← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100315.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 15 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100315.8 Rolnummer: 2008/AB/51626 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2011-02-03 Raadplegingen: 125 - laatst gezien 2026-07-02 21:34 Fiches 1 - 2

  1. Onverminderd de tussenkomst van de instantie bevoegd om een multidisciplinair verslag af te leveren, is het de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de provinciale evaluatiecommissie om, in toepassing van de wetgeving, te bepalen welk de behoefte is aan bijstand tot sociale integratie, en om aan de mindervalide de tegemoetkomingen toe te kennen die zijn sociale integratie vereisen, na desgevallend bijkomende inlichtingen ingewonnen te hebben, hetzij bij de aanvrager, hetzij bij het multidisciplinair team, dat namens de mindervalide de aanvraag indient. De provinciale evaluatiecommissie komt tekort aan de beginselen van behoorlijk bestuur, die haar aansprakelijkheid met zich meebrengt, wanneer zij de aanvrager er niet op wijst dat de manier waarop zijn aanvraag ingediend is, niet tot de volledige tegemoetkoming kan leiden, waarop hij recht heeft.
  2. Het Vlaams Agentschap begaat eveneens een fout wanneer het, geïnterpelleerd door de aanvrager over het feit dat hij een onvolledige tussenkomst heeft gekregen, een foutieve informatie geeft over de wijze waarop de aanvrager een rechtzetting van de beslissing kan bekomen, met als gevolg dat de aanvrager de beroepstermijn laat verstrijken om de beslissing voor de arbeidsrechtbank te betwisten.
  3. Het Vlaams Agentschap is gehouden tot een schadeloosstelling, gelijk aan het bedrag waarop de aanvrager aanspraak had kunnen maken ten aanzien van het Fonds, indien de tekortkomingen niet hadden plaats gevonden. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - GEHANDICAPTEN - Tegemoetkoming Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG - TEGEMOETKOMING AAN MINDER-VALIDEN - Decreet van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor Gehandicapten (thans het Vlaams agentschap voor Personen met een handicap).Verplichtingen van het Fonds. Informatieplicht. Verantwoordelijkheid. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 27-06-1990 - 33 ELI link Pub nr 1990929930 Nota: X A Decreet 27/06/1990 Ook gerangschikt onder I K UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Beginselen van behoorlijk bestuur - Bestuursrecht Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - ALGEMENE BEGINSELEN - SOCIALE VOORZORG - TEGEMOETKOMING AAN MINDER-VALIDEN - Decreet van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor Gehandicapten (thans het Vlaams agentschap voor Personen met een handicap).Verplichtingen van het Fonds. Informatieplicht. Verantwoordelijkheid. Nota: I K Ook gerangschikt onder X A (decreet 27/06/1990). Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 15 MAART
  4. 5DE KAMER Not. 582 1° Ger. W. Tegemoetkomingen mindervaliden Op tegenspraak Heropening der debatten In de zaak: E. C., wettelijk vertegenwoordiger wegens verlengde minderjarigheid van haar zoon D. F. V., Appellante, verschijnend in persoon en bijgestaan door Mr K. VAN GOSSUM, advocaat te BRUSSEL. Tegen: HET VLAAMS AGENTSCHAP VOOR SOCIALE INTEGRATIE VAN PERSONEN MET EEN HANDICAP, met burelen gevestigd te 1210 BRUSSEL, Sterrenkundelaan
  5. Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. K. DEMEESTER, advocaat te GENT.    Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Brussel op 19 november 2008; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 18 december
  6. - de conclusie en syntheseconclusies van de partijen; Gelet op de door partijen neergelegde stukken. Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 1 maart 2010 waarna de debatten gesloten werden. Gehoord het mondeling advies van de heer D. SOETEMANS, 1ste Advocaat-generaal op diezelfde openbare terechtzitting. Partijen zagen af van hun recht op repliek op dit advies waarna de zaak in beraad werd genomen.    I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
  7. Mevrouw E. , die optreedt voor haar zoon D. V. , die in staat van verlengde minderjarigheid verklaard is, heeft op 21 februari 2006 bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, verder genoemd het Vlaams Agentschap, een aanvraag ingediend tot het bekomen van een individuele materiële bijstand ingediend. In deze aanvraag was een rolstoellift en een verankeringssysteem voor in een wagen inbegrepen, voor een totaalbedrag van 10.271,40 euro , btw inclusief. De aanvraag werd, zoals voorzien in de reglementering, ingediend door tussenkomst van en overeenkomstig een advies van een erkend multidisciplinair team, in casu de maatschappij Euromut.
  8. Bij beslissing van 16 november 2006 heeft het Vlaams Agentschap voor de rolstoellift een tussenkomst toegekend van de 4.595,48 euro . Na deze beslissing werd door mevrouw E. en door de sociaal assistente, verbonden aan het verzorgings-centrum waarin D. V. deeltijds verbleef, contact opgenomen met de diensten van het Vlaams Agentschap, omdat het toegekende bedrag minder dan de helft bedroeg van de aanvraag en ook veel lager was dan het bedrag dat in vergelijkbare dossiers werd toegekend. Uit deze contactname bleek - element dat niet wordt tegengesproken door het Vlaams Agentschap - dat er iets was fout gelopen bij de oorspronkelijke aanvraag. Er was alleen een aanvraag tot tussenkomst ingediend voor de rolstoellift zelf, maar niet voor de veranderingen aan de wagen, die daarvoor noodzake-lijk waren en voor de verankering van de rolstoel in de wagen. Voor deze elementen waren volgens de reglementering tussenkomsten mogelijk, maar ze waren niet toegekend omdat deze niet aangevraagd werden. Het resultaat van deze contactname - element dat evenmin tegengesproken wordt - was dat via de administratie een aanvraag zou ingediend worden bij de Bijzondere Bijstandscommissie, ingesteld bij het Vlaams Agentschap, ten einde een hogere tussenkomst te bekomen. Bij beslissing van 22 mei 2007 erkende de Bijzondere Bijstandscommissie dat er sprake was van een uitzonderlijke zorgbehoefte - voorwaarde voor tussenkomst van de Bijzondere Bijstandscommissie - maar kende zij slechts een aanvullende tegemoetkoming toe van 404,52 euro .
  9. Bij verzoekschrift van 25 juli 2007 heeft mevrouw E. beroep aangetekend tegen de beslissing van 22 mei
  10. Bij vonnis van 19 november 2008, ter kennis gebracht op 26 november 2008, heeft de arbeidsrechtbank te Brussel dit verzoekschrift als ongegrond afgewezen. De arbeidsrechtbank oordeelde dat de Bijzondere Bijstandscommissie van het Vlaams Agentschap een discretionaire bevoegdheid had inzake de toekenning van de bijzondere tegemoetkoming en dat de rechtbank niet de bevoegdheid had om de hoogte van de tegemoet-koming te bepalen.
  11. Bij verzoekschrift van 18 december 2008 heeft mevrouw E. hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.    II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingesteld binnen de maand na de kennisgeving van het bestreden vonnis en is aldus tijdig ingesteld. Het beroep is ontvankelijk.    III. BEOORDELING.
  12. Mevrouw E. liet voor de eerste rechter gelden dat de bestreden beslissing onterecht genomen werd en dat het Vlaams Agentschap de door de wet voorziene tussenkomsten had dienen te verlenen, zelfs indien deze niet formeel aangevraagd waren. Het Vlaams Agentschap stelt daartegenover dat hij de tussen-komsten verleend heeft, die verschuldigd waren op basis van de aanvraag en verder dat de Bijzondere Bijstandscommissie op discretionaire wijze beslist over de aanvraag tot het bekomen van een uitzonder-lijke tussenkomst op basis van een buitengewone zorgbehoefte. Zij wijst er ook op dat, indien er in de behandeling van het dossier een tekortkoming is begaan, deze tekortkoming enkel toe te schrijven is aan de maatschappij Euromut die op onvolledige en onjuiste wijze de zorgaanvraag had ingediend. Mevrouw E. wijst in haar beroepsbesluiten voornamelijk op de tekortkomingen van het Vlaams Agentschap op het vlak van haar zorgvuldigheidsplicht en haar informatieplicht. Zij stelt dat, op het ogenblik dat zij na de eerste beslissing met het Vlaams Agentschap contact nam, deze haar ten onrechte in de waan gebracht heeft dat het gerezen probleem kon opgelost worden door het dossier voor te leggen aan de Bijzondere Bijstandscommissie, zonder er haar op te wijzen dat zij er belang bij had de beslissing van 16 november 2006 te betwisten voor de arbeids-rechtbank en daarbij de maatschappij Euromut te betrekken.
  13. Het Vlaams Agentschap betwist niet dat, indien de zorgaanvraag op een andere wijze geformuleerd was geworden, mevrouw E. aanspraak had kunnen maken op een hogere tegemoetkoming, en dat met name bijzon-dere tussenkomsten voorzien zijn voor de kosten van aanpassing van de wagen en voor het plaatsen van een verankeringssysteem van de rolstoel in de wagen, verankeringssysteem dat overigens expliciet op de factuur vermeld was. Het gaat er daarbij vanuit dat zij enkel de tussenkomsten kan verlenen die uitdrukkelijk in de zorgaanvraag omschreven zijn en dat de niet toekenning van een meer uitgebreide tussenkomst enkel de aansprakelijkheid met zich meebrengt van Euromut. Overeenkomstig artikel 40 § 1 van het decreet van 27 juni 1990 houdende oprichting van een Vlaams Fonds (thans het Vlaams agentschap voor Personen met een Handicap) voor de sociale integratie van personen met een handicap, worden de aanvragen tot het verkrijgen van bijstand tot sociale integratie onderzocht door een evaluatiecommissie die daartoe in elke provincie bij het fonds wordt opgericht. Volgens artikel 40 § 3 van het decreet bepaalt de evaluatiecommissie of de aanvrager getroffen is door een handicap in de zin van artikel 2 van het decreet en of hij behoefte heeft aan bijstand tot sociale integratie. De provinciale evaluatiecommissie stelt dan een individueel integratie protocol op. Overeenkomstig art. 40 § 4 van het decreet steunt de evaluatiecommissie haar beoordeling op het multidisciplinair verslag van één van de instanties die daartoe door het fonds zijn erkend. Overeenkomstig artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 1991, tot uitvoering van het decreet van 27 juni 1990, behandelt de administratie van de provinciale afdeling van het agentschap het aanvraagdossier. Ze onderzoekt of de ingediende aanvraag ontvankelijk is en vult het dossier, samengesteld volgens artikel 24, eventueel aan door extra inlichtingen in te winnen bij de aanvrager, bij de instantie die door het agentschap wordt erkend om een multidisciplinair verslag af te leveren en bij de openbare instellingen en besturen die ressorteren onder de Vlaamse Gemeenschap. Uit deze bepalingen blijkt dat, onverminderd de tussenkomst van de instantie bevoegd om een multi-disciplinair verslag af te leveren, het de uiteinde-lijke verantwoordelijkheid is van de provinciale evaluatiecommissie om, met toepassing van de wet-geving, te bepalen welk de behoefte is aan bijstand tot sociale integratie, en om aan de mindervalide de tegemoetkomingen toe te kennen, die zijn sociale integratie vereisen, na desgevallend bijkomende inlichtingen ingewonnen te hebben, hetzij bij de aanvrager, hetzij bij het multidisciplinair team. Het hof is dan ook van oordeel dat het Vlaams Agentschap ten onrechte iedere verantwoordelijkheid afschuift op het multidisciplinair team dat het verslag heeft afgeleverd. De provinciale evaluatie-commissie, die samen met de aanvraag, in het bezit was gesteld van de prijsofferte, wist dat er eveneens voorzien was in de plaatsing van een verankerings-systeem in de wagen. Voor deze plaatsing, die noodzakelijk is voor de beveiliging van de minder-valide tijdens zijn transport, gezeten in de rolstoel die in de wagen staat, is een afzonderlijke tussen-komst voorzien. De provinciale evaluatiecommissie kon op basis van de offerte eveneens vaststellen dat in de offerte één enkele prijs voorzien was voor de levering van de rolstoellift en voor de plaatsing ervan en voor de aanpassingen van de wagen. Het was haar verplichting in het kader van een zorgvuldig bestuur, en de uitoefening van de opdracht die het decreet haar toevertrouwde, zich te informeren bij het multidisciplinair team of bij de aanvrager of deze er zich van bewust was dat, in het kader van de reglementering, voor ieder van de onderdelen van de plaatsing en levering van een rolstoellift systeem afzonderlijke refertebedragen voorzien waren, die het voorwerp konden uitmaken van een afzonderlijke tussenkomst en dat aldus de offerte diende aangepast en uitgesplitst te worden. Er kan naar analogie verwezen worden naar de bepaling van art. 3 van de wet van 11 april 1995 tot instelling van het handvest van de sociaal verzekerde (in deze niet van toepassing omdat het een gemeenschapsbevoegd-heid betreft) dat aan de sociale zekerheidsinstellingen de verplichting oplegt om uit eigen beweging de sociaal verzekerden alle bijkomende informatie te verschaffen die nodig is voor de behandeling van hun verzoek of het behoud van hun rechten. De bestreden beslissing is dan ook onwettelijk. Vermits zij echter niet bestreden werd binnen de wettelijke termijn kan het hof enkel de onwettelijk-heid van de beslissing vaststellen, zonder ze te kunnen vernietigen.
  14. Overeenkomstig artikel 1, lid 1 van het Besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap, kan het Vlaams Fonds (thans het Vlaams Agentschap) " binnen de perken van de kredieten", bijstand verlenen "voor de sociale integratie van personen met een handicap". Volgens lid 2 van dezelfde bepaling kan het Fonds, ten belope van 10 % van de vastgelegde kredieten, "individuele bijstand verlenen voor de sociale integratie die buiten de bepalingen en bedragen van de refertelijst in bijlage bij dit besluit vallen". Overeenkomstig artikel 16 van het Besluit gebeurt de beslissing over de tenlasteneming van de bijstand door het toekennen van een persoonlijke bijstands-korf. Deze bijstandskorf is in de regel samengesteld uit hulpmiddelen die in de refertelijst voorkomen. Overeenkomstig artikel 18 kan, in afwijking van de bepaling vermeld in artikel 16, de toegekende persoonlijke bijstandskorf samengesteld zijn uit hulpmiddelen die wel voldoen aan de voorwaarden gesteld in het besluit, maar die niet in de refertelijst in de bijlage bij dit besluit opgenomen zijn, op voorwaarde dat de bij artikel 31 bedoelde commissie een gunstige beslissing neemt. Overeenkomstig artikel 31 § 1 van het Besluit wordt een Bijzondere Bijstandscommissie opgericht die tot taak heeft, bij wijze van individuele bijzondere maatregel te oordelen over de tenlasteneming van de bij artikel 1, tweede lid, bedoelde hulpmiddelen, binnen de in dat artikel vastgelegde budgettaire beperking. Overeenkomstig artikel 31 § 3 dient de hulpaanvraag, om in aanmerking genomen te worden door de Bijzondere Bijstandscommissie, aan de volgende voorwaarden te voldoen: 1° het hulpmiddel is niet opgenomen in de refertelijst in de bijlage bij het besluit; 2° de aanvraag tot tenlasteneming is geldig ingediend; 3° de tenlasteneming van het hulpmiddel is mogelijk overeenkomstig de voorwaarden gesteld in dit besluit; 4° de kostprijs van het hulpmiddel overschrijdt 250,00 euro , inclusief BTW.
  15. In tegenstelling met hetgeen het Vlaams Agentschap aanvoert is de beslissing van de Bijzondere Bijstandscommissie geen zuiver discretionaire beslissing. De rechter die gevat wordt over een dergelijke beslissing heeft de bevoegdheid om na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden die voor de tussenkomst van de bijzondere bijstandscommissie vereist is, zoals het feit of een bijzondere zorgbehoevendheid aanwezig is ( Arbh. Brussel, 5.01.2009, Vlaams Agentschap, A.R. nr. 49829 t Bode). Wel staat het aan de Bijzondere Bijstandscommissie om, rekening houdende met het beperkte budget dat voor zijn tussenkomst voorzien is, het bedrag van de tussenkomst vast te stellen, met dien verstande dat de rechter steeds bevoegd blijft om, zoals bij iedere discretionaire beslissing, deze te toetsen op haar externe wettelijkheid (de formele motiveringsplicht) en te beoordelen of deze beslissing niet willekeurig is of kennelijk onredelijk. (cfr.Cass. 11.12.2006, J.T.T. 2007, 135).
  16. Door het Vlaams Agentschap wordt niet betwist, dat naar aanleiding van de beslissing van 16 november 2006, er op 29 november 2006 en 12 januari 2007 een contactname geweest is door mevrouw E. en de sociale assistente die haar bijstond (zie stuk 10 en 11 van het dossier van mevrouw E. ) en dat daar-bij door de diensten van het Vlaams Agentschap, werd voorgesteld, het dossier voor te leggen aan de Bijzondere Bijstandscommissie met het oog op het bekomen van een hogere tussenkomst, o.m. voor de kosten van de aanpassing van de wagen. Aan het Vlaams Agentschap werd op de zitting van 7 december 2009, waarop de zaak voor de eerste maal behandeld werd, gevraagd een volledig dossier voor te leggen, waaruit zou kunnen afgeleid worden op welke manier het dossier werd voorgelegd aan de Bijzondere Bijstands-commissie, en met name welke informatie aan de Bijzondere Bijstandscommissie werd verschaft met betrekking tot de problematiek die zich stelde. Het Vlaams Agentschap is niet op deze vraag ingegaan en heeft enkel op de zitting een intern verslag voor-gelegd van de administratie. Uit dit verslag blijkt enkel dat aan de Bijzondere Bijstandscommissie gevraagd werd een hogere tussenkomst toe te kennen voor de rolstoellift. Er blijkt niet dat gevraagd werd een tussenkomst toe te kennen voor de aanpassing van de wagen, noch voor de verankering van de rolstoel. De beslissing van de Bijzondere Bijstandscommissie dient dan ook geen verwondering te baren vermits aan de Bijzondere Bijstandscommissie geen tussenkomst gevraagd werd voor de aanpassing van de wagen en het verankeringssysteem. Zulks valt overigens ook buiten de bevoegdheid van de Bijzondere Bijstandscommissie vermits het gaat om tussenkomsten, opgenomen in de refertelijst die, overeenkomstig art. 16 van het Besluit, door de provinciale evaluatiecommissie zelf dienen toegekend te worden.
  17. Daaruit volgt dat, zoals mevrouw E. voorhoudt, zij onjuist geïnformeerd werd over de stappen die konden aangewend worden om tot een herziening van de beslissing van 16 november 2006 te komen. Aan mevrouw E. had dienen geadviseerd te worden dat de situatie enkel kon rechtgezet worden, hetzij door het instellen van een beroep bij de arbeidsrechtbank, hetzij eventueel door het indienen van een nieuwe complementaire aanvraag. Aan mevrouw E. werd dit advies niet gegeven, maar werd integendeel een interne procedure geadviseerd, waarvan de diensten van het Vlaams Agentschap dienden te weten dat dit in principe niet tot een oplossing kon leiden, gelet op de specifieke bevoegdheid van de Bijzondere Bijstandscommissie. Bovendien werd deze interne procedure in ieder geval door de administratie onvoldoende opgevolgd, vermits uit geen enkel stuk blijkt dat de Bijzondere Bijstandscommissie geïnformeerd werd over de werkelijke problematiek die zich stelde (recht op tussenkomst onder andere refertenummers), zodat zij ook geen oplossing voor het probleem heeft kunnen aanreiken. Door zo te handelen is de administratie van het Vlaams Agentschap tekort gekomen aan de algemene zorgvuldigheidspicht die op iedere openbare instelling, zoals op iedere burger, ligt en heeft zij aan mevrouw E. een schade berokkent die zij dient te vergoeden. De omstandigheid dat eveneens een fout begaan werd door het multidisciplinair team van Euromut, dat het verslag opstelde en de aanvraag begeleidde, doet geen afbreuk aan de verplichting voor het Vlaams Agentschap om het geheel van de schade te vergoeden, die het gevolg is van haar tekortkoming. Wanneer immers de schade is veroorzaakt door de gezamenlijke fouten van verscheidene personen, is in beginsel ieder van hen jegens de getroffene die geen fout heeft begaan, gehouden tot volledige vergoeding van de schade (Cass.26.04.1996, Arr. Cass. 1996,371).
  18. De schade van mevrouw E. staat vast. Indien aan mevrouw E. correcte informatie gegeven was, dan had zij de nadelige gevolgen van de onterechte beslissing van 16 november 2006 kunnen rechtzetten door een beroep aan te tekenen bij de arbeidsrecht-bank, of door een nieuwe aanvraag in te dienen. Zij had dan een correcte tussenkomst kunnen bekomen ten voordele van haar zoon in de kosten voor de aanschaf van een rolstoellift, de plaatsing ervan, de aanpas-sing van de wagen en het bevestigen van een verankeringssysteem. De schade van mevrouw E. is echter beperkt tot de tussenkomst die het Vlaams Agentschap had kunnen toekennen, indien de aanvraag correct behandeld geweest zijn. Op basis van de voorgelegde stukken is het aannemelijk dat mevrouw E. aanspraak kon maken op een tussenkomst voor de rolstoelvergrendeling, die in de prijsofferte uitdrukkelijk was opgenomen. Op basis van de voortgebrachte gegevens, is het echter onvoldoende duidelijk op welke andere tussenkomsten mevrouw E. aanspraak had kunnen maken. Het is ook aannemelijk dat in de prijsofferte de prijs voor de aanpassing van de wagen (o.m. het verplaatsen van de benzinebak) inbegrepen was, maar het is niet voldoende aangetoond dat de kostprijs voor de aanpassing van de wagen werkelijk het gevorderde refertebedrag van 3.796,88 euro bereikte. Evenmin is duidelijk waarop het refertebedrag van 1.265,29 euro voor "andere noodzakelijke aanpassingen" precies slaat en of er in de prijsofferte dergelijke noodzakelijke aanpassingen begrepen waren. De mail van de firma Mees van 3 juli 2007, neergelegd voor de eerste rechter, is onvoldoende gedetailleerd om daarover uitsluitsel te geven.
  19. Een heropening van de debatten is dan ook noodzake-lijk teneinde het precies bedrag te kunnen vaststellen van de schadeloosstelling waarop mevrouw E. aanspraak kan maken. Mevrouw E. dient dan de firma Mees de detail te vragen van de factuur voor het plaatsen van de "Braun underfloorlift", met een opsplitsing tussen de kosten van de lift zelf en de vereiste aanpassingen van het koetswerk en eventueel andere kosten. Het Vlaams Agentschap dient, in functie van deze opsplitsing, te bepalen welke tussenkomst had kunnen verleend worden indien rekening was gehouden, niet alleen met de levering en plaatsing van de lift, maar ook met de aanpassingen aan het koetswerk, eventuele andere aanpassingen en de kosten voor de rolstoel-vergrendeling. Het Vlaams Agentschap dient eveneens toelichting te verlenen bij de refertelijst, zoals ze van toepassing was op het ogenblik van de aanvraag, en aan te duiden wat precies bedoeld wordt met " noodzakelijke aanpassingen aan het koetswerk" en "andere noodzakelijke aanpassingen".    OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Rechtsprekend op tegenspraak, Gehoord in zijn mondeling advies de heer D. Soetemans, 1ste Advocaat-generaal; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk; Alvorens verder recht te doen, beveelt de heropening van de debatten ten einde partijen toe te laten de gegevens bij te brengen, gevraagd onder punt 8 van de overwegingen, en dienaangaande te besluiten. Bepaalt de termijnen voor het neerleggen van de bijkomende stukken en voor het neerleggen van conclusies als volgt: - voor mevrouw E. : termijn voor het neerleggen van stukken en eerste besluiten ter griffie van het Arbeidshof uiterlijk op 3 mei 2010; - voor het Vlaams Agentschap: termijn voor het neerleggen van stukken en eerste besluiten ter griffie van het Arbeidshof uiterlijk op 4 juni 2010; - aanvullende en synthesebesluiten voor mevrouw E. ter griffie van het Arbeidshof neer te leggen uiterlijk op 16 juli 2010; - aanvullende en synthesebesluiten voor het Vlaams Agentschap ter griffie van het Arbeidshof neer te leggen uiterlijk op 31 augustus 2010; Stelt deze heropening der debatten vast op de openbare terechtzitting van de Vijfde Kamer van 4 oktober 2010 te 14 uur voor een pleitduur van 30 minuten, in de zaal 0.6, Poelaertplein 3 te 1000 Brussel; Houdt de beslissing nopens de gerechtskosten aan;    Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De Heren : F. KENIS : Raadsheer. Mevr. S. ALAERTS : Raadsheer in sociale zaken als zelfstandige, D. VANHAGENDOREN : Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, En bijgestaan door : D. DE RAEDT : Griffier, S. ALAERTS, D. VANHAGENDOREN, D. DE RAEDT, F. KENIS, En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 15 maart 2010 door de heer F. KENIS, Raadsheer, bijgestaan door D. DE RAEDT, griffier, D. DE RAEDT, F. KENIS, PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100315.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.