← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100422.18

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 22 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100422.18 Rolnummer: 2008/AB/051667 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Overige Invoerdatum: 2010-08-26 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-01 12:41 Fiches 1 - 2 De inbreng van een attest van kennis van bedrijfsbeheer in een onderneming houdt de verplichting in om het dagelijks beheer van de onderneming op zich te nemen. De werkloze, die aanvaardt een dergelijk attest in te brengen, kan dan ook niet voorhouden zonder arbeid te zijn, ook indien het om een vriendendienst gaat en hij geen vergoeding ontvangt. Rekening houdend met de beperkte omvang van de onderneming, kan echter aangenomen worden dat de activiteit maar beperkt wordt uitgeoefend, zodat toepassing kan gemaakt worden van art. 169, al. 3 van het werkloosheidsbesluit om de uitsluiting te beperken. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden - Afwezigheid arbeid Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID - Zonder arbeid zijn - Omvang van de terugvordering. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 44 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder V A N art.

  1. Eveneens gerangschikt onder V A N art. 269bis. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Procedure - Terugvordering Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID - Zonder arbeid zijn - Omvang van de terugvordering. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 169,al.3 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder V A N art. 269bis. Eveneens gerangschikt onder V A N art.
  2. Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN TIEN. 7e KAMER not. art. 580, 2°, Ger. W. werkloosheidsuitkering tegenspraak definitief In de zaak : F.M. , wonende te [xxx], appellante, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester V. Stroobants loco meester V. Simeons, advocaat te Brussel tegen : RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, die ter openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester P. Quadflieg loco meester E. De Bock, advocaat te Vilvoorde. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit: Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken: -het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van 1 december 2008 van de dertigste kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel, -het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 30 december 2008; -de neergelegde conclusies; -de voorgelegde stukken; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 4 maart 2010, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 11 maart 2010 zijn schriftelijk advies ter griffie neergelegd. Er werd een repliektermijn tot 25 maart 2010 voorzien, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden. * * * * I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
  3. Mevrouw F.M. werkte als werkneemster fulltime tot 8 september 2005, ogenblik waarop zij werkloos werd tot 25 februari
  4. Daarnaast was zij in de periode van de 23 januari 2004 tot 22 september 2006 ingeschreven als zelfstandige voor een nevenactiviteit in de transportsector. Zij betaalde voor deze nevenactiviteit, die niet bezoldigd was, geen effectieve sociale zekerheidsbijdragen in het statuut van de zelfstandigen.
  5. Bij beslissing van 10 april 2008 heeft de directeur van het werkloosheidsbureau te Vilvoorde mevrouw F.M. uitgesloten uit het recht op uitkeringen voor de periode van 8 september 2005 tot 25 februari 2006 omdat zij in die periode een activiteit voor zichzelf had verricht die kon ingeschakeld worden in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten. De terugvordering van de ten onrechte genoten uitkeringen werd opgelegd en mevrouw F.M. werd verder uitgesloten van het recht op werkloosheidsuitkeringen in toepassing van artikel 154 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 op de werkloosheidsuitkeringen (verder het werkloosheidsbesluit) gedurende een periode van 13 weken.
  6. Bij verzoekschrift van 2 juli 2008 heeft mevrouw F.M. deze beslissing betwist voor de arbeidsrechtbank te Brussel. Bij vonnis van 1 december 2008, ter kennis gebracht op 8 december 2008, heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de vordering als ongegrond afgewezen.
  7. Bij verzoekschrift van 30 december 2008 heeft mevrouw F.M. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingesteld binnen de maand na de kennisgeving van het bestreden vonnis en is aldus tijdig ingesteld. Het beroep is ontvankelijk. III. BEOORDELING.
  8. Mevrouw F.M. houdt voor dat, in tegenstelling met hetgeen de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en de eerste rechter aannemen, zij nooit daadwerkelijk een activiteit als zelfstandige in de vervoersector heeft uitgeoefend. Zij zet uiteen dat de activiteit, waarover het ging, een activiteit was die volledig en uitsluitend door haar broer uitgeoefend werd en dat zij slechts bij de onderneming betrokken was omdat zij beschikte over het vereiste attest van bedrijfsbeheer. Zij zou echter in deze onderneming geen daadwerkelijke activiteit uitgeoefend hebben. Zij legt daarvoor een aantal attesten voor. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening stelt dat de omstandigheid dat mevrouw F.M. geen inkomsten zou gehaald hebben uit haar activiteit, onvoldoende is om de beslissing te betwisten vermits mevrouw F.M. door de inbreng van haar bekwaamheid in het bedrijfsbeheer daadwerkelijke deelgenomen zou hebben aan de uitbating van de onderneming van haar broer.
  9. Overeenkomstig artikel 44 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 op de werkloosheidsuitkeringen dient te werkloze, om uitkeringen te kunnen genieten, zonder arbeid en zonder loon te zijn. Overeenkomstig artikel 45, 1° van hetzelfde besluit wordt als arbeid beschouwd de activiteit verricht voor zichzelf die ingeschakeld kan worden in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten en die niet beperkt is tot het gewone beheer van het eigen bezit. Overeenkomstig artikel 48 § 1 van het besluit kan de werkloze, die op bijkomstige wijze een activiteit uitoefent in de zin van artikel 45, verder uitkeringen genieten op voorwaarde dat

(1)hij daarvan aangifte doet bij zijn aanvraag;
(2)hij deze activiteit reeds uitoefende terwijl hij tewerkgesteld was als werknemer en dit ten minste gedurende de drie maanden voorafgaand aan de aanvraag; (3..); (4,b) het geen activiteit betreft in een beroep dat valt onder het hotelbedrijf, met inbegrip van de restaurants en de drankgelegenheden, tenzij de activiteit van gering belang is.
  1. Mevrouw F.M. heeft de in art. 48 § 1 van het werkloosheidsbesluit bedoelde aanvraag niet ingediend. Uit de door haar voorgelegde attesten kan afgeleid worden dat zij binnen de onderneming van haar broer geen inkomen heeft verworven en dat zij zeker ook niet is tussengekomen in de gewone dagdagelijkse activiteit van de onderneming. Haar participatie in de onderneming steunt hierop (cfr. het attest dat zij aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening bezorgde) dat, zoals voorzien wordt door hoofdstuk 1 van titel 2 van de programmawet van 10 december 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap, iedere uitbater van een KMO in bezit dient te zijn van een diploma bedrijfsbeheer. (Niet aangetoond is dat mevrouw F.M. in de onderneming van haar broer het attest van vakbekwaamheid zou ingebracht hebben, bedoeld door de wet van 3 mei 1999 betreffende het vervoer van zaken over weg). Overeenkomstig art. 4 van de wet van 10 december 1989 moet elke KMO, natuurlijke persoon of rechtspersoon die een activiteit uitoefent die in het handels- of ambachtsregister moet worden ingeschreven, bewijzen over de basiskennis van het bedrijfsbeheer te beschikken. Overeenkomstig art. 4 § 2 is aan deze verplichting voldaan als het bewijs van de basiskennis van het bedrijfsbeheer geleverd wordt door het zelfstandig ondernemingshoofd, door zijn echtgenoot of de wettelijk samenwonende, of door de partner met wie hij minstens zes maanden samenwoont of door de natuurlijke persoon, die het dagelijks bestuur daadwerkelijk uitoefent. Uit deze bepaling volgt dat, wanneer de natuurlijke persoon die een activiteit uitoefent niet zelf over het bewijs van de bedrijfskennis beschikt, en evenmin zijn echtgenoot of partner met wie hij over een zekere periode samenwoont, het bewijs van de kennis van het bedrijfsbeheer nog kan geleverd worden door een 3e persoon, maar op voorwaarde dat deze het dagelijks bestuur van de onderneming daadwerkelijk uitoefent. In het licht van deze bepalingen kan niet aanvaard worden dat mevrouw F.M. binnen de onderneming van haar broer geen enkele activiteit zou uitgeoefend hebben. Door het inbrengen van het attest "bedrijfsbeheer" had zij de verplichting het dagelijks bestuur van de onderneming onder haar verantwoordelijkheid te nemen. Omgekeerd kan aanvaard worden dat deze activiteit zeer beperkt was. De activiteit in de firma was beperkt tot het vervoer dat de broer met een enkel voertuig verzekerde, en dat volgens de aangebrachte belastingsaangifte slechts een omzet van 33.209,32 euro opleverde. Bovendien was er een boekhouder aan de onderneming verbonden. Mevrouw F.M. was overigens evenzeer aan de firma verbonden in periodes waarin zij voltijds tewerkgesteld was. Overeenkomstig artikel 169 alinea 3 van het werkloosheidsbesluit wordt, wanneer de werkloze bewijst dat hij alleen arbeid heeft verricht of een zelfstandige heeft geholpen op bepaalde dagen of gedurende bepaalde periodes, de terugvordering beperkt tot deze dagen of tot deze periodes. Het hof neemt aan dat, gelet op de beperkte omvang van de onderneming, het dagelijks bestuur van deze onderneming maximaal één dag per week in beslag heeft genomen. Het hof beperkt dan ook de uitsluiting uit het recht op werkloosheidsuitkeringen, en de verplichting tot terugbetaling van de werkloosheidsuitkeringen, tot één werkloosheidsuitkering per week. Het bestreden vonnis wordt op dit punt hervormd. Gelet op de beperking van de terugvordering is er geen aanleiding toe om mevr. F.M. nog betalingstermijnen toe te kennen, zoals de eerste rechter deed.
  2. Voor wat betreft de uitsluiting van het recht op werkloosheidsuitkeringen gedurende een periode van 13 weken, kan aangenomen worden dat mevrouw F.M. te goeder trouw gedacht heeft dat zij niet de verplichting had haar "nevenactiviteit", die haar geen enkel inkomen opleverde, aan te geven. Zoals het openbaar ministerie in zijn advies uiteenzet is het document, dat aan de werkloze ter ondertekening wordt voorgelegd, ook niet steeds voldoende expliciet om de werkloze te doen begrijpen welke activiteiten precies bedoeld worden. Tenslotte had mevrouw F.M., wanneer zij de aangifte gedaan had van haar (bestaande) aanvullende activiteit, wellicht haar bijberoep zonder beperking, of met een kleine beperking, kunnen cumuleren met haar werkloosheidsuitkeringen. Omgekeerd is mevrouw F.M. onvoorzichtig geweest. Vermits zij voor haar activiteit een inschrijving had bekomen in het sociaal statuut voor zelfstandigen, had zij minstens bij het invullen van de aanvraag, ernaar moeten informeren of zij deze activiteit diende te vermelden op haar aanvraagformulier. In het licht van deze elementen herleidt het hof de sanctie tot een periode van 6 weken. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het schriftelijk advies van de heer Jean-Jacques André, advocaat-generaal, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Hervormt het bestreden vonnis en de bestreden administratieve beslissing en zegt dat de uitsluiting van mevrouw F.M. uit het recht op werkloosheidsuitkeringen in de periode van 8 september 2005 tot 25 februari 2006 dient beperkt te worden tot 1 werkloosheidsdag per week en dat de terugvordering van de uitkeringen op dezelfde basis dient herleid te worden. Herleidt de administratieve sanctie van uitsluiting uit het recht op werkloosheidsuitkeringen, uitgesproken op grond van artikel 154 van het werkloosheidsbesluit tot een periode van 6 weken. Veroordeelt, overeenkomstig artikel 1017 al.2 van het Gerechtelijk Wetboek, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tot de kosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van mevrouw F.M. op 145,78 euro . Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: F. Kenis, raadsheer, voorzitter; S. Alaerts, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; H. Silon, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; S. Van der hoeven, griffier. F. Kenis S. Van der hoeven H. Silon S. Alaerts en uitgesproken op de openbare terechtzitting van tweeëntwintig april tweeduizend en tien van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel door: F. Kenis raadsheer, voorzitter Bijgestaan door S. Van der hoeven, griffier. F. Kenis S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100422.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.