id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 19 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100319.1 Rolnummer: 2009/AB/51.851 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-03-29 Raadplegingen: 146 - laatst gezien 2026-07-01 12:26 Fiche 1 Bij de bepaling van de in acht te nemen opzeggingstermijn kan geen rekening gehouden worden met mogelijke tekorten van de werknemer aan zijn verplichtingen. Deze elementen kunnen ook niet ingeroepen worden als gegevens eigen aan de zaak of gegevens die verband houden met het belang van één van de partijen, omdat hierbij enkel kan gezien worden naar omstandigheden die voor de werknemer een invloed kunnen hebben op de kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzegging Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - BEDIENDEN - Bepaling opzeggingstermijn. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 82,§3 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II CN art. 82 §
- Een andere korte inhoud is gerangschikt onder I B art.
- Fiche 2 Wanneer men de uitvoering van een overeenkomst inroept als bewijselement voor zijn standpunt, dan beroept men zich op een buitengerechtelijke bekentenis, die moet voldoen aan volgende voorwaarden: - een éénzijdige handeling - die uitgaat van degene tegen wie ze wordt ingeroepen - die gebaseerd is op een geldige wilsuiting - die betrekking heeft op een betwist feit waarvan de auteur van de bekentenis persoonlijk kennis heeft. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bekentenis Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - BURGERLIJK RECHT - Bewijs - Uitvoering van de overeenkomst - Buitengerechtelijke bekentenis. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1356 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Nota: Gerangschikt onder I B art.
- Een andere korte inhoud is gerangschikt onder II CN art. 82 §
- Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 19 MAART
- 3de KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: Mevrouw W. , wonende te [xxx], Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter I. DECLERCQ loco Mter K. STAPPERS, advocaat te 2000 Antwerpen; Tegen : De B.V.B.A. PHARM-OLAM INTERNATIONAL (BELGIUM), met maatschappelijke zetel gevestigd te 3272 Scherpenheuvel-Zichem, Dorp 14 A, gekend onder KBO-nummer 0869.582.927, Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter Inge Lamberts, advocaat te 1160 Brussel; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven (1ste kamer B) op 22 januari 2009; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 16 februari 2009; - de besluiten, aanvullende besluiten en synthesebesluiten neergelegd voor geïntimeerde neergelegd ter griffie van dit Hof, respectievelijk op 15 juni 2009, 15 oktober 2009 en 15 januari 2010; - de besluiten en synthesebesluiten voor appellante neergelegd ter griffie van dit Hof, respectievelijk op 17 augustus 2009 en 21 december 2009; - de bundel met stukken neergelegd door geïntimeerde partij ter griffie op 15 januari 2010; - de bundel met stukken neergelegd door appellante partij ter griffie op 19 januari 2010 Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 19 februari 2010, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x x FEITEN EN RECHTSPLEGING.
- Op 26 november 2004 ondertekenden mevrouw W. en de zaakvoerder van de B.V.B.A. Pharm-Olam International Belgium ( hierna afgekort tot Pharm-Olam) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als bediende, waardoor mevrouw W. met ingang van 1 december 2004 werd aangeworven als Country Manager. Ze beschikte in haar functie over volmachten van de zaakvoerders. De aanvangswedde werd vastgesteld op euro 6.500/maand, aangevuld met een eventuele jaarlijkse bonus, gerelateerd aan de omzet en het positieve winstresultaat. Zij had recht op maaltijdcheques, een personenwagen met tankkaart, een onkostenvergoeding, een GSM en een laptop. In artikel 9 van de arbeidsovereenkomst wordt voor de arbeidsduur verwezen naar de regeling van het pair comité 218, zodat deze gemiddeld 38 uur per week bedraagt. De arbeidstijdregeling is vastgesteld op gemiddeld 40 uur per week, maar de werknemer heeft recht op 12 inhaalrustdagen wegens arbeidsduurvermindering. Na de vaststelling van het uurrooster wordt bepaald : De WERKNEMER aanvaardt arbeid te verrichten die noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn arbeidsprestaties. Arbeidsprestaties die het overeengekomen totaal overschrijden worden vergoed in overeenstemming met de bepalingen van de Belgische arbeidswetgeving. Bij brief van de werkgever van 2 augustus 2007 werd de arbeidsovereenkomst verbroken met onmiddellijke ingang en wordt voor de verdere afhandeling van het ontslag verwezen naar de raadsman van Pharm-Olam.
- Op 21 december 2007 dagvaardde mevrouw W. Pharm-Olam in betaling van : een opzeggingsvergoeding van euro 91.252,15 overloon ten bedrage van euro 59.261,07 vakantiegeld hierop of euro 9.090,65 vakantiegeld einde dienst van euro 1 provisioneel een schadevergoeding wegens niet aanbieden van outplacement van euro 2.500 een schadevergoeding rechtsmisbruik van euro 10.000 bedragen te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten en de kosten. Tevens vroeg zij de afgifte van maaltijdcheques of betaling van een vervangende vergoeding en de afgifte van de aangepaste sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom. Pharm-Olam stelde op 11 maart 2008 een tegenvordering in in betaling van : terugbetaling van verzekeringspremies voor het privé voertuig van mevrouw W. van euro 2.705,91 terugbetaling van een laptop van euro 1.355,20 terugbetaling van een verkeersboete van euro
- Bij tussenvonnis van 7 februari 2008 van de arbeidsrechtbank te Leuven werd op basis van een akkoord tussen partijen Pharm-Olam veroordeeld tot een provisionele betaling van een minimum opzeggingsvergoeding van euro 24.277,56, vermeerderd met intresten op netto en tot afgifte van de sociale en fiscale documenten. Bij eindvonnis van 22 januari 2009 werd de resterende vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard in de zin dat Pharm-Olam nog veroordeeld werd tot betaling van een saldo opzeggingsvergoeding op basis van een totaal van 5 maanden of euro 47.634,76 - euro 24.277,56 = euro 23.357,20, te vermeerderen met intresten op bruto. De tegenvordering werd gegrond verklaard ten bedrage van euro 2.755,91 en de afgifte van de sociale en fiscale documenten werd bevolen overeenkomstig dit vonnis. De gerechtskosten werden bij gelijke helften omgeslagen.
- Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 16 februari 2009, tekende mevrouw W. hoger beroep aan en hernam zij haar oorspronkelijke vordering, maar vroeg zij dat de tegenvordering zou worden afgewezen als ongegrond. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel hoger beroep. Opzeggingsvergoeding.
- De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, JTT 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen ( Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153). Anders dan Pharm-Olam voorhoudt, kan bij de bepaling van de in acht te nemen opzeggingstermijn geen rekening gehouden worden met mogelijke tekorten van de werknemer aan zijn verplichtingen ( Cass., 22 juni 1977, JTT 1978,6; Cass., 23 februari 1987, JTT 1987, 265). Het onderzoek naar de wrevelpunten tussen partijen is voor dit onderdeel dan ook irrelevant en overbodig. Deze elementen kunnen ook niet ingeroepen worden als gegevens eigen aan de zaak of gegevens die verband houden met het belang van één van de partijen, omdat hierbij enkel kan gezien worden naar omstandigheden die voor de werknemer een invloed kunnen hebben op de kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden.
- Partijen hebben discussie over de samenstelling van het lopende loon dat in aanmerking moet genomen worden voor de berekening van de opzeggingsvergoeding; ze verschillen van mening over het aantal in aanmerking te nemen maaltijdcheques, over de waardering van het privaat gebruik van de firmawagen en over het eventueel loonkarakter van de onkostenvergoeding. De maaltijdcheques worden slechts toegekend per gewerkte werkdag en partijen hebben discussie of er op jaarbasis 231 ( standpunt mevrouw W.) dan wel 220 ( standpunt Pharm-Olam) moeten aangerekend worden. Mevrouw W. houdt in haar opgave geen rekening met het feit dat in artikel 9 van de arbeidsovereenkomst een arbeidsduurvermindering voorzien is d.m.v. 12 inhaalrustdagen. Aldus kan de berekening van Pharm-Olam worden bijgetreden. Het voordeel van het privaat gebruik van de firmawagen met gratis tankkaart dient te gebeuren op basis van de reële waarde, ongeacht de fiscale waardering. Mevrouw W. beschikte over een Toyota Avensis, en rekening houdend met de gratis tankkaart, kan dit voordeel worden geraamd op euro 400/maand. De onkostenvergoedingen worden gedetailleerd omschreven in artikel 5 van de arbeidsovereenkomst en deze hebben betrekking op kosten eigen aan de werkgever; ze zijn verbonden met de functie van mevrouw W. en hebben niet het karakter van een verdoken loon. Zij kunnen dan ook niet in het basisloon voor de opzeggingsvergoeding worden opgenomen. Dit basisloon kan dan ook worden begroot als volgt : vast loon euro 6.976,31 x 13,92 euro 97.110,23 maaltijdcheques euro 4,91 x 220 euro 1.080,20 hospitalisatieverzekering niet betwist euro 212,16 groepsverzekering niet betwist euro 14.217,84 privaat gebruik firmawagen euro 400 x 12 euro 4.800,00 totaal euro 117.420,43
- Mevrouw W. had op het ogenblik van het ontslag de leeftijd van 49 jaar en 8 maanden; ze had een anciënniteit van 2 jaar en 9 maanden en de functie van country manager. Rekening houdend met deze elementen kan de opzeggingsvergoeding worden geraamd op 9 maanden Zij had derhalve recht op een opzeggingsvergoeding van euro 117.420,43 x 9/12 = euro 88.065,32 - bij tussenvonnis toegekende opzeggingsvergoeding euro 24.277,65 blijft euro 63.787,67 In die mate is het hoger beroep gegrond en het incidenteel beroep ongegrond. Overloon.
- Artikel 3 van de arbeidswet van 16 maart 1971 bepaalt dat de regels in verband met overwerk en overloon niet van toepassing zijn op de door de Koning aangewezen werknemers, die een leidende functie uitoefenen of een vertrouwenspost bekleden. In het artikel 2, I, 1° en 3° van het Koninklijk Besluit van 10 februari 1965 werden deze personen o.a. aangewezen als: 1°... de personen die werkelijk gezag uitoefenen en de verantwoordelijkheid dragen voor de gehele onderneming of een belangrijke onderafdeling ervan. ... 3° de personen die onder hun verantwoordelijkheid de onderneming tegenover derden kunnen verbinden. Mevrouw W. erkent dat zij, gelet op de functieomschrijving in haar arbeidsovereenkomst, onder deze categorie hoort en dat zij aldus niet gerechtigd is om op die basis overloon te vragen. Ze verwijst echter naar bepaalde rechtspraak en rechtsleer die aanvaardt dat een leidinggevende bediende, alhoewel zij geen aanspraak kan maken op overloon volgens de arbeidswet, toch recht heeft op het gewone loon, wanneer zulks uit de overeenkomst of uit het gebruik blijkt wat uit de concrete feiten moet kunnen worden afgeleid (Arbeidsrechtbank Hasselt, 7 januari 1974, T.S.R. 1974, 501; Arbeidshof Brussel, 1 augustus 1978, Med. V.B.O. 1979, 984; Arbeidshof Brussel, 9 maart 1988, T.S.R. 1988, 442; Arbeidshof Gent, 16 maart 1992, J.T.T. 1993, 29; Arbeidshof Gent, 22 december 1993, J.T.T. 1994, 287; Arbeidshof Bergen, 23 maart 2004, J.T.T. 2004, 429 + noot M.L. Wantiez; Arbeidshof Antwerpen, 23 januari 2007,AR 2.050.289, neergelegd door mevrouw W.). In het arrest van het arbeidshof Antwerpen, afdeling Hasselt van 23 januari 2007 wordt aangehaald dat op grond van een andere rechtsbron een bijkomend loon aan personen met een leidende functie of een vertrouwenspost kan worden toegekend voor prestaties boven een bepaalde grens. Deze rechtsbron kan volgen uit de eenzijdige verbintenis van de werkgever, die kan blijken uit de door de partijen aan de bestaande overeenkomst verleende uitvoering. In dit arrest wordt op basis van officiële sociale documenten aangetoond dat de werkgever een recuperatiestelsel in verband met de overuren had ingesteld.
- Uit de stukken van partijen in dit dossier blijkt echter niet dat Pharm-Olam een onbetwistbaar recuperatiestelsel van overuren voor leidinggevenden had ingevoerd. Dit wordt zelfs uitdrukkelijk door de zaakvoerder betwist in zijn verklaring van 12 november
- Wanneer men de uitvoering van een overeenkomst inroept als bewijselement voor zijn standpunt, dan beroept men zich op een buitengerechtelijke bekentenis, die moet voldoen aan volgende voorwaarden : een éénzijdige handeling die uitgaat van degene tegen wie ze wordt ingeroepen die gebaseerd is op een geldige wilsuiting die betrekking heeft op een betwist feit van welk feit de auteur van de bekentenis persoonlijk kennis heeft. ( B. Cattoir en A. Colpaert, De bewijsrechtelijke betekenis van de uitvoering van de overeenkomst in burgerlijke zaken, R.W. 2009-10, 946-953, meer bepaald 949). Aangezien mevrouw W. de uitvoering van de overeenkomst wil inroepen tegen Pharm-Olam, moet deze uitvoering noodzakelijkerwijze inhouden dat de werkgever hierdoor de recuperatie van de overuren ten voordele van mevrouw W. heeft erkend ( vgl. Cass., 19 oktober 1944, Pas. 1945, I, 14). Uit stuk 7 van het bundel van mevrouw W. blijkt dat ze vanuit haar functie aan haar sociaal secretariaat inlichtingen gevraagd heeft over de berekening en de compensatie van overuren, omdat er daarover onduidelijkheid bestond binnen de onderneming; het is daarbij voor het hof niet duidelijk in hoeverre mevrouw W. dit gevraagd heeft voor haarzelf, dan wel om ten aanzien van de andere personeelsleden een correcte toepassing van de Belgische arbeidswet te kunnen maken. Wel blijkt uit het antwoord van het sociaal secretariaat dat deze het stelsel van de arbeidswet heeft toegelicht zonder de toepasselijkheid van de arbeidswet te bespreken. Uit artikel 9 van de arbeidsovereenkomst van mevrouw W. volgt dat de werkgever slechts voor een vergoeding van de arbeidsprestaties boven de normale arbeidsduur wenste in te staan in zoverre dit in overeenstemming is met de bepalingen van de Belgische arbeidswetgeving. Mevrouw W. betwist niet dat gelet op haar functie de regels in verband met overwerk en overloon op haar niet van toepassing zijn. Op basis van haar overeenkomst heeft ze hoe dan ook geen recht op bijkomend loon. Ze toont dan ook niet aan dat ze op grond van een andere rechtsbron recht hierop zou hebben. Een uitdrukkelijke éénzijdige handeling van de werkgever, die een duidelijke wilsuiting in die zin inhoudt, kan evenmin volgen uit het getuigenaanbod dat mevrouw W. doet, daar ze door de woorden in de mate van het mogelijke zelf aangeeft dat de zogenaamde wilsuiting van de werkgever zeer precair is en dat haar geen vaststaand recht werd toegekend. Het getuigenaanbod is dan ook niet ter zake dienend. Het hoger beroep wat betreft het overloon en het vakantiegeld hierop is dan ook ongegrond. Vakantiegeld bij uitdiensttreding.
- Op grond van artikel 46 van het K.B. van 30 maart 1967 tot de uitvoering van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie, wordt het vakantiegeld bij uitdiensttreding berekend op 15, 34% van de tijdens het lopende vakantiedienstjaar verdiende brutowedde, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met effectief gewerkte dagen gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking. Mevrouw W. verwijst voor deze berekening naar de brutowedde vermeld op de individuele rekening 2007, zijnde het bedrag van euro 64.919,
- Op het vakantieattest 2007/2008 wordt het vakantiegeld bij uitdiensttreding echter berekend op een bedrag van euro 57.756,
- Met verwijzing naar het bedrag op de individuele rekening vraagt mevrouw W. betaling van een saldo van euro 1.098,
- Mevrouw W. gaat er aan voorbij dat op de individuele rekening voor de maand augustus een bedrag van euro 16.085,24 werd in aanmerking genomen, waarin begrepen was het vervroegd enkelvoudig vakantiegeld 2007/2008 ( euro 3.429,94) en het saldo enkelvoudig vakantiegeld 2006/2007 ( euro 2.732,70); deze laatste twee posten hebben geen betrekking op de brutowedde van het lopende vakantiedienstjaar, zodat voor de maand augustus 2007 slechts rekening kan gehouden worden met euro 16.085,24 - euro 4.429,94 - euro 2.732,70 = euro 8.922,60, wat het jaarbedrag voor 2007 brengt op euro 57.756,77 Het vakantiegeld bij uitdiensttreding werd dan ook correct berekend en dit deel van het hoofdberoep is ongegrond. Schadevergoeding wegens outplacement.
- Op grond van artikel 3 van de C.A.O. 82 van de N.A.R. van 10 juli 2002 heeft de werknemer wiens arbeidsovereenkomst door de werkgever is beëindigd, recht op een outplacementbegeleiding, mits hij voldoet aan de vastgestelde voorwaarden. Op grond van artikel 7 §6 van deze C.A.O. dient de werknemer daartoe schriftelijk een verzoek in te dienen binnen een maand na het verlies van de nieuwe dienstbetrekking. In uitvoering van deze laatste bepaling, bepaalt artikel 10 van de C.A.O. van 19 september 2002, gesloten in het pair comité 218, dat de bediende hiertoe een aanvraag kan richten aan de V.Z.W. Cevora. Mevrouw W. houdt voor dat zij hierover niet geïnformeerd was bij het ontslag en zij vordert hiervoor een schadevergoeding van euro 2.
- Mevrouw W. steunt zich voor haar vordering op de regels van de contractuele aansprakelijkheid Mevrouw W. heeft aldus de bewijslast in verband met de realiteit van haar schade die in concreto moet worden aangetoond en die niet louter hypothetisch mag zijn. Op grond van artikel 4 van de C.A.O. 82 wordt onder outplacementbegeleiding verstaan : een geheel van begeleidende diensten en adviezen die in opdracht van een werkgever door een derde individueel of in groep worden verleend om een werknemer in staat te stellen binnen een zo kort mogelijke termijn een betrekking bij een nieuwe werkgever te vinden of een beroepsbezigheid als zelfstandige te ontplooien. Wanneer mevrouw W. een contractuele schadevergoeding claimt, moet zij dus niet enkel een fout, maar ook haar schade en het oorzakelijk verband bewijzen. Ongeacht de gebeurlijke toepassing van artikel 15 van de Wet van 5 september 2001 betreffende de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers, dient mevrouw W. derhalve aan te tonen hoe haar zoektocht naar een nieuwe werkgever of naar een nieuwe zelfstandige activiteit zou belemmerd zijn door het ontbreken van de gevraagde begeleiding. Mevrouw W. brengt dienaangaande geen enkel feitelijk gegeven voor en toont haar schade niet aan. Haar hoger beroep is op dit punt ongegrond. Schadevergoeding wegens rechtsmisbruik.
- Zoals van elk recht kan ook van het ontslagrecht misbruik worden gemaakt. Anders dan voor werklieden, voor wie artikel 63 van de arbeidsovereenkomstwet geldt, bestaat voor bedienden geen vergelijkbare uitdrukkelijke wetsbepaling, maar dit verhindert niet dat het misbruik van ontslagrecht kan worden ingeroepen, wanneer er een kennelijk misbruik is waarbij de regel van artikel 1134,3de lid van het Burgerlijk Wetboek ernstig wordt geschonden; op basis van deze bepaling moeten overeenkomsten te goeder trouw worden uitgevoerd. (Cfr. Cassatie, 19 september 1983, R.W. 1983-1984, 1480). Rechtsmisbruik in verband met het ontslag vloeit dan ook voort uit de uitoefening van dit recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van het ontslagrecht door een voorzichtig en bedachtzaam werkgever (Cassatie, 12 december 2005, JTT 2006, 155). De opzeggingsvergoeding heeft bovendien een forfaitair karakter en dekt de volledige schade die door het ontslag werd veroorzaakt, zowel de materiële als de morele schade ( Cass., 7 mei 2001, JTT 2001, 410). Gelet op het forfaitair karakter van de opzeggingsvergoeding kan een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht slechts worden toegekend voor andere schade dan deze die voortvloeit uit het verlies van de dienstbetrekking, m.a.w. voor schade die niet veroorzaakt is door het ontslag zelf, maar door met het ontslag gepaard gaande omstandigheden (Cass., 26 september 2005, Soc. Kron. 2006, 69).
- Uit de toelichtingen van partijen kan afgeleid worden dat bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst het onderling vertrouwen weg was; in die omstandigheden maakt de werkgever geen kennelijk misbruik van zijn ontslagrecht door de verbreking van de arbeidsovereenkomst vast te stellen. Bovendien brengt mevrouw W. geen bewijs van bijkomende schade die niet zou veroorzaakt zijn door het ontslag, maar door met het ontslag gepaard gaande omstandigheden. Ook op dit punt is het hoger beroep ongegrond. Intresten.
- Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen bepaalt dat de rente ingevolge de loonbeschermingswet berekend wordt op het loon vooraleer de in artikel 23 van deze wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht, maar deze bepaling kon volgens artikel 90 § 1 van de wet van 26 juni 2002 slechts in werking treden op een door de Koning te bepalen datum, wat gebeurde door de artikelen 1 en 2 van het K.B. van 3 juli 2005 ( inwerkingtreding op 1 juli 2005 op de lonen waarvan de betaling inging vanaf die datum). Door de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008) werd het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 bekrachtigd. Hieruit volgt dat de intresten op de toegekende bedragen kunnen berekend worden op de brutobedragen, daar de tewerkstelling beëindigd werd op 22 augustus 2007, zijnde na 1 juli
- Op de prejudiciële vraag, gesteld door het Arbeidshof Gent in zijn arrest van 27 juni 2008 heeft het Grondwettelijk Hof in zijn arrest 48/2009 van 11 maart 2009 inmiddels ontkennend geantwoord, zodat er geen schending van het gelijkheidsbeginsel weerhouden werd. (zie ook Gr. H. 86/2009 van 14 mei 2009 en Gr. H. 06/2010 van 4 februari 2010) Het incidenteel beroep is op dit punt ongegrond. Bovendien werden in het akkoordvonnis van 7 februari 2008 de intresten toegekend op netto; hiertegen is geen hoger beroep, wat gelet op het akkoord ook niet zou kunnen, zodat het hof voor deze veroordeling geen brutobedragen kan toekennen.
- Mevrouw W. heeft recht op de afgifte van de door haar gevraagde sociale en fiscale documenten. Deze documenten zullen verwijzen naar de hierboven weerhouden bedragen. Er is geen reden om dit op te leggen onder verbeurte van een dwangsom, daar mag verwacht worden dat de Pharm-Olam zich op de gebruikelijke wijze van deze verplichting zal kwijten. Terugbetaling verzekeringspremies
- Pharm-Olam stelde een tegenvordering in tot terugbetaling van de verzekeringspremies voor de rechtsbijstand van het privaat voertuig van mevrouw W.. Mevrouw W. had de beschikking over een bedrijfswagen Toyota Avensis met nummerplaat SSP971, waarvoor Pharm-Olam alle verzekeringspremies met inbegrip van een omniumverzekering betaalde. Terecht stelt Pharm-Olam dat er geen enkele reden is waarom zij dan nog eens de verzekeringspremie rechtsbijstand voor het privaat voertuig van mevrouw W. met nummerplaat STM213 zou ten laste nemen. Mevrouw W. houdt voor dat dit als tegenprestatie was van het feit dat zij met haar lichte vrachtwagen de kantoormeubelen van de firma verhuisd had. Een dergelijke afspraak wordt door Pharm-Olam betwist en mevrouw W. brengt hiervan geen afdoende bewijs.
- Mevrouw W. wijst er wel terecht op de dat de kwitanties van de verzekeringsmaatschappij DAS niet enkel betrekking hebben op de rechtsbijstand voor deze lichte vrachtwagen, maar ook voor andere verzekeringswaarborgen ( zie de kwitanties door Pharm-Olam voorgebracht onder haar stukken 13 -17) Uit het schrijven van de makelaar van 24 december 2007 kan afgeleid worden dat de waarborg rechtsbijstand voor de lichte vrachtwagen resulteerde in een premie van aanvankelijk euro 54( 2004 en 2005 ) en in 2006 van euro 45,75 of in totaal euro 135,
- In die mate is het hoger beroep gegrond. Wat betreft de terugbetaling van de laptop aanvaardt Pharm-Olam het vonnis van de eerste rechter. Terugbetaling boete
- Pharm-Olam toont met haar stuk 19 aan dat zij op 10 oktober 2007 een boete voor mevrouw W. betaald heeft. Mevrouw W. betwist de overtreding niet, daar zij op 6 mei 2008 eveneens dezelfde boete betaald heeft. Deze tweede betaling was onverschuldigd, gelet op de eerdere betaling door de werkgever, zodat mevrouw W. dit onverschuldigde bedrag zal terug bekomen hebben of dient terug te vorderen. Zij dient op grond van artikel 8 van haar arbeidsovereenkomst deze boete aan de werkgever te voldoen. Hierin wordt uitdrukkelijk gestipuleerd dat de boetes ten laste van de werknemer zijn. Op dit punt is haar hoger beroep eveneens ongegrond. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende, Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en in hierna bepaalde mate gegrond; Veroordeelt de bvba Pharm-Olam International Belgium tot betaling aan mevrouw W. van een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 88.065,32 - euro 24.277,65 = euro 63.787,67, te vermeerderen met wettelijke intrest vanaf 22 augustus 2007 en de gerechtelijke intresten op bruto. Veroordeelt de bvba Pharm-Olam International Belgium tot afgifte aan mevrouw W. van de met dit bedrag overeenstemmende sociale en fiscale bescheiden, te weten een verbeterde loonfiche augustus 2007, een individuele rekening 2007 en fiscale fiche. Veroordeelt mevrouw W. tot terugbetaling aan de bvba Pharm-Olam International Belgium van de bedragen van euro 135,75 + euro 50 = euro 185,75, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 11 maart
- Wijst het meergevorderde af. Compenseert de gerechtskosten en veroordeelt elk van de partijen tot betaling van de gerechtskosten van de andere partij, deze aan de zijde van mevrouw W. begroot op dagvaarding euro 149,70 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg basisbedrag euro 5.000,00 rechtsplegingsvergoeding beroep basisbedrag euro 5.000,00 totaal euro 10.149,70 en aan de zijde van de bvba Pharm-Olam International Belgium begroot op rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg basisbedrag euro 5.000,00 rechtsplegingsvergoeding beroep basisbedrag euro 5.000,00 totaal euro 10.000,00 Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel als volgt samengesteld : De Heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw S. ALAERTS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, Mevrouw B. MUSSCHE, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS, L. LENAERTS, S. ALAERTS. B. MUSSCHE. Mevrouw B. MUSSCHE die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen verkeert in de onmogelijkheid om te ondertekenen. Overeenkomstig het artikel 785 van het Gerechtelijk Wetboek wordt het arrest getekend door de Heer L. LENAERTS en Mevrouw S. ALAERTS. L. HERREGODTS, Griffier. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 19 februari 2010 door de Heer L. LENAERTS, bijgestaan door mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS, L. LENAERTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100319.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div