id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 26 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100226.10 Rolnummer: 50613 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-08-23 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-02 21:28 Fiche Door de ondertekening door een bediende van een arbeidsovereenkomst, die uitdrukkelijk stelt dat ze opgesteld werd op de datum van indiensttreding zonder dat ze haar handtekening aanvult met een andere datum, toont de werkgever aan dat het proefbeding schriftelijk werd vastgesteld op het tijdstip waarop de bediende in dienst trad. Wanneer een proefbeding wordt opgenomen in een geldig ondertekende onderhandse akte, geldt de bewijskracht voorzien bij artikel 1322 B.W., ook voor de datering. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Werklieden - Proefbeding Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - BEDIENDEN - Proefbeding aangegaan voor indiensttreding - Bewijs. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 67,§1 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 26 FEBRUARI
- 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Persoonlijke verschijning op 27 maart 2009 om 11 uur. In de zaak: Mevrouw D.W. , wonende te [xxx] Appellante, vertegenwoordigd door Mter S. Van Gastel, advocaat te 3000 Leuven; Tegen : DE VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, Departement Coördinatie, Afdeling Administratieve Diensten, met kantoren te 1000 Brussel, Boudewijnlaan, 30, Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter De Groof loco Mter J. Hofkens, advocaat te 1000 Brussel; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (2de kamer) op de openbare terechtzitting van 18 december 2007; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 28 januari 2008; - de besluiten en synthesebesluiten van geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 30 juli 2008 en 28 november 2008; - de besluiten voor appellante neergelegd ter griffie op 30 september 2008; - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest van ons Hof van 6 februari 2009 waarbij de persoonlijke verschijning bevolen werd; - het voor eensluidend verklaard afschrift van het P.V. van persoonlijke verschijning van 27 maart 2009; - de besluiten van partijen na tussenarrest van 6 februari 2009; - de voorgelegde stukken; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 29 januari 2010, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. X X X Het hof kan verwijzen naar het tussenarrest van 6 februari 2009, waarin de feiten en de tot dan toe gevolgde rechtspleging werden uiteengezet. Het hof beval de persoonlijke verschijning van beide partijen, waarbij de heer Hugo Hoogwijs en de heer Martin Ruebens werden aangeduid als organen en vertegenwoordiger van de Vlaamse Gemeenschap. Het verhoor van partijen vond plaats op 27 maart
- Partijen aanvaardden mekaars beroepsconclusies na tussenarrest en na persoonlijke verschijning. BEOORDELING.
- Artikel 67 §1 van de arbeidsovereenkomstenwet bepaalt : De arbeidsovereenkomst kan een beding van proeftijd bevatten. Op straffe van nietigheid moet dat beding voor iedere bediende afzonderlijk schriftelijk worden vastgesteld, uiterlijk op het tijdstip waarop de bediende in dienst treedt. Artikel 81 §1 van dezelfde wet bepaalt dat de overeenkomst tijdens de proeftijd kan worden beëindigd met inachtneming van een opzeggingstermijn van zeven dagen, waarvan kennis wordt gegeven in de vorm bepaald in artikel 37, tweede tot vierde lid.
- Mevrouw D.W. betwist haar opzegging tijdens de proeftijd, omdat volgens haar het proefbeding werd ondertekend na haar indiensttreding, daar er op dat ogenblik nog discussie bestond over de in aanmerking te nemen anciënniteit. De anciënniteitdiscussie en de vaststelling van het loon zouden slechts op 14 augustus 2002 beslecht zijn en de arbeidsovereenkomst zou tussen 14 augustus en eind augustus 2002, en dus alleszins na de indiensttreding, ondertekend zijn.
- Beide partijen leggen een identiek exemplaar van de arbeidsovereenkomst bedienden voor, waarbij mevrouw D.W. met ingang van 15 juli 2002 en met een proeftijd van 6 maanden als bediende/adviseur werd aangeworven door de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar regering, bij delegatie, in de persoon van Martin Ruebens, afdelingshoofd bij het departement Coördinatie in het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. In artikel 4 van deze arbeidsovereenkomst wordt het salaris vastgesteld in de salarisschaal A252 aan 18 jaar anciënniteit. ( aanvankelijk was 17 jaar voorzien, maar de wijziging naar 18 jaar werd door mevrouw D.W. geparafeerd zonder bijkomende datering). Op het einde vermeldt deze arbeidsovereenkomst : Opgesteld in Brussel, op 15 juli 2002 in drie exemplaren waarvan elk van de partijen erkent één exemplaar te hebben ontvangen. Van werkgeverszijde werd deze arbeidsovereenkomst ondertekend door de heer Hugo Hoogwijs in opdracht van de heer Martin Ruebens; ook mevrouw D.W. ondertekende eigenhandig en vermeldde bij haar handtekening geen andersluidende datum.
- Uit de persoonlijke verschijning van partijen kan afgeleid worden dat mevrouw D.W. een onderscheid blijft maken tussen enerzijds de datum van indiensttreding, waarop zij naar haar zeggen slechts ontvangen werd door twee stagiairs en niet door de dienst personeel, en anderzijds de datum van ondertekening van de arbeidsovereenkomst die slecht omstreeks eind augustus zou hebben plaatsgevonden na afronding van de discussie over de anciënniteit. Zij verduidelijkt nog dat ze bij de ondertekening de bedenking had gemaakt dat ze wellicht beter de datum van ondertekening had vermeld, maar dat ze dit had nagelaten omwille van voorgaande discussies. Van werkgeverszijde legt de heer Martin Ruebens uit dat hij op 15 juli 2002 afwezig was en vervangen werd door de heer Hugo Hoogwijs die volgens de onderrichtingen de aanwerving van mevrouw D.W. heeft afgewerkt. Op zijn beurt verklaart de heer Hoogwijs dat hij op die datum de heer Ruebens verving en de arbeidsovereenkomst van mevrouw D.W. ondertekend heeft als eerste, maar dat hij niet aanwezig was bij de ondertekening door mevrouw D.W., wat dient te gebeuren door de tussenkomst van de personeelsdienst en waarna het tegengetekend exemplaar in het dossier wordt gerangschikt. Hij verduidelijkt dat het nog voorkomt dat er na de ondertekening van de overeenkomst een discussie rijst over de anciënniteit in verband met het salaris en dat dit nadien in de arbeidsovereenkomst wordt aangevuld.
- Na de persoonlijke verschijning legt geïntimeerde bijkomende stukken neer, waaronder een Inlichtingenblad personeelslid, door mevrouw D.W. ondertekend met gelezen en goedgekeurd en door haar gedagtekend op 14 juli 2002, ontvangen door de Vlaamse Gemeenschap op 15 juli 2002 (ze was hiertoe overigens uitgenodigd bij schrijven van 27 juni 2002 - st. 1 aanvullende stukken mevrouw D.W.). Uit stuk 7 van de Vlaamse Gemeenschap volgt dat mevrouw D.W. "op datum van 15/07/02" ( datum eigenhandig door haar geschreven) een erewoordverklaring heeft ondertekend in verband met de werkgeversbijdrage openbaar vervoer (zie eveneens de brief van 27 juni 2002, laatste paragraaf met verwijzing naar "bij uw indiensttreding"). Uit deze stukken blijkt dat mevrouw D.W. bij haar indiensttreding op 15 juli 2002 wel degelijk de administratieve plichtplegingen heeft vervuld met betrekking tot haar aanwerving, wat overeenkomt met de verklaring van de heer Hoogwijs dat bij de indiensttreding de personeelsdienst de nodige stappen zet in verband met het in orde maken van het dossier. Door de ondertekening door mevrouw D.W. van de arbeidsovereenkomst, die uitdrukkelijk stelt dat ze opgesteld werd op 15 juli 2002 zonder dat ze haar handtekening aanvult met een andere datum, toont de werkgever in de gegeven omstandigheden aan dat het proefbeding schriftelijk werd vastgesteld op het tijdstip waarop de bediende in dienst trad. Jurist zijnde, met balie-ervaring en met ervaring als bestuurssecretaris en als voormalig auditeur bij het Rekenhof, kan ze niet onwetend zijn over het belang van haar handtekening onder een als dusdanig gedateerd stuk. De rechtspraak benadrukt immers dat, wanneer een proefbeding werd opgenomen in een geldig ondertekende onderhandse akte, de bewijskracht voorzien bij artikel 1322 B.W. geldt, ook wat betreft de datering (Arbh. Gent, 9 mei 1994, JTT 1995, 344). De voorgelegde exemplaren van de arbeidsovereenkomst van 15 juli 2002 zijn identiek en verschillen niet wat betreft de datering.
- De overige opmerkingen van mevrouw D.W. kunnen aan deze beoordeling geen afbreuk doen. De heer Hoogwijs ondertekende op 15 juli 2002 langs werkgeverszijde de arbeidsovereenkomst omwille van de afwezigheid van de heer Ruebens, afdelingshoofd. Het feit dat de heer Hoogwijs op latere datum de functie van waarnemend afdelingshoofd heeft vervuld, is hierbij irrelevant. De overeenkomst is op dit punt geenszins onduidelijk en behoeft geen uitlegging. Aangezien in randnummer 4 vastgesteld werd dat de werkgever aantoont dat het proefbeding schriftelijk werd vastgesteld op het tijdstip waarop de bediende in dienst trad, zijn de bijkomende door mevrouw D.W. gevraagde onderzoeksmaatregelen overbodig.
- Het proefbeding geldig zijnde, heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst correct beëindigd overeenkomstig artikel 81 §1 van de arbeidsovereenkomstenwet, zodat de vordering tot betaling van een bijkomende opzeggingsvergoeding ongegrond is. Het hoger beroep is hierdoor ongegrond. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Veroordeelt mevrouw D.W. tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van de Vlaamse Gemeenschap begroot en vereffend op rechtsplegingsvergoeding hoger beroep basisbedrag euro 2.000 en voor zover als nodig aan haar zijde slechts begroot op euro 291,
- Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De heer L. LENAERTS, Raadsheer, De heer Ch. LAURIERS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De heer J. DE DECKER, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS, Ch. LAURIERS, J. DE DECKER. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 26 februari 2010 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. LENAERTS, L. HERREGODTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100226.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div