id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 07 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100107.5 Rolnummer: 2008/AB/51523 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-10-12 Raadplegingen: 145 - laatst gezien 2026-07-02 21:10 Fiche Tenrij de werknemer reeds vroeger in een beschutte werkplaats is tewerkgesteld geweest, en deze werkplaats aldus deel uitmaakt van de beroepen die de verzekerde uitoefende, maakt een beschutte werkplaats geen deel uit van de algemene arbeidsmarkt en vormt zij geen beroepencategorie ten aanzien waarvan de arbeidsongeschiktheid dient geëvalueerd te worden. In de regel is de werknemer alleen dan arbeidsgeschikt indien hij bekwaam is een voltijdse arbeid te verrichten in één van de referentieberoepen, die bedoeld worden in art. 100 van de ziektewet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Uitkeringsverzekering - Evaluatie ongeschiktheid Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - Gecoördineerde wetten van 14 juli 1994, art.
- Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - 100 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Tekst van de beslissing rep.nr 2010/ ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN JANUARI TWEEDUIZEND EN TIEN. 7e KAMER not. art. 580, 2°, Ger. W. ziekte- en invaliditeitsverzekering tegenspraak aanstelling deskundige (zonder installatievergadering) In de zaak : L.N. A.M. , wonende te [xxx], appellant, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester A. Vermoortele loco meester H. Melotte, advocaat te Leuven, tegen :
- RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, openbare instelling, met zetel te 1150 Brussel, Tervurenlaan 211, eerste geïntimeerde, die ter openbare terechtzitting worden vertegenwoordigd door meester L. P. Orban, advocaat te Brussel;
- LANDSBOND DER ONAFHANKELIJKE ZIEKENFONDSEN, erkende ziekteverzekeringsinstelling, met zetel te 1150 Brussel, Sint-Huibrechtsstraat 19, tweede geïntimeerde, die ter openbare terechtzitting worden vertegenwoordigd door meester H. Demeester, advocaat te Gent. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken : -het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel, uitgesproken op tegenspraak door de achtentwintigste kamer op 17 oktober 2008, ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 27 oktober 2008 overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W.; -het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie op 18 november 2008; -de conclusies; -de voorgelegde stukken; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 10 december 2009, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft een mondeling advies uitgebracht, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden. * * * I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
- Mevrouw L.N. A.M., naaister van opleiding en beroep, werd op 5 oktober 1998 arbeidsongeschikt erkend. Bij beslissing van 6 december 2005, die uitwerking had op 12 december 2005, besliste de Geneeskundige Raad voor de Invaliditeit van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering, mevrouw L.N. A.M. niet verder als arbeidsongeschikt te erkennen in de ziekteverzekering. Bij verzoekschrift van 13 januari 2006 heeft mevrouw L.N. A.M. beroep aangetekend tegen deze beslissing voor de arbeidsrechtbank te Brussel.
- Op 3 augustus 2006 heeft mevrouw L.N. A.M. een nieuwe aangifte gedaan van arbeidsongeschiktheid bij de adviserend geneesheer van de Landsbond der Onafhankelijke Ziekenfondsen. Deze besliste de arbeidsongeschiktheid niet te erkennen. Hij verwees daarbij naar de beslissing van de Geneeskundige Raad voor de Invaliditeit. Bij verzoekschrift van 12 oktober 2006 heeft mevrouw L.N. A.M. eveneens beroep aangetekend tegen deze beslissing.
- Bij vonnis van 20 augustus 2007 heeft de arbeidsrechtbank te Brussel beide vorderingen samengevoegd en, alvorens recht te doen ten gronde, een deskundige aangesteld. Deze deskundige heeft haar verslag neergelegd op 10 april
- Daarin besloot zij dat mevrouw L.N. A.M. vanaf 12 december 2005 niet de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid had om verder erkend te blijven in het kader van de ziekte en invaliditeitsverzekering. Bij vonnis van 17 oktober 2008, ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 27 oktober 2008, heeft de rechtbank, overeenkomstig het verslag van de deskundige, mevrouw L.N. A.M. afgewezen van haar vordering.
- Bij verzoekschrift van 18 november 2008 heeft mevrouw L.N. A.M. hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van het vonnis en is aldus tijdig. Het beroep is ontvankelijk. III. BEOORDELING.
- Mevrouw L.N. A.M. is van oordeel dat het deskundige verslag tegenstrijdig is waar de deskundige vermeldt dat effectief de vraag kan gesteld worden of zij nog in aanmerking komt om te werken op de algemene arbeidsmarkt, maar toch de arbeidsongeschiktheid weigert te erkennen. Mevrouw L.N. A.M. is verder van oordeel dat de deskundige haar opdracht te buiten gaat door te stellen dat de werkhervatting misschien een stukje van de therapeutische aanpak zou kunnen zijn. Zij verwijst tenslotte naar nieuwe medische attesten die zij bij het dossier voegt.
- Overeenkomstig artikel 100 § 1 al.1 van de gecoördineerde wetten betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en invaliditeit (verder de ziektewet) wordt als arbeidsongeschikt erkend de werknemer die alle werkzaamheid heeft onderbroken als rechtstreeks gevolg van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen, waarvan erkend wordt dat ze zijn vermogen tot verdienen verminderen tot een derde of minder dan een derde van wat een persoon van dezelfde stand en met dezelfde opleiding kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepencategorie waartoe de beroepsarbeid behoort, door de betrokkene verricht toen hij arbeidsongeschikt is geworden, of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitoefenen uit hoofde van zijn beroepsopleiding. Tenzij de werknemer reeds vroeger in een beschutte werkplaats is tewerkgesteld geweest, en deze werkplaats aldus deel uitmaakt van de beroepen die de verzekerde uitoefende, maakt een beschutte werkplaats geen deel uit van de algemene arbeidsmarkt en vormt zij geen beroepencategorie ten aanzien waarvan de arbeidsongeschiktheid dient geëvalueerd te worden. (P. Palstermans, L'incapacité de travail des travailleurs salariés dans le droit belge de la sécurité sociale: approche tranversale, Soc.Kron. 2004, p.310). In de regel is verder de werknemer alleen dan arbeidsgeschikt indien hij bekwaam is een voltijdse arbeid te verrichten in één van de referentieberoepen, die bedoeld worden in art. 100 van de ziektewet en die tot de werknemersberoepen (P.Palstermans, op.cit. p. 308). Deze referentieberoepen dienen verder realistisch bepaald worden in functie van de technologische evolutie en de concrete organisatie van de ondernemingen (Palstermans, op.cit. p. 309).
- In de preliminaria van haar deskundige verslag stelt de deskundige (p.10 samenvatting): "Het klinische onderzoek tijdens deze expertise is totaal niet relevant. Patiënte is niet te onderzoeken. Mijns inziens gaat het hier om een voornamelijk psychiatrische pathologie waarvan de psychosomatiek zich vooral uit in veralgemeende pijnklachten wat we dan fibromyalgie gaan noemen. Men kan zich hier effectief de vraag stellen of deze dame nog in aanmerking komt om te werken op de algemene arbeidsmarkt. Maar opnieuw actief zijn zou misschien een stukje van de therapeutische aanpak kunnen zijn. Men kan zich de vraag stellen of deze dame zou kunnen functioneren in een beschutte werkplaats of bv. op gesubsidieerde arbeidsplaatsen zoals een kringloopwinkel." In het eindverslag wordt naar de mogelijkheden van tewerkstelling het volgende gesteld: "Deze dame heeft steeds in naaiateliers gewerkt, als stikster of snijdster. Deze dame komt zeker nog in aanmerking om retouches uit te voeren voor textielwinkels, of een job in een gesubsidieerde arbeidscircuit zoals de kringloopwinkel, waar zij kledij zou kunnen sorteren of retoucheren of zelfs verkopen."
- Het deskundig verslag, zoals het thans voorligt, houdt volgens het hof onvoldoende elementen in om te oordelen of mevrouw L.N. A.M. arbeidsgeschikt is in de zin van art. 100 van de ziektewet. Uit de lezing van het verslag blijkt dat de deskundige zich inderdaad ernstige vragen stelt over de mogelijkheid voor mevrouw L.N. A.M. om te functioneren in de algemene arbeidsmarkt. Zij stelt daartegenover echter het feit dat een arbeidshervatting deel zou kunnen maken van het therapeutisch proces en dat mevrouw L.N. A.M. wellicht nog voldoende kan functioneren binnen een bepaald beschermd kader. De overweging dat de werkhervatting van een werknemer nuttig of gunstig zou zijn in het kader van een therapeutische aanpak houdt echter niet in dat de werknemer arbeidsgeschikt is. De ziektewet organiseert bovendien specifiek de mogelijkheid van een deeltijdse werkhervatting met verdere erkenning van de arbeidsongeschiktheid en dit met het oog op de wederopname van de zieke werknemer in het arbeidsproces (art. 100, § 2 ). Anderzijds is het voor het hof onduidelijk welke arbeidscapaciteit, reëel benutbaar op de algemene arbeidsmarkt, voor mevrouw L.N. A.M. nog rest. Volgens de deskundige gaat het om een essentieel psychiatrische problematiek. Op basis van het verslag is het echter onvoldoende duidelijk in welke mate deze problematiek een tewerkstelling op voltijdse basis en in een normaal ondernemingskader mogelijk maakt. Het hof is dan ook van oordeel dat een nieuw deskundig onderzoek noodzakelijk is.
- Ter zitting hebben partijen afstand gedaan van de installatievergadering, zoals voorzien door artikel 972 van het Gerechtelijk Wetboek. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gehoord in zijn mondeling advies, de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk; Alvorens uitspraak te doen ten gronde : Stelt als deskundige aan de heer Bart LEROY, dokter in de geneeskunde te 2800 Mechelen, Louizastraat
- A. De opdracht van de deskundige: De deskundige heeft als opdracht: - Mevrouw L.N. A.M. te onderzoeken en de letsels en functionele stoornissen te beschrijven waaraan zij lijdt, vanaf 12 december 2005 of vanaf 3 augustus 2006; - alle elementen te verzamelen die het hof in staat kunnen stellen te bepalen of deze letsels en functionele stoornissen een arbeidsongeschiktheid met zich meebrengen, zoals bedoeld door artikel 100 van de Gecoördineerde Ziektewet van 14 juli 1994, vanaf 12 december 2005 of 3 augustus 2006; Dit houdt in dat het intreden of de verergering van deze letsels een volledige stopzetting van alle werkzaamheid voor gevolg had, evenals een vermindering van het verdienvermogen met minstens een derde van dit van een gezond persoon. De arbeidsongeschiktheid dient voor de eerste zes maanden arbeidsongeschiktheid gewaardeerd te worden ten aanzien van het gewone beroep van de betrokkene, en daarna ten aanzien van de verschillende beroepen die de betrokkene heeft of zou kunnen uitgeoefend hebben uit hoofde van zijn beroepsopleiding. De beroepscategorieën die voor de persoon mogelijk zijn, dienen zo concreet mogelijk geformuleerd te worden. Verder dient bij de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid rekening te worden gehouden met de concrete situatie van betrokkene en onder meer, naast de reeds vernoemde criteria, met zijn/haar leeftijd, geslacht, aanpassingsvermogen en algemene gezondheidstoestand. - zijn advies te geven over de duur van de arbeidsongeschiktheid. De deskundige wordt gemachtigd de aanvullende onderzoeken die hij noodzakelijk acht te laten uitvoeren door een geneesheer, specialist van zijn keuze, mits hij alle partijen, vóór de aanvang van deze tussenkomst, hiervan op de hoogte brengt. B. De eventuele weigering van de opdracht en de inwerkingstelling van het deskundig onderzoek. Te rekenen vanaf de kennisgeving van het arrest door de griffie beschikt de deskundige over een termijn van acht dagen om: - op gemotiveerde wijze de hem toevertrouwde opdracht te weigeren, wanneer hij zulks wenst; - de plaats, de dag en het uur van de aanvang van zijn werkzaamheden mede te delen. De deskundige zal de partijen verwittigen per aangetekende brief, en de rechter en de raadslieden bij gewone brief. C. Het verdere verloop van het deskundig onderzoek. Bij de aanvang van het onderzoek zullen de partijen aan de deskundige hun volledig en geïnventariseerd dossier meedelen. Zij zullen aan de deskundige eveneens de namen van de juridische en medische raadslieden, die hen bijstaan, bekend maken. Tenzij hij daarvan uitdrukkelijk wordt vrijgesteld, zal de deskundige, met het oog op de verdere werkzaamheden van het deskundig onderzoek, de partijen oproepen bij aangetekend schrijven, en de raadslieden en de rechter bij gewone brief. Op het einde van zijn werkzaamheden zal de deskundige aan de rechter, de partijen en hun raadslieden zijn vaststellingen toezenden, waarbij hij een voorlopig verslag voegt. De partijen beschikken over een termijn van één maand na de mededeling van dit verslag om hun opmerkingen op dit verslag mede te delen. Wanneer hij dit wenselijk acht kan de deskundige echter een andere redelijke termijn vaststellen, waarbinnen de partijen hun opmerkingen dienen mede te delen. De deskundige zal geen rekening houden met de opmerkingen die hij ontvangt buiten de termijn, die aan de partijen gegeven werd om hun opmerkingen te formuleren. Het eindverslag zal gedateerd zijn en melding maken van de aanwezigheid van de partijen bij de werkzaamheden en van hun mondelinge verklaringen en verzoeken. Het eindverslag zal verder een overzicht bevatten van de nota's en documenten die door de partijen overhandigd zijn. Het eindverslag dient door de deskundige op straffe van nietigheid ondertekend te zijn. De handtekening van de deskundige zal, op straffe van nietigheid, voorafgegaan moeten worden door de volgende eed: "Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb". De minuut van het eindverslag, de stukken en de nota's van de partijen en de gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon van de deskundige worden ter griffie van het arbeidshof neergelegd. Op de dag van de neerlegging van het verslag zendt de deskundige een afschrift van het verslag en van de gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon, aan de partijen per aangetekend schrijven, en aan hun raadslieden bij gewone brief. D. De termijn voor neerlegging van het verslag en de eventuele verlenging. Het eindverslag moet neergelegd worden binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van het arrest. Enkel de rechter kan de termijn voor het neerleggen van het verslag verlengen. Indien de deskundige zijn verslag niet kan neerleggen binnen de vastgestelde termijn, dan zal hij bij gemotiveerd schrijven aan het hof om een verlenging van de termijn dienen te verzoeken. Indien de neerlegging van het verslag niet binnen de vastgestelde termijn kan gebeuren, dan zal de deskundige, om de zes maanden, een tussentijds verslag over de vooruitgang van zijn werkzaamheden meedelen aan de rechter, de partijen en hun raadslieden. E. De kosten en het ereloon van de deskundige. Samen met het eindverslag zal de deskundige zijn staat van kosten en ereloon neerleggen overeenkomstig de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 14 november 2003 (Belgisch Staatsblad, 28 november 2003). De staat van de kosten en het ereloon van de deskundige en van de door hem geconsulteerde specialisten zal, voor ieder onderzoek, de datum vermelden, en desgevallend, het nummer van de nomenclatuur van de prestaties van geneeskundige verzorging dat overeenstemt met de uitgevoerde prestatie. De gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon van de specialisten, die door de deskundige geraadpleegd werden, zal toegevoegd worden aan het eindverslag en de deskundige zal het bedrag ervan opnemen in zijn globale staat. Indien de partijen binnen de 15 dagen na de neerlegging van de gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon hun akkoord bevestigen met het bedrag van de staat, dan zullen de kosten en het ereloon door de rechter begroot worden op de minuut van de staat. Een uitvoerbare titel, overeenkomstig het tussengekomen akkoord, zal daarvan afgeleverd worden. Indien de partijen niet binnen de gestelde termijn hun akkoord bevestigd hebben met de staat van de kosten en het ereloon, kunnen de deskundigen of de partijen aan de rechter vragen dat hij tot de begroting van de staat overgaat. De kosten zullen begroot worden in het eindarrest als gerechtskosten. F. Diverse Alle betwistingen, die zich in het de loop van het deskundig onderzoek voordoen, worden beslecht door de rechter. De deskundige en de partijen richten zich tot het hof in een gemotiveerd schrijven. Voor de toepassing van artikel 973 van het Gerechtelijk Wetboek en van al de andere artikelen van dit wetboek met betrekking tot het deskundig onderzoek waarin de tussenkomst van de rechter voorzien wordt, dient beschouwd te worden als "de rechter die het deskundig onderzoek bevolen heeft", of "de met dit doel aangestelde rechter" of nog " de rechter": - de raadsheren, die de 7e kamer van het hof samenstelden op de zitting waarop het arrest werd uitgesproken; - ingeval van afwezigheid van een sociaal raadsheer: de beroepsmagistraat die alleen zetelt; - de beroepsmagistraat die de kamer voorzit op het ogenblik dat de betwisting met betrekking tot het deskundig onderzoek ontstaat; - de beroepsmagistraat, aangeduid in het interne reglement van het arbeidshof voor het gerechtelijk jaar. De zaak zal na afloop van het deskundig onderzoek terug op de zittingsrol moeten gebracht worden door de meest gerede partij. De kosten worden voorbehouden. Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: F. Kenis, raadsheer, voorzitter; I. Van Damme, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; K. Gacoms, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; R. Boudens, griffier. F. Kenis R. Boudens K. Gacoms I. Van Damme en uitgesproken op de openbare terechtzitting van zeven januari tweeduizend en tien van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel door: F. Kenis raadsheer, voorzitter Bijgestaan door R. Boudens, griffier. F. Kenis R. Boudens PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100107.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div