id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 22 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100422.16 Rolnummer: 49.708 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-06-01 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-01 12:42 Fiche Overeenkomstig artikel 241 van het KB van 3 juli 1996, tot uitvoering van de gecoördineerde ziektewet, kan de gerechtigde aanspraak maken op de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid wanneer hij recht heeft op één van de in artikel 103 § 1 van de wet opgesomde voordelen, in afwachting dat hij één van die voordelen ontvangt, op voorwaarde dat hij zijn verzekeringsinstelling inlicht over 1e elk gegeven waardoor zijn recht kan worden uitgemaakt; 2e elke ingestelde vordering of andere procedure ter verkrijging van het voordeel. Hieruit volgt dat de uitkeringen niet verschuldigd zijn wanneer aan het gestelde in artikel 241 niet is voldaan en verder dat als een prestatie ten onrechte wordt verleend ingevolge een niet bedrieglijk verzuim om de verzekeringsinstelling in te lichten over een ingestelde procedure, de verzekeringsinstelling onmiddellijk recht heeft op de terugbetaling ervan waaruit dan weer opnieuw volgt dat de verjaring intreedt twee jaar na de onverschuldigde betaling en niet op het later gelegen ogenblik waarop de gerechtigde betaling ontvangt van een van de in artikel 103 § 1 van de ziektewet opgesomde voordelen. De verzekeringsinstelling kan zich niet beroepen op art. 2257 BW ('actiones non natae non praescribuntur') aangezien de vordering van de verzekeringsinstelling niet afhangt van een voorwaarde. De verzekeringsinstelling kan zich evenmin beroepen op een de onmogelijkheid waarin zij verkeert haar vordering in te stellen aangezien geen wettelijk beletsel voorhanden is. De onwetendheid over het onverschuldigd karakter van de uitkering vormt immers geen wettelijk beletsel tot het instellen van de vordering. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Controle - geschillen - Verjaring Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - onverschuldigde betaling - verjaring van de vordering tot terugvordering - aanvang van de termijn. Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - 174 1e alin., 5e - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN TIEN. 7e KAMER not. art. 580, 2°, Ger. W. ziekte- en invaliditeitsverzekering tegenspraak definitief In de zaak : LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, erkende ziekteverzekeringsinstelling, met zetel te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579, postbus 40, appellant, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester J. Van Hoof, advocaat te Leuven, tegen : S. I. geïntimeerde, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester Y. Regimont, advocaat te Landen. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit: Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken: -het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van 28 februari 2007 van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Leuven, -het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 3 april 2007; -de neergelegde conclusies; -de voorgelegde stukken; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 4 maart 2010, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 11 maart 2010 zijn schriftelijk advies ter griffie neergelegd. Er werd een repliektermijn tot 25 maart 2010 voorzien, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden. * * * * I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
- Mevrouw S. werd door de adviserend geneesheer van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten arbeidsongeschikt verklaard in de periode van 14 oktober 2001 tot 11 augustus
- Mevrouw S. was werkneemster bij de NV Sabena, die op 10 november 2001 failliet werd verklaard. Mevrouw S. heeft in het faillissement van de NV Sabena een schuldvordering ingediend voor achterstallig loon en voor een verbrekingsvergoeding. Een tussenkomst werd gevraagd van het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen. Het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen heeft aan mevrouw S. tussenkomsten verleend op 24 december 2001 en 22 augustus
- Zoals blijkt uit de stukken van het dossier, en zoals bevestigd werd ter zitting, had de eerste tussenkomst betrekking op achterstallige lonen en de tweede tussenkomst op een verbrekingsvergoeding. Mevrouw S. heeft de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten niet ingelicht over de ontvangen verbrekingsvergoeding.
- Bij schrijven van 28 februari 2005 heeft de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten bij mevrouw S. de uitkeringen teruggevorderd die zij betaald had voor de periode van 10 november 2001 tot en met 9 mei 2002, omdat zij voor deze periode een verbrekingsvergoeding ontvangen had, die zij niet kon cumuleren met arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Het ging om een bedrag van 7.297,40 euro . Bij verzoekschrift van 10 mei 2005 heeft mevrouw S. deze beslissing betwist voor de arbeidsrechtbank te Leuven. Bij vonnis van 28 februari 2007, ter kennis gebracht op 7 maart 2007, heeft de arbeidsrechtbank te Leuven de vordering van mevrouw S. gegrond verklaard en geoordeeld dat de terugvordering van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten verjaard was.
- Bij verzoekschrift van 3 april 2007 heeft de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingesteld binnen de maand na de kennisgeving van het bestreden vonnis en is aldus tijdig ingesteld. Het beroep is ontvankelijk. III. BEOORDELING.
- De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten is van oordeel dat de eerste rechter ten onrechte de vordering verjaard verklaard heeft. Zij is van oordeel dat de verjaring pas is beginnen lopen op het ogenblik dat mevrouw S. effectief een verbrekingsvergoeding ontvangen heeft, dit wilt zeggen op 22 augustus 2003, zodanig dat de vordering ingeleid werd binnen de verjaringstermijn van twee jaar. Zij stelt dat toepassing dient gemaakt te worden van artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek dat stelt dat de verjaring niet loopt ten aanzien van een schuldvordering die van een voorwaarde afhangt, zolang deze voorwaarden zich niet realiseerde. De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten stelt verder dat zij zich in een situatie van overmacht bevond. Vermits mevrouw S. haar niet geïnformeerd had over de vordering waarover zij beschikte ten aanzien van de werkgever, het inleiden van deze vordering en het resultaat daarvan, kon zij onmogelijk binnen de verjaringstermijn geïnformeerd zijn over het feit dat de door haar verrichte betaling onverschuldigd was geworden. In ondergeschikte orde roept de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten in dat in ieder geval toepassing dient gemaakt te worden van de vijfjarige verjaring omdat mevrouw S. zich schuldig gemaakt heeft aan bedrieglijke handelingen door het verzwijgen van het feit dat zij een verbrekingsvergoeding ontving. Mevrouw S. vraagt de bevestiging van het vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven. Zij betwist dat er ooit sprake geweest is van een frauduleuze handelswijze in haren hoofde. In ondergeschikte orde stelt zij dat, indien het hof het vonnis van de eerste rechter zou hervormen, de terugvordering in ieder geval dient herleid te worden tot de nettobedragen van de uitkeringen en dat haar ruime afbetalingsfaciliteiten dienen toegekend te worden.
- Overeenkomstig artikel 103 § 1, 3° van de gecoördineerde ziektewetten van 14 juli 1994 kan de werknemer geen aanspraak maken op uitkeringen voor de periode waarop hij aanspraak kan maken op een vergoeding, welke verschuldigd is naar aanleiding van de onrechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Overeenkomstig artikel 103 § 2 kan de Koning, in afwijking van het bepaalde in § 1, onder de voorwaarden die hij vaststelt, toelaten dat de werknemer uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid geniet wanneer hij recht heeft op één van de in § 1 opgesomde voordelen of in afwachting dat hij één van die voordelen ontvangt. Overeenkomstig artikel 241 van het Koninklijk Besluit van 3 juli 1996, tot uitvoering van de gecoördineerde ziektewet, kan de gerechtigde aanspraak maken op de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid, wanneer hij recht heeft op één van de in artikel 103 § 1 van de wet opgesomde voordelen, in afwachting dat hij één van die voordelen ontvangt, op voorwaarde dat hij zijn verzekeringsinstelling inlicht over 1° elk gegeven waardoor zijn recht kan worden uitgemaakt; 2° elke ingestelde vordering of andere procedure ter verkrijging van het voordeel. Overeenkomstig artikel 174,1e al., 5° van de gecoördineerde ziektewet verjaart de vordering tot terugvordering van de waarde van de ten laste van de uitkeringsverzekering ten onrechte verleende prestaties twee jaar na het einde van de maand waarin de prestaties zijn betaald. Overeenkomstig artikel 174, 3e al. van de wet geldt de in al. 1, 5° van de wet voorziene termijn niet indien het ten onrechte verlenen van prestaties het gevolg is van bedrieglijke handelingen, waarvoor hij, wie ze tot baat strekten, verantwoordelijk is. In dat geval bedraagt de verjaringstermijn vijf jaar.
- Uit de samenhang van de geciteerde bepalingen volgt dat de uitkeringen gedaan aan een verzekerde niet verschuldigd zijn als aan het gestelde in het genoemde artikel 241 niet is voldaan (Cass. 4.01.1993, J.T.T. 1993, 77). Daaruit volgt verder dat, als een prestatie ten onrechte wordt verleend ingevolge een niet bedrieglijk verzuim om de verzekeringsinstelling in te lichten over een ingestelde procedure de verzekeringsinstelling onmiddellijk recht heeft op de terugbetaling ervan en de verjaring van die vordering in de regel intreedt twee jaar na de onverschuldigde betaling (Cass. 4.01.1993, J.T.T.1993,77). Ten onrechte wordt door de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten verwezen naar de bepaling van art. 2257 van het Burgerlijk Wetboek en de regel "actiones non natae, non praescribuntur". De vordering van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten hing niet van een voorwaarde af - de realisatie van een dubbele betaling -, maar bestond ab initio vermits de prestaties niet werden toegekend in toepassing van artikel 103 § 2 van de wet en art. 241 van het Koninklijk Besluit, maar precies met miskenning van deze bepalingen. De onwetendheid over het onverschuldigd karakter van de uitkering vormt anderzijds geen wettelijk beletsel tot het instellen van de vordering. (Cass. 16.06.1972, Arr.Cass.1972, 969; Cass. 2.01.1969, RW 1698-1969, 1375, met noot J. Dabin; Vincent Sagaert, "De verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling", R.W. 2000-2001, p. 259); I. Claeys, "Opeisbaarheid, kennisname en schadeverwekkend feit als vertrekpunt van de verjaring", in "Verjaring in Privaatrecht", Kluwer 2005, p.49). De regel "contra non valentem agere, non currit praescriptio" (de verjaring loop niet tegen hem die niet geldig zijn vordering kan uitoefenen) kan volgens een constante rechtspraak en rechtsleer in België slechts toegepast worden, wanneer de houder van het recht, dat dreigt te verjaren, in de onmogelijkheid verkeert om zijn rechtsvordering in te stellen ingevolge een wettelijk beletsel, wat in casu niet het geval is. De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten kan zich ook niet beroepen op een situatie van overmacht: zij verkeerde niet in de absolute onmogelijkheid om te weten dat er in hoofde van mevrouw S. een ongerechtvaardigde cumul was ontstaan van arbeidsongeschiktheids-uitkeringen met een verbrekingsvergoeding. Weliswaar kan met de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten aangenomen worden dat het vaak moeilijk zal zijn om een niet toegelaten cumul met een verbrekingsvergoeding tijdig vast te stellen en dat het onlogisch is dat de verjaringstermijn, ten aanzien van de verzekerde die zijn verplichtingen wel naleeft, pas zal beginnen lopen op het moment van de ongerechtvaardigde cumul, terwijl de verjaringstermijn ten aanzien van de verzekerde die de wettelijke verplichtingen niet nakomt, onmiddellijk begint te lopen. Dit is echter een situatie die door de wetgever moet opgelost worden.
- Samen met de eerste rechter oordeelt het hof dat in deze betwisting geen toepassing kan gemaakt worden van de verlengde verjaringstermijn van 5 jaar. Geen enkele bedrieglijke handeling wordt in hoofde van mevrouw S. aangetoond. De omstandigheid dat mevrouw S. in gebreke gebleven is de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten in kennis te stellen van de ingestelde vordering, kan uitgelegd worden door een onvoldoende kennis van haar wettelijke verplichtingen, waarbij in deze zaak het bijzondere van de situatie is dat de verbreking van de arbeidsovereenkomst gebeurde tijdens een periode van erkende arbeidsongeschiktheid. Verder dient er rekening mee gehouden te worden dat op het ogenblik dat mevrouw S. de verbrekingsvergoeding ontving, er reeds meer dan een jaar een einde gekomen was aan haar erkenning in de ziekteverzekering, zodat zij op dat ogenblik wellicht niet meer gedacht heeft aan een mogelijk verboden cumul.
- De verjaring was aldus ingetreden op het ogenblik van het eerste aangetekend schrijven van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten. Het hoger beroep is dan ook ongegrond. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean-Jacques André, advocaat-generaal, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis. Veroordeelt, overeenkomstig artikel 1017 al.2 van het Gerechtelijk Wetboek, de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten tot de kosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van mevrouw S. op 145,78 euro . Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: F. Kenis, raadsheer, voorzitter; S. Alaerts, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; H. Silon, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; S. Van der hoeven, griffier. F. Kenis S. Van der hoeven H. Silon S. Alaerts en uitgesproken op de openbare terechtzitting van tweeëntwintig april tweeduizend en tien van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel door: F. Kenis raadsheer, voorzitter Bijgestaan door S. Van der hoeven, griffier. F. Kenis S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100422.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div