← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100108.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 08 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100108.7 Rolnummer: 2008/AB/51.232 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-02-17 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-07-02 21:11 Fiches 1 - 3 De afstand van het concurrentiebeding door de werkgever is aan geen bijzondere vormvoorwaarden onderworpen, zodat deze afstand mondeling kan gebeuren, maar de partij die zich op de afstand van het concurrentiebeding beroept, moet hiervan het bewijs leveren. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Concurrentiebeding Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - WERKLIEDEN - Omschrijving concurrentiebeding. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 65 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II BN art.

  1. Eveneens gerangschikt onder II CN art. 68 en onder IV D art. 5bis, CAO nr. 1bis NAR van 21/12/1978, art.
  2. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - BEDIENDEN - Niet concurrentiebeding/afwijkingsbeding: afstand, bewijs. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 68 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II BN art.
  3. Eveneens gerangschikt onder II CN art. 65 en onder IV D art. 5bis, CAO nr. 1bis NAR van 21/12/1978, art.
  4. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsraad - Nationale arbeidsraad - W. 29 mei 1952 - Werking - art. 4 -10 Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSOVERHOUDINGEN - NATIONALE ARBEIDSRAAD - CAO NR. 1BIS NAR VAN 21 DECEMBER 1978, artikel
  5. Wettelijke bepalingen: Wet - 29-05-1952 - 5bis - 01 ELI link Pub nr 1952052902 Collectieve arbeidsovereenkomst met nummer - 1bis - 21-12-1978 - 5 - C1 Link Justel databank 19781221-C1 Nota: Gerangschikt onder IV D art. 5bis, CAO nr. 1bis NAR van 21/12/1978, art.
  6. Eveneens gerangschikt onder II CN artt. 65 en
  7. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 8 JANUARI
  8. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Persoonlijke verschijning en getuigenverhoor. In de zaak: DE N.V. PIETERCIL DELBY'S, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1740 Ternat, Viseroelstraat, 74, Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter L. Peeters loco Mter Ch. De Ganck, advocaat te 9000 Gent; Tegen : De Heer P. P.H., Geïntimeerde, appellant op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter E. Nieuwdorp, advocaat te 1060 Brussel; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank van Brussel (2de kamer ) op de openbare terechtzitting van 6 juni 2008; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 25 juli 2008; - de besluiten, aanvullende besluiten en synthesebesluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel, respectievelijk op 17 oktober 2008, 27 februari 2009 en 24 april 2009; - de besluiten en synthesebesluiten voor appellante neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel, respectievelijk op 23 januari 2009 en 30 maart 2009; - de voorgelegde stukken; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen tijdens de openbare zitting van 27 november 2009, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd. FEITEN EN RECHTSPLEGING.
  9. Op 24 november 2000 ondertekenden de heer P. en de N.V. Pietercil Delby's ( hierna afgekort tot Pietercil) een arbeidsovereenkomst voor bedienden voor onbepaalde tijd, waardoor de heer P. op 15 januari 2001 in dienst kwam als principal manager voor België of Nederland. Ingevolge deze internationale functie werd in artikel 7 van de arbeidsovereenkomst een afwijkingsbeding van niet-mededinging opgenomen voor een periode van 36 maanden, waarin o.m. werd bepaald dat, wanneer de werkgever binnen de 15 dagen te rekenen vanaf het ogenblik van de effectieve beëindiging van de arbeidsovereenkomst, niet afzag van het beding, de werknemer recht had op een vergoeding, gelijk aan de helft van het brutoloon dat overeenstemt met de toepassingsduur van het beding. Bij aangetekende brief van 18 juni 2004 heeft Pietercil een einde gemaakt aan deze arbeidsovereenkomst met ingang vanaf 21 juni 2004 en met betaling van een opzeggingsvergoeding van 5 maanden. Aansluitend bij deze brief werd aan de heer P. schriftelijk meegedeeld dat hij nog gedurende een maand gebruik kon maken van de bedrijfswagen V.W. Passat. Hij werd wel verzocht zijn tankkaart in te leveren aangezien de voordelen in natura mee in de opzeggingsvergoeding berekend waren. Bij aangetekende brief van 22 oktober 2004 vroeg de heer P. betaling van de compensatoire vergoeding ingevolge het afwijkingbeding, door hem toen becijferd op euro 106.423,20, samen met een saldo vakantiegeld einde dienst ten bedrage van euro 764,
  10. Bij antwoordschrijven van 30 november 2004 reageerde de werkgever dat hij verzaakt had aan het concurrentiebeding tijdens een bespreking, waarin aan de heer P. werd meegedeeld dat het hem volkomen vrijstond welke andere beroepsactiviteit ook verder uit te oefenen. Voor de betaling van het vakantiegeld werd verwezen naar de loonbrief.
  11. Partijen kwamen aldus niet tot overeenstemming en op 7 april 2005 dagvaardde de heer P. Pietercil in betaling van : - een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 1.739,26 - achterstallig loon van euro 2.683 - vakantiegeld 2003 -2004 van euro 2.275,64 - vakantiegeld 2004 -2005 van euro 1.137,82 - een compenserende vergoeding niet mededinging van euro 112.846,55 - een schadevergoeding wegens misbruik van ontslag van euro 12.000 en in afgifte van de gebruikelijke sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom, meer de wettelijke intresten vanaf 18 juni 2004, de gerechtelijke intresten en de kosten. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 6 juni 2008 werd deze vordering ontvankelijk en in hierna bepaalde mate gegrond verklaard : - een saldo opzeggingsvergoeding van euro 796,50 - regularisatie vakantiegeld van euro 764,70 - vergoeding niet concurrentie van euro 77.959,08, meer de wettelijke en gerechtelijke intresten op netto en de gerechtskosten. De heer P. liet dit vonnis betekenen op 27 juni
  12. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 25 juli 2008, tekende Pietercil hoger beroep aan en vroeg dat de oorspronkelijke vordering van de heer P. ongegrond zou worden verklaard in zoverre ze door de eerste rechter was toegekend; minstens bood Pietercil een getuigenverhoor aan. De heer P. tekende incidenteel beroep aan en vroeg een wijziging van het vonnis van de eerste rechter in volgende zin : - een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 1.889,87 - een niet concurrentievergoeding van euro 113.226,27 - een schadevergoeding wegens onrechtmatig ontslag van euro 12.000 al deze bedragen te vermeerderen met wettelijke intresten vanaf 18 juni 2004 op de brutobedragen, de gerechtelijke intresten en de gerechtskosten; - afgifte van de verplichte sociale wettelijke documenten onder verbeurte van een dwangsom; tevens werd de bevestiging van het vonnis gevraagd wat betreft het achterstallig vakantiegeld ten bedrage van euro 764,
  13. De heer P. aanvaardde dus het vonnis van de eerste rechter op het punt van de afwijzing van het achterstallige loon. BEOORDELING. Gelet op de betekening van het bestreden vonnis op 27 juni 2008, werd het hoger beroep op 27 juli 2009 tijdig ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep. Aanvullende opzeggingsvergoeding.
  14. Beide partijen gaan akkoord met een opzeggingsvergoeding van 5 maanden; de discussie beperkt zich tot de waardering van het voordeel van het privégebruik van de firmawagen als onderdeel van het basisloon. De eerste rechter heeft dit begroot op euro 300; de heer P. begroot dit op euro 500 en Pietercil waardeert het op euro 140,30/maand. Deze waardering dient te gebeuren op basis van de reële waarde en het hof aanvaardt de waardering door de eerste rechter als realistisch. Uit het schrijven van de werkgever van 18 juni 2004 volgt dat het behoud van de bedrijfswagen gedurende een maand na het ontslag geen afbreuk deed aan de waardering van de voordelen in natura voor de opzeggingsvergoeding. Het vonnis van de eerste rechter kan dan ook worden bijgetreden en het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn ongegrond. Regularisatie vakantiegeld.
  15. Uit de briefwisseling tussen partijen volgt dat Pietercil akkoord ging dat er nog een saldo vakantiegeld verschuldigd was, doch ze verwijst voor de betaling ervan enkel naar de loonbrief. Een loonbrief is geen bewijs van betaling. Bij gebrek aan betalingsbewijs, heeft de eerste rechter terecht dit onderdeel toegekend en het hoger beroep is op dit punt ongegrond. Intresten.
  16. Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen bepaalt dat de rente ingevolge de loonbeschermingswet berekend wordt op het loon vooraleer de in artikel 23 van deze wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht, maar deze bepaling kon volgens artikel 90 § 1 van de wet van 26 juni 2002 slechts in werking treden op een door de Koning te bepalen datum, wat gebeurde door de artikelen 1 en 2 van het K.B. van 3 juli 2005 ( inwerkingtreding op 1 juli 2005 op de lonen waarvan de betaling inging vanaf die datum). Door de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008) werd het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 bekrachtigd. Hieruit volgt dat de intresten op het saldo opzeggingsvergoeding slechts kunnen berekend worden op het nettobedrag, daar de opzegging betekend werd op 18 juni 2004, zijnde vóór 1 juli
  17. Vakantiegeld wordt niet als loon beschouwd ingevolge artikel 2, derde lid, 1° van de loonbeschermingswet. Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 kan voor het vakantiegeld dus geen toepassing vinden, zodat de intresten op het achterstallig vakantiegeld op netto dienen te worden aangerekend. Ook wat betreft de intrestaanrekening is het incidenteel beroep derhalve ongegrond. Misbruik van ontslagrecht.
  18. De heer P. houdt voor dat hij onrechtmatig en zonder overleg ontslagen werd tijdens een periode van arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door een overmatige werkdruk en met miskenning van zijn inzet en realisaties, zodat de opgegeven reden van reorganisatie afbreuk doet aan de goede trouw.
  19. Opdat er sprake zou zijn van rechtsmisbruik bij ontslag, is vooreerst een fout vereist die onderscheiden is van het niet in acht nemen van de regelen betreffende het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De loutere miskenning van de ontslagregelen levert geen rechtsmisbruik op. De bewijslast in verband met rechtsmisbruik ligt bij de bediende ( W. Van Eeckhoutte, A. Taghon, S. Van Overbeke, Overzicht van rechtspraak arbeidsovereenkomsten,T.P.R. 2006/1, p. 685, nr. 535). De begeleidende omstandigheden, die de heer P. voorbrengt in verband met de wijze van zijn ontslag, betreffen geen bijzondere fout die te onderscheiden is van de ontslagregelen. De werkgever heeft rekening willen houden met de situatie van de heer P. door hem toe te laten verder gebruik te maken van de bedrijfswagen gedurende de eerste maand na het ontslag, alhoewel dit voordeel reeds meegerekend was in de opzeggingsvergoeding. Er is dus geenszins aangetoond dat de werkgever bij het uitoefenen van zijn ontslagmacht een onderscheiden fout met bijkomende schade ten aanzien van de heer P. zou hebben gemaakt. In die omstandigheden wordt niet aangetoond dat Pietercil haar ontslagrecht op abnormale wijze zou afgewend hebben van zijn economische en sociale finaliteit.
  20. De opzeggingsvergoeding heeft bovendien een forfaitair karakter en dekt de volledige schade die door het ontslag werd veroorzaakt, zowel de materiële als de morele schade ( Cass., 7 mei 2001, JTT 2001, 410). Gelet op het forfaitair karakter van de opzeggingsvergoeding kan een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht slechts worden toegekend voor andere schade dan deze die voortvloeit uit het verlies van de dienstbetrekking, m.a.w. voor schade die niet veroorzaakt is door het ontslag zelf, maar door met het ontslag gepaard gaande omstandigheden (Cass., 26 september 2005, Soc. Kron. 2006, 69). Noch een abnormale en foutieve aanwending van de ontslagmacht, noch een bijkomende schade wordt door de heer P. aangetoond, zodat zijn oorspronkelijke vordering en zijn incidenteel beroep op dit punt ongegrond zijn. De compenserende vergoeding ingevolge het afwijkingsbeding.
  21. Ingevolge artikel 7.4 van de arbeidsovereenkomst is de compenserende vergoeding niet verschuldigd, wanneer de werkgever binnen de 15 dagen, te rekenen vanaf het ogenblik van de effectieve beëindiging van de arbeidsovereenkomst, afziet van de naleving van het niet-concurrentiebeding. Aldus herneemt deze bepaling artikel 5 van de C.A.O. nr. 1bis NAR van 21 december 1978, dat hieraan toevoegt dat, indien de bediende wordt ontslagen met een opzegging, de werkgever ertoe gehouden is hem op het ogenblik dat hij de opzegging betekent, mede te delen of hij het inzicht heeft het beding werkelijk toe te passen.
  22. De afstand van het concurrentiebeding door de werkgever is aan geen bijzondere vormvoorwaarden onderworpen, zodat deze afstand mondeling kan gebeuren, maar de partij die zich op de afstand van het concurrentiebeding beroept, moet hiervan het bewijs leveren ( P. Maerten en O. Wouters, Concurrentiebeding, overzicht van rechtspraak, T.S.R. 2004, 291 en de rechtspraak geciteerd in de voetnoten 125 tot en met 128). Pietercil biedt aan om door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, te bewijzen dat afstand gedaan werd van het concurrentiebeding doordat tijdens een exitgesprek tussen de heer P. en de Human resources verantwoordelijke, H. M, in de week van 21 juni 2004, aan de eerste formeel werd meegedeeld en toegezegd dat "het aan de heer P. volkomen vrijstond welke andere beroepsactiviteit ook verder uit te oefenen" en dat "het de heer P. volledig vrij was om zijn verdere carrière uit te bouwen, ook indien hij dit wenste te doen in een concurrerende onderneming". Aan de heer P. wordt hierbij de mogelijkheid van het tegenverhoor geboden. Het hof acht het nuttig om samen met het getuigenverhoor de persoonlijke verschijning van partijen te bevelen, waarbij de N.V. zich kan laten vertegenwoordigen door haar gedelegeerd bestuurder D. B. M. Nadien kan verder geoordeeld worden als naar recht over de nog openstaande onderdelen. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch verklaart het ongegrond wat betreft de onderdelen saldo opzeggingsvergoeding en regularisatie vakantiegeld; Verklaart het incidenteel ontvankelijk, doch ongegrond wat betreft de onderdelen saldo opzeggingsvergoeding, schadevergoeding onrechtmatig ontslag en intresten op bruto; Bevestigt het vonnis van de eerste rechter wat betreft deze onderdelen; Alvorens verder te gronde te beslissen over de nog openstaande onderdelen, Beveelt overeenkomstig artikel 992 tot en met 1004 Ger. Wb. de persoonlijke verschijning van partijen in de raadkamer van het Arbeidshof te Brussel (lokaal 006), Poelaertplein 3 te 1000 Brussel op 19 maart 2010 om 10 uur. Wijst bij toepassing van artikel 996 Ger. Wb. de heer D. B. M. aan als vertegenwoordiger van de N.V. Pietercil Delby's Zegt bij toepassing van artikel 995 Ger. Wb. dat de verschijning zal plaatsvinden voor de zetel die deze persoonlijke verschijning heeft gelast en indien één van de raadsheren in sociale zaken niet kan aanwezig zijn, voor raadsheer Lieven Lenaerts, voorzitter van deze kamer. Staat bij toepassing van artikel 916 Ger.Wb. de N.V. Pietercil Delby's toe om door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen te bewijzen dat afstand gedaan werd van het concurrentiebeding doordat tijdens een exitgesprek tussen de heer P. en de Human resources verantwoordelijke, H. M., in de week van 21 juni 2004, aan de eerste formeel werd meegedeeld en toegezegd dat "het aan de heer P. volkomen vrijstond welke andere beroepsactiviteit ook verder uit te oefenen" en dat "het de heer P. volledig vrij was om zijn verdere carrière uit te bouwen, ook indien hij dit wenste te doen in een concurrerende onderneming". Zegt bij toepassing van artikel 917,2° Ger. Wb. dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in de raadkamer van het Arbeidshof te Brussel (lokaal 006), Poelaertplein 3 te 1000 Brussel op 19 maart 2010 om 10 uur 30'. . Zegt bij toepassing van artikel 918 Ger. Wb. dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden voor de zetel die dit heeft gelast en indien één van de raadsheren in sociale zaken niet kan aanwezig zijn, voor raadsheer Lieven Lenaerts, voorzitter van deze kamer. Staat overeenkomstig artikel 921 Ger. Wb. aan geïntimeerde het tegenbewijs toe. Om nadien verder te oordelen als naar recht; Kosten aan te houden. Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof op 8 januari 2010, waar aanwezig waren : De Heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw L. REYBROECK, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer A. LEURS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS, L. LENAERTS, L. REYBROECK, A. LEURS. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 8 januari 2010 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100108.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.