werd gevraagd dan had zij kunnen voorstellen het geheel van de prestatiebladen en van de facturen in kopie neer te leggen ter griffie of had zij de aanstelling van een deskundige kunnen suggereren.
  23. De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat de nv Lafrimmo tekort gekomen is aan het bevel tot voorlegging van de door hem gevraagde documenten. De eerste rechter kon terecht de nv Lafrimmo veroordelen tot een schadevergoeding op grond van art. 882 van het Gerechtelijk Wetboek. De schadevergoeding die gevorderd kan worden ten laste van de gedingpartij die weigert gevolg te geven aan de vraag van de rechter tot voorlegging van bepaalde documenten, kan begroot worden in functie van de kans die een partij verloren heeft om, op basis van deze documenten, het bestaan van niet vergoede of onvolledige vergoede arbeidsprestaties aan te tonen. De onwil van de nv Lafrimmo om de gevraagde documenten voor te leggen is voor het hof een indicatie dat de kans groot was dat inderdaad uit deze documenten zou blijken dat bepaalde prestaties hetzij niet verloond werden, hetzij onvoldoende verloond werden, gelet op de verplichting een overloon te betalen. De door de eerste rechter toegekende schadevergoeding is echter te hoog. Enerzijds kan deze schadevergoeding slechts betrekking hebben op de periode waarvoor de voorlegging van documenten kon bevolen worden, te weten de periode van de tweede arbeidsovereenkomst vanaf 21 juni
  24. Het gaat derhalve slechts over een periode van iets meer dan 7 maanden. Anderzijds kan de vordering, zoals ze geformuleerd werd door de heer M., niet als uitgangspunt genomen worden. De heer M. vorderde immers loon voor de volledige tijd waarin hij, volgens zijn verklaring, ter beschikking geweest was van zijn werkgever, terwijl hij enkel recht had op loon voor de reëel geleverde prestaties. In het licht van deze elementen herleidt het hof de schadevergoeding die door de eerste rechter werd toegekend tot een bedrag van 1.250,00 euro , te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf het tussenvonnis van 6 mei
  25. Met betrekking tot de argumentatie van de nv Lafrimmo inzake haar goede wil om een aangepaste arbeidstijdregeling op te stellen en het gebrek van medewerking van de syndicale organisaties merkt het hof, voor zover als nodig, op dat de initiatieven, waarop de nv Lafrimmo zich beroept, genomen werden nà de periode waarop de betwisting betrekking heeft. Verder stelde de uitwerking van een arbeidstijdregeling de nv Lafrimmo uiteraard niet vrij van de betaling van alle prestaties en van het eventuele overloon. De argumentatie van de nv Lafrimmo in verband met het discriminerend karakter van artikel 19 van de wet van 16 april 1971 is zonder belang voor de oplossing van het geschil vermits het hof aanneemt dat de heer M. in ieder geval slechts aanspraak kan maken op loon voor de periodes van de reële arbeid: de uitvaardiging van een bijzondere regeling met betrekking tot de vergoeding van de periodes waarin de werknemer ter beschikking is van de werkgever kan niet tot gevolg hebben dat de werkgever vrijgesteld wordt van de verplichting de effectief gepresteerde uren te betalen en voor deze uren een overloon te betalen, indien daar aanleiding toe is.
  26. De vergoeding wegens willekeurig ontslag. 2.
  27. Het arrest van het arbeidshof te Antwerpen is definitief in zoverre het de nv Lafrimmo toeliet het bewijs bij te brengen van volgende feiten: - dat de heer M. tijdens zijn tewerkstelling van 21 juni 1993 tot 31 januari 1994 pregelmatige wijze te laat op het werk verscheen; - dat de heer M. in bedoelde periode opdrachten weigerde uit te voeren of slechts onder protest uitvoerde; dat zijn gedrag en uitlatingen in deze periode storend waren voor de werkgever en de collega's. Het hof is verder gebonden door de overwegingen waarop het hof te Antwerpen zich steunde om tot dit getuigenverhoor over te gaan. Het hof verwijst daarnaar. 2.
  28. Het getuigenverhoor, zoals bevolen door het arbeidshof, heeft plaatsgevonden voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen in toepassing van art. 1072 van het Gerechtelijk Wetboek. Op verzoek van de heer M. werd eveneens beslist om tot een tegenverhoor over te gaan. Uit het getuigenverhoor komen volgende elementen naar voor: Mevrouw D., secretaresse, verklaarde: "Ik heb kunnen vaststellen dat de heer M. in de periode van 21 juni 93 tot 31 januari 94 regelmatig te laat op het werk toekwam. Bij de andere werknemers gebeurde dit ook al eens maar bij de heer M. viel dit frequenter voor en ik ben zelfs van mening dat hij er misbruik van maakte. Ik heb dit zelf kunnen vaststellen wanneer de heer M. in het bureau binnenkwam en er woordenwisselingen volgden tussen hem en de heer H., onder meer in verband met het te laat komen. Ik kan bevestigen dat de heer M. in de bedoelde periode opdrachten weigerde uit te voeren of deze slechts onder protest uitvoerde. Ik heb dit zelf kunnen vaststellen aangezien ik, na het ontvangen van een telefoon met betrekking tot een depannage naar de garage ging en aan de heer M. zei dat hij deze depannage diende uit te voeren. Het gebeurde dat hij de opdracht weigerde en deze doorverwees naar andere aanwezige chauffeurs, bijvoorbeeld met het commentaar "waarom zou ik het moeten doen". Het gebeurde ook dat hij de opdracht wel uitvoerde maar dan wel nadat hij de nodige opmerkingen had gemaakt. In deze periode waren zijn gedrag en uitlatingen storend zowel voor de werkgever als voor de collega's. De heer M. vertoonde een uitgesproken machogedrag tegenover vrouwen die hij minderwaardig vond. Tegen de werkgever was hij onbeleefd en tegenover zijn collega chauffeurs gedroeg hij zich alsof hij de leiding had." Getuige C. verklaarde: "Ik weet niet of de heer M. tijdens zijn tewerkstelling van 21 juni 93 tot 31 januari 1994 op regelmatige wijze te laat op het werk verscheen. Ik kan wel bevestigen dat de heer M. in bedoelde periode opdrachten weigerde uit te voeren of deze slechts onder protest uitvoerde. Ik heb dit kunnen afleiden uit de ruzies die plaatsvonden in de gang en in de keuken tussen enerzijds de heer M. en anderzijds zijn bazen, in aanwezigheid van andere chauffeurs. Tijdens deze ruzies bleek dat de heer M. opdrachten weigerde uit te voeren omdat hij van mening was dat andere chauffeurs, die volgens hem nog niet zoveel hadden gepresteerd, dit maar moesten doen. De heer M. stelde regelmatig de opdrachten die hij kreeg in vraag. Ik ben van mening dat uit het bovenstaande reeds blijkt dat zijn gedrag en uitlatingen in bedoelde periode storend waren voor de werkgever en voor de collega's. Ik kan er nog aan toevoegen dat de heer M. zich in de keuken, waar de chauffeurs wachtten op opdrachten, steeds als leider niet gelden." In het kader van het tegenverhoor heeft de heer M. twee getuigen laten oproepen. De heer B. verklaart wel dat hij niet weet of de heer M. regelmatig te laat kwam, opdrachten weigerde of storende gedragingen vertoonde maar voegde daaraan toe dat hij dit ook onmogelijk kon weten aangezien hij volledige dagen weg was om depannages uit te voeren. De tweede getuige is niet verschenen voor de rechter, doch heeft een brief geschreven waarin hij bevestigt dat hij over de feiten geen informatie kan geven. 2.
  29. Het hof is van oordeel dat de nv Lafrimmo op basis van de getuigenverklaringen voldoende aantoont dat de heer M. regelmatig te laat op het werk kwam, dat hij opdrachten weigerde en dat hij een storend gedrag vertoonde. De nv Lafrimmo had overigens de heer M. reeds een eerste maal ontslagen omdat hij te laat op zijn werk kwam en prestaties weigerde. Het is aldus voldoende aangetoond dat het ontslag verband hield met het gedrag van de werknemer, zoals bedoeld in art. 63 van de wet van 3 juli 1978 en aldus niet willekeurig is in de zin van deze bepaling.
  30. De kosten. Vermits de procedure voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen minstens gedeeltelijk gegrond was, dient de nv Lafrimmo veroordeeld te worden tot de kosten van de procedure in eerste aanleg. Het beroep van de nv Lafrimmo is gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond. Overeenkomstig artikel 1017 al. 3 van het Gerechtelijk Wetboek slaat het hof de kosten van de beroepsprocedure tussen partijen om en veroordeelt ieder van de partijen tot de door haar gedragen kosten, daarin inbegrepen de kosten van de cassatievoorziening. ó ó ó OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep als volgt gegrond. Hervormt het vonnis van de eerste rechter in zoverre deze de nv Lafrimmo veroordeelde tot een schadevergoeding op grond van artikel 882 van het Gerechtelijk Wetboek van 7.436,81 euro . Opnieuw wijzend veroordeelt de nv Lafrimmo tot een schadevergoeding van 1.250,00 euro , te verhogen met de gerechtelijke intresten vanaf 6 mei
  31. Hervormt verder het vonnis van de eerste rechter in zoverre het de nv Lafrimmo veroordeelt tot betaling van een vergoeding wegens willekeurig ontslag. Wijst de heer M. van deze vordering af. Veroordeelt de nv Lafrimmo tot de kosten van de procedure voor de arbeidsrechtbank, begroot in hoofde van de heer M. op 77,14 euro dagvaardingskosten en 256,57 euro rechtsplegingsvergoeding en aanvullende rechtsplegingsvergoeding. Slaat de kosten van de beroepsprocedure tussen partijen om en veroordeelt iedere partij tot de door haar gedragen kosten, inclusief de kosten van de procedure voor het hof van Cassatie. Aldus gewezen door de vijfde kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door: F. KENIS: Raadsheer E. MAGNUS: Raadsheer in sociale zaken als werkgever D. VANHAGENDOREN: Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider L. COEN: dd. Griffier-hoofd van dienst L. COEN. F. KENIS. D. VANHAGENDOREN. E. MAGNUS. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de vijfde kamer van het arbeidshof te Brussel op 4 januari 2010 door F. Kenis, raadsheer en L. Coen, dd. griffier-hoofd van dienst. L. COEN. F. KENIS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100104.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.