← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100201.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 01 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100201.14 Rolnummer: 2009/AB/052692 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2011-07-04 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-02 21:19 Fiches 1 - 2 Een betwisting in het kader van een collectieve schuldenregeling is een onsplitsbaar geschil. Het hoger beroep moet bijgevolg worden gericht tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de appellant. Deze partijen moeten binnen de gewone termijn van hoger beroep in de zaak worden betrokken

(1). Uit de aard zelf van de procedure van collectieve schuldenregeling moet de schuldbemiddelaar betrokken worden in de rechtspleging in hoger beroep. Vanaf de aanduiding van de schuldbemiddelaar wordt de procedure in verband met de collectieve schuldenregeling van contradictoire aard, wat meebrengt dat niet enkel de schuldbemiddelaar, maar ook de schuldeisers in de procedure moeten worden betrokken wegen het onsplitsbaar karakter van het geschil. --------------------------------------------------------------------- Noot
(1)Art. 1053, 2° Ger.W. geldt t.a.v. de partijen; de schuldeisers hebben een tegengesteld belang t.a.v. de schuldenaar en zij zijn partij; volgens de gangbare opinie is de schuldbemiddelaar geen partij, zodat hij nog later dan het verstrijken van de beroepstermijn in beroepsprocedure kan worden betrokken (zie anders; Gr. H. 82/2010, 8 juli 2010, B.11) (over de vraag wie partij is in een procedure CSR: H. Boularbah en F. Faune, Les parties à la procédure dede règlement collectif de dette, CUP 116, 180-232). UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Onsplitsbaarheid Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Hoger beroep collectieve schuldenregeling - Onsplitsbaar geschil: schuldeisers schuldbemiddelaar. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 31 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Nota: Gerangschikt onder I. A. art.
  1. Eveneens gerangschikt onder I. A. art. 1053, 2°. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Onsplitsbaarheid Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Hoger beroep collectieve schuldenregeling - Onsplitsbaar geschil: schuldeisers schuldbemiddelaar. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1053,2° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Nota: Gerangschikt onder I. A. art. 1053, 2°. Eveneens gerangschikt onder I. A. art.
  2. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 1 FEBRUARI
  3. 11e KAMER Collectieve Schuldenregeling Tegensprekelijk t.o.v. de schuldbemiddelaar Definitief In de zaak: D.W. , wonende te [XXX] Appellant, vertegenwoordigd door Mr. R. Beeken, advocaat te Tielt-Winge; Tegen: JANS David, advocaat, in zijn hoedanigheid van schuldbemiddelaar, met kabinet te 3200 AARSCHOT, Herseltsesteenweg 271; Schuldbemiddelaar, vrijwillig verschijnend in persoon;
  4. KBC-Bank NV, met zetel te 3000 LEUVEN, Brusselsesteenweg 100;
  5. VAN DEN BROECK Angèle, woonst kiezend bij Mr. Missoul Viviane, advocaat te 3010 LEUVEN, Koning Albertlaan 186;
  6. LUYTEN Denise, wonende te 3272 SHCERPHEUVEL-ZICHEM, Eikeveldstraat 8;
  7. VAN DER VELPEN Stefaan, advocaat te 3290 DIEST, Hasseltsestraat 77;
  8. Het CHRISTELIJK ZIEKENFONDS SINT PIETERSBOND, met zetel te 3010 KESSEL-LO, Platte-Lostraat 541;
  9. Het AMBACHTS- EN BEROEPSKREDIET VAN LIMBURG cvba, woonstkiezend bij Mr. Peeters Jan, advocaat te 3500 HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131;
  10. EB-LEASE nv, met zetel te 9000 GENT, Burgstraat 170; Schuldeisers, niet verschijnend, noch vertegenwoordigd ter zitting;    Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op de stukken van de rechtspleging en ondermeer op: - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 6e kamer van de Arbeidsrechtbank te Leuven op 28 oktober 2009 (AR nr 08/2531/B - voorheen 06/1716/B); - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 17 november 2010; - de besluiten van appellant, ontvangen ter griffie op 15 december 2010; Gehoord de aanwezige partijen in hun middelen en verdediging op de openbare terechtzitting van 4 januari 2010 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen.    I. FEITEN EN RECHTSPLEGING
  11. Bij beschikking van 29 augustus 2006 van de beslagrechter te Leuven werd de heer D.W. toegelaten tot de collectieve schuldenregeling en werd advocaat D. Jans als schuldbemiddelaar aangesteld. Op 14 maart 2007 nam de beslagrechter akte van het akkoord omtrent de minnelijke aanzuiveringregeling. In deze regeling wordt ervan uitgegaan dat de heer D.W. alleenstaande is en enkel een uitkering heeft van het Fonds voor Beroepsziekten ingevolge zijn vroegere tewerkstelling als bakker. Op 26 augustus 2009 legde de schuldbemiddelaar ter griffie een verzoek tot herroeping neer, omdat hij via EB-Lease vernam dat de heer D.W. in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de CVOHA Adama met zetel op zijn adres een aanvraag had gedaan voor een lening voor de aankoop van een Chevrolet Avalanche ter waarde van euro 57.587,
  12. De schuldbemiddelaar vernam eveneens dat de heer D.W. kosteloos verblijft in een eigendom van deze firma, terwijl hij voordien voorgewend had dat hij een huishuur van euro 500/maand diende te betalen. Omtrent zijn betrokkenheid in de CVOHA had de heer D.W. voordien nooit informatie gegeven, noch bij de aanvraag tot collectieve schuldenregeling, noch bij de uitwerking van de minnelijke aanzuiveringregeling, noch op een andere wijze ten aanzien van de schuldbemiddelaar. Wel heeft de heer D.W. op 10 augustus 2009 ontslag genomen als zaakvoerder ten voordele van mevrouw Pascal Denise D.W..
  13. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven van 28 oktober 2009 werd de schuldbemiddeling herroepen op grond van artikel 1675/15, §1, 2° en 5° Ger. W. Bij toepassing van artikel 1675/16 Ger. W. werd het vonnis door de griffie bij gerechtsbrief van 28 oktober 2009 ter kennis gebracht aan de partijen. De gerechtsbrief werd aangeboden aan de heer D.W. op 2 november
  14. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 17 november 2009, tekende de heer D.W. hoger beroep aan tegen dit vonnis zonder aanduiding van de gedaagden in hoger beroep. Hij vraagt de herroeping teniet te doen, omdat hij voorhoudt als vennoot in een CVOHA geen handelaar te zijn. Op 15 december 2009 ontvangt de griffie van het arbeidshof te Brussel een beroepsconclusie met herneming van de partijen en met verzoek tot verzending van een gerechtsbrief aan de schuldbemiddelaar en de schuldeisers, vermeld in het bestreden vonnis.    II. BEOORDELING
  15. Artikel 1053 Ger. W. bepaalt dat, wanneer het geschil onsplitsbaar is, het hoger beroep moet gericht worden tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep. Deze moet bovendien de andere niet in beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen binnen de gewone termijnen van hoger beroep en ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak betrekken. Bij niet inachtneming van de in dit artikel gestelde regels wordt het hoger beroep niet toegelaten. Deze bepalingen zijn van openbare orde. (Cass. 16 januari 1976, A.C. 1975 -76, 577)
  16. Een betwisting in het kader van een collectieve schuldenregeling maakte een onsplitsbaar geschil uit in de zin van artikel 31 Ger. W. Het hoger beroep moet bijgevolg worden gericht tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de appellant. Deze partijen moeten binnen de gewone termijn van hoger beroep in de zaak worden betrokken zoals vereist door artikel 1053 tweede lid Ger. W. (Antwerpen 18 februari 2003, P&B 2007, 164 met noot E. Brewaeys) Uit de aard zelf van de procedure van collectieve schuldenregeling blijkt dat wanneer hoger beroep wordt ingesteld door de schuldenaar die opkomt tegen een beslissing waarbij de herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid wordt uitgesproken, de schuldbemiddelaar betrokken moet worden in de rechtspleging in hoger beroep. (Cass. 4 september 2003, R.W. 2004 -05, 101 met noot K. Broeckx en B. De Groote, Hoger beroep tegen een herroepingsbeslissing inzake collectieve schuldenregeling : vergeet de schuldbemiddelaar niet!) Vanaf de aanduiding van de schuldbemiddelaar wordt de procedure in verband met de collectieve schuldenregeling van contradictoire aard, wat meebrengt dat niet enkel de schuldbemiddelaar, maar ook de schuldeisers in de procedure moeten worden betrokken, omdat de diverse incidenten in het raam van de contradictoire fase van de collectieve schuldenregeling onsplitsbaar van aard zijn in de zin van artikel 31 Ger. W. (S. Voet, Hoger beroep tegen een herroepingsbeslissing inzake collectieve schuldenregeling: Maar vergeet ook de schuldeisers niet! noot onder Gent, 27 september 2005, R.W. 2006-07, 606 e.v., meer bepaald p. 610) Uit de beroepsconclusie met herneming der partijen en verzoek versturing gerechtsbrief, ontvangen ter griffie van het arbeidshof op 15 december 2009, kan afgeleid worden dat appellant zich ervan bewust was dat zijn oorspronkelijk verzoekschrift niet aan deze regels voldeed. Ingevolge artikel 1053 tweede lid Ger. W. heeft hij de mogelijkheid om de niet opgeroepen partijen nog in de zaak te betrekken, maar dit dient te gebeuren binnen de gewone termijnen van hoger beroep, op straffe van onontvankelijkheid. Het is dus zaak om verder na te gaan of deze beroepsconclusie binnen de termijnen van hoger beroep werd neergelegd.
  17. Vanaf de kennisgeving van het vonnis is de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand. Op grond van artikel 53bis Ger.W. wordt deze termijn bij kennisgeving bij gerechtsbrief berekend vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief aangeboden werd op de woonplaats van de geadresseerde. In deze zaak werd de gerechtsbrief met kennisgeving van het bestreden vonnis aangeboden en door de heer D.W. ontvangen op 2 november 2009, zodat een rechtzetting in het kader van artikel 1053 tweede lid Ger. W. voor 2 december 2009 diende te geschieden. De beroepsconclusie van 15 december 2009 is in dit opzicht laattijdig. Hieruit volgt dat het hoger beroep onontvankelijk is. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewij¬zigd, inzonderheid op artikel 24, Tegensprekelijk t.o.v. de schuldbemiddelaar; Verklaart het hoger beroep onontvankelijk. Kosteloze procedure. Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare te¬rechtzitting van de 11de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 1 februari 2010, waar aanwezig waren: De Heer L. LENAERTS, raadsheer, De Heer L. COEN, dd. griffier-hoofd van dienst. L. COEN, L. LENAERTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100201.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.