← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100401.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 01 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100401.11 Rolnummer: 2008/AB/051578 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-10-13 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-01 12:35 Fiche Waneer de directeur van het gewestelijk werkloosheidsbureau overgaat tot uitsluiting van een werkloze van het recht op uitkeringen, dient hij aan te tonen dat de werkloze werkelijk geweigerd heeft deel te nemen aan een begeleidingsplan of een inschakelingsparcours. Een zorgvuldige bewijsvoering is des te meer noodzakelijk vermits de sanctie die opgelegd wordt inhoudt dat de werkloze voor onbepaalde duur wordt uitgesloten van het recht op werkloosheidsuitkeringen, en dit recht enkel opnieuw kan verwerven door het realiseren van een belangrijk aantal arbeidsdagen, die zich moeten situeren na de beslissing van uitsluiting. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden - Beschikbaarheid arbeidsmarkt Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID - Sociale zekerheid - Werkloosheidsreglementering - KB van 25/11/1991, art. 52 - Uitsluiting ingevolge de weigering mee te werken aan een begeleidingstraject. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 52 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN EEN APRIL TWEEDUIZEND EN TIEN. 7e KAMER not. art. 580, 2°, Ger. W. werkloosheidsuitkering tegenspraak definitief in de zaak met AR-nummer 2008/AB/51.578: B. E., appellant, die ter openbare terechtzitting in persoon verschijnt, tegen : RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester P. Quadflieg loco meester E. De Bock, advocaat te Vilvoorde en in de zaak met AR nummer 2008/AB/51.579: B. E., appellant, die ter openbare terechtzitting in persoon verschijnt, tegen : RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester P. Quadflieg loco meester E. De Bock, advocaat te Vilvoorde * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit: Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken: -de eensluidende afschriften van de bestreden vonnissen van 27 oktober 2008 van de dertigste kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel, -de verzoekschriften tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 4 december 2008; -de conclusies; -de stukken; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 11 februari 2010, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 17 februari 2010 zijn schriftelijk advies ter griffie neergelegd. Er werd een repliektermijn voorzien tot 4 maart 2010, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden. * * * * I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

  1. De heer B., die sinds geruime tijd werkloos was, volgde vanaf 26 juni 2006 een oriëntatieweek bij de VDAB. Bij de afloop van deze week zou hem een trajectbepaling voorgesteld zijn, die hij zou geweigerd hebben te ondertekenen. Bij schrijven van 3 juli 2006 bracht de VDAB de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening daarvan op de hoogte. De VDAB schreef: " Betrokkene weigerde positief mee te werken aan voorgestelde actie. Klant wenst niet in te gaan op een begeleidingsaanbod naar werk van de VDAB." De heer B. werd gehoord in zijn verweermiddelen op 7 augustus
  2. Daar hield hij voor dat hem niets concreets was voorgesteld in het kader van een trajectbegeleiding of begeleidingsplan en dat hij nooit geweigerd had in te gaan op een begeleidingsaanbod. Bij beslissing van 30 augustus 2006 werd hij door de directeur van het werkloosheidsbureau vanaf 24 juli 2006 voor onbepaalde duur uitgesloten van het recht op werkloosheidsuitkeringen.
  3. Op 26 februari 2007 diende de heer B., die gewerkt had in de periode van 18 januari 2007 tot 25 februari 2007, een nieuwe aanvraag in tot het bekomen van werkloosheidsuitkeringen. Bij beslissing van 11 april 2007 werd deze aanvraag geweigerd omdat de heer B. onvoldoende arbeidsdagen had om in aanmerking te komen voor werkloosheidsuitkeringen, dit gelet op zijn uitsluiting op het recht op uitkeringen vanaf 24 juli
  4. Bij verzoekschrift van 28 november 2006 tekende de heer B. beroep aan tegen de beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van 13 augustus
  5. Bij verzoekschrift van 9 juli 2007 tekende hij het beroep aan tegen de beslissing van 11 april
  6. Bij twee onderscheiden vonnissen van 27 oktober 2008, ter kennis gebracht op 8 november 2008, wees de arbeidsrechtbank te Brussel de heer B. af van beide vorderingen.
  7. Bij verzoekschriften van 4 december 2008 tekende de heer B. hoger beroep aan tegen beide vonnissen. II. DE ONTVANKELIJKHEID. De hogere beroepen zijn regelmatig naar de vorm. Ze zijn ingesteld binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden vonnissen en zijn aldus tijdig ingesteld. De hogere beroepen zijn ontvankelijk. III. SAMENVOEGING. De beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van 11 april 2007, waarbij de nieuwe aanvraag voor werkloosheidsuitkeringen van de heer B. geweigerd werd, steunt in essentie op de beslissing van 30 augustus
  8. Het is in het belang van een goede rechtsbedeling om beide vorderingen samen te voegen, teneinde ook in beide zaken rekening te kunnen houden met alle neergelegde stukken en besluiten. IV. BEOORDELING.
  9. De beslissing van 30 augustus
  10. De heer B. houdt voor dat hij, in tegenstelling met hetgeen in de beslissing wordt vermeld, nooit geweigerd heeft in te gaan op een begeleidingsaanbod. Volgens hem werd hem ook nooit een concreet aanbod gedaan, en werd hem ook geen begeleidingstraject ter ondertekening voorgelegd. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van zijn kant houdt voor dat uit de inlichtingen, verstrekt door de VDAB voldoende blijkt dat de heer B. geweigerd heeft mee te werken aan enige vorm van begeleiding.
  11. Overeenkomstig artikel 44 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (verder genoemd het werkloosheidsbesluit) dient te werkloze, om te kunnen genieten van uitkeringen, zonder arbeid en zonder loon te zijn en dit wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil. Overeenkomstig art. 51 § 1, tweede lid van het werkloosheidsbesluit wordt onder werkloosheid wegens omstandigheden afhankelijk van de wil van de werknemer onder meer verstaan de weigering van de werkloze deel te nemen aan een begeleidingsplan of inschakelingsparcours, hem voorgesteld door de bevoegde dienst voor arbeidsbemiddeling of beroepsopleiding. Overeenkomstig artikel 52 bis § 2 van het werkloosheidsbesluit kan de werknemer het recht op uitkeringen verliezen indien hij werkloos is of wordt als gevolg van de weigering deel te nemen aan een begeleidingsplan of inschakelingparcours in de zin van artikel 51 § 1, tweede lid, 5°.
  12. Wanneer de directeur van het gewestelijk werkloosheidsbureau wenst over te gaan tot uitsluiting van de werkloze op het recht op uitkeringen dient hij aan te tonen dat aan de voorwaarde tot uitsluiting van het recht op uitkeringen voldaan is. Concreet betekent dit dat de directeur voldoende dient aan te tonen dat de werkloze werkelijk geweigerd heeft deel te nemen aan een begeleidingsplan of een inschakelingsparcours. Een zorgvuldige bewijsvoering is des te meer noodzakelijk indien, zoals in deze zaak, de sanctie die opgelegd wordt zeer verregaand is vermits de werkloze voor onbepaalde duur wordt uitgesloten op het recht op werkloosheidsuitkeringen, en het recht op werkloosheidsuitkeringen enkel opnieuw kan verwerven door het realiseren van een belangrijk aantal arbeidsdagen, die zich moeten situeren na de beslissing van uitsluiting. (In casu diende de heer B. 468 arbeidsdagen te bewijzen in de loop van de 27 maanden vóór zijn nieuwe uitkeringsaanvraag.)
  13. De heer B. heeft bij zijn verhoor door de directeur van het werkloosheidsbureau betwist dat hem door de VDAB een concreet begeleidingsplan of begeleidingstraject werd voorgesteld. Ingevolge dit verweer heeft de directeur van het werkloosheidsbureau bij schrijven van 7 augustus 2006 de bevoegde dienst van de VDAB ondervraagd. Meer bepaald werd gevraagd welke concrete acties aan de heer B. werden voorgesteld, en op welk begeleidingsaanbod hij niet inging. Er werd ook gevraagd naar de kopie van de overeenkomst. In het antwoord van de VDAB wordt gesteld dat de heer B. tijdens zijn individueel gesprek weigerde de trajectbepaling te ondertekenen en weigerde in te gaan op het begeleidingaanbod naar werk door de VDAB zelf. Als gevolg daarvan zou geen trajectbepaling zijn opgesteld. Een trajectovereenkomst werd, aldus dit antwoord, niet opgesteld of ondertekend omdat de begeleiding niet gestart werd. Er werd bij dit schrijven geen document, en met name geen "trajectbepaling" gevoegd die aan de heer B. ter ondertekening zou voorgelegd zijn. Een dergelijk document werd ook later niet voorgelegd, ondanks de herhaalde vraag van de heer B..
  14. Het hof wordt derhalve geconfronteerd met twee tegenstrijdige verklaringen - deze van de VDAB en deze van de heer B. - zonder dat met zekerheid uit te maken is welke verklaring met de werkelijkheid overeenstemt. Gelet op deze tegenstrijdige verklaringen is onvoldoende bewezen dat de heer B. zou geweigerd hebben een begeleidingsplan of inschakelingsparcours te volgen. De VDAB had, wanneer zij geconfronteerd werd met een weigerende houding van de heer B., deze een duidelijk document moeten laten ondertekenen, waarin hij bevestigde dat hij het voorgestelde plan of inschakelingsparcours weigerde. Indien de heer B. zou geweigerd hebben om een dergelijk document te ondertekenen had hem dit aangetekend kunnen toegezonden worden. Ten overvloede wijst het hof er nog op dat, in het kader van een zorgvuldig bestuur, de directeur van het werkloosheidsbureau, geconfronteerd met de verklaring van de heer B. dat hij nooit geweigerd had een begeleidingsplan of inschakelingsparcours te ondertekenen, het initiatief had kunnen nemen om de heer B. terug te zenden naar de VDAB met het oog op de ondertekening van een begeleidingsplan of inschakelingsparcours. Evenzeer zou het kaderen in een behoorlijk bestuur dat, vooraleer een dergelijke belangrijke sanctie genomen wordt als de uitsluiting uit het recht op werkloosheidsuitkeringen voor onbepaalde duur, de werkloze gewezen wordt op de belangrijke gevolgen van zijn weigering.
  15. De bestreden beslissing dient dan ook vernietigd te worden en de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dient veroordeeld te worden tot de werkloosheidsuitkeringen, waarop de heer B. aanspraak had kunnen maken zonder de vernietigde beslissing, te verhogen met de gevorderde moratoire intresten vanaf het inleidend verzoekschrift.
  16. De beslissing van 11 april
  17. De beslissing van 11 april 2007 om de heer B. het recht op werkloosheidsuitkeringen te weigeren na een nieuwe aanvraag, volgend op een tewerkstelling, steunt essentieel op de vernietigde administratieve beslissing van 30 augustus 2006, en het feit dat de heer B., na zijn uitsluiting, opnieuw een voldoende aantal dagen van effectieve arbeid diende te bewijzen, te weten 468 arbeidsdagen in een referteperiode van 27 maanden, arbeidsdagen die zich dienen te situeren na het feit dat aanleiding heeft gegeven tot uitsluiting (artikel 52 bis § 2, lid 3 en 4 van het werkloosheidsbesluit). De vernietiging van de beslissing van 30 augustus 2006 houdt dan ook noodzakelijk de vernietiging in van de beslissing van 11 april
  18. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dient veroordeeld te worden tot de werkloosheidsuitkeringen, waarop de heer B. aanspraak had kunnen maken vanaf zijn nieuwe werkloosheidsaanvraag, te vermeerderen met de gevorderde moratoire intresten, en beperkt tot de dagen waarop de heer B. zonder loon en zonder arbeid is geweest.
  19. De kosten. De heer B. vordert de veroordeling van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tot terugbetaling van de kosten van een aantal aangetekende zendingen. Geen enkele wettelijke bepaling voorziet echter in het recht op terugbetaling van deze kosten. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean-Jacques André, advocaat-generaal, Voegt de zaken ingeschreven onder algemene rol nummer 2008/AB/51.579 en 2008/AB/51.578 samen. Verklaart de beide beroepen ontvankelijk en gegrond. Hervormt de bestreden vonnissen Vernietig de administratieve bestreden beslissingen van 30 augustus 2006 en 11 april 2007 en veroordeelt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tot betaling van de wettelijke werkloosheidsuitkeringen waarop de heer B. aanspraak kan maken, te vermeerderen met de gevorderde moratoire intresten vanaf de neerlegging van de verzoekschriften. Veroordeelt, overeenkomstig artikel 1017 al.2 van het Gerechtelijk Wetboek, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tot de kosten van beide aanleggen, niet begroot tot op heden in hoofde van de heer B.. Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: F. Kenis, raadsheer, voorzitter; S. Alaerts, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; H. Silon, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; S. Van der hoeven, griffier. F. Kenis S. Van der hoeven H. Silon S. Alaerts Mevrouw S. Alaerts, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen. Overeenkomstig artikel 785 Gerechtelijk Wetboek wordt het arrest ondertekend door F. Kenis, raadsheer, voorzitter, en H. Silon, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-arbeider. S. Van der hoeven, griffier. en uitgesproken op de openbare terechtzitting van een april tweeduizend en tien van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel door: F. Kenis raadsheer, voorzitter Bijgestaan door S. Van der hoeven, griffier. F. Kenis S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100401.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.