← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100521.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 21 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100521.4 Rolnummer: 2009/AB/52217 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2010-06-08 Raadplegingen: 145 - laatst gezien 2026-07-01 14:45 Fiche 1 Opdat blijvende overmacht een einde zou stellen aan de overeenkomst dient zij te worden ingeroepen en bewezen door de partij die erdoor getroffen wordt. Blijvende overmacht maakt de uitvoering van de overeenkomst definitief onmogelijk en beëindigt de arbeidsovereenkomst, zoals bepaald in artikel 32,5° van de arbeidsovereenkomstenwet. Overmacht is de situatie waarin een partij haar verbintenissen niet meer kan uitvoeren door een optreden van een vreemde oorzaak die niet kon worden voorzien, noch voorkomen en die haar niet kan worden toegerekend. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Andere Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Blijvende overmacht einde arbeidsovereenkomst - Bewijs. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 32,5 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN art. 32,

  1. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder I D art.
  2. Fiche 2 In het sociaal strafrecht worden de aangestelden en de lasthebbers geviseerd omwille van hun bijzondere bevoegdheid als toezichthouder op de naleving van de wet en worden zij bestraft omdat zij bepaalde inbreuken kunnen en moeten voorkomen. De wetgever gaat ervan uit dat zij hun gezag dienen aan te wenden om de totstandkoming van misdrijven te verhinderen. Voor de ingeroepen strafrechterlijke misdrijven is geen bijzonder opzet vereist, zodat het volstaat dat het misdrijf uit onachtzaamheid wordt gepleegd, hetgeen betekent dat de inbreuk op de strafwet niet doelbewust gebeurt, doch uit een gebrek aan voorzichtigheid. Het ontbreken van het moreel bestanddeel van het misdrijf kan nochtans voortvloeien uit het aannemelijk maken door de dader van een schuldverschoningsgrond, in welk geval de benadeelde de afwezigheid van deze schuldopheffingsgrond moet aantonen. Dwaling, overmacht en noodtoestand kunnen als dergelijke rechtvaardigingsgrond worden ingeroepen. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Lasthebber ad hoc Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - STRAFVORDERING - Burgerlijke vordering ex delicto - Moreel bestanddeel in sociaalstrafrecht t.a.v. aangestelde of lasthebber van een vennootschap. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - 26 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Nota: Gerangschikt onder I D art.
  3. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder II AAN art. 32,
  4. Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 21 mei 2010 3 e KAMER ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende Artikel 578,1°(b) Ger.W. tegensprekelijk definitief In de zaak: EUROPAILLE NV, in vereffening, vertegenwoordigd door de vereffenaar M. BAVASTRO Frédéric, met maatschappelijke zetel te 1180 BRUSSEL, De Frélaan, 139 bus 53, ingeschreven met KBO-nummer 0411.631.673, appellante op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mr. FLAMEY loco mr. PAULUS DE CHÂTELET Pierre, advocaat te 1180 BRUSSEL, Winston Churchillaan
  5. Tegen: V. I., wonende te [xxx], geïntimeerde, appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mr. BOLLEN Rudi, advocaat te 3000 LEUVEN, Sint-Maartenstraat
  6. Mede inzake: BAVASTRO Guido, (in hoedanigheid van) vereffenaar, gewezen vereffenaar van de NV EUROPAILLE, PAULUS DE CHÂTELET Pierre, wonende te 1180 BRUSSEL, Winston Churchillaan 149, geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mr. FLAMEY loco mr. PAULUS DE CHÂTELET Pierre, advocaat te 1180 BRUSSEL, Winston Churchillaan
  7. *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken bij verstek op 16 maart 2004 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 2e kamer (A.R. 06.107/99-77945/98 - 60368/97). het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 10 juni 2009; de conclusies voor de appellante, neergelegd ter griffie op 24 december 2009, de conclusie voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 30 november 2009 en 9 maart 2010; de voorgelegde stukken; De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 16 april 2010, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. *** * I. FEITEN EN RECHTSPLEGING
  8. Op 11 maart 1980 ondertekenden mevrouw V. en de heer Bavastro voor de NV Europaille een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, waardoor mevrouw V. op die datum in dienst kwam; er is geen betwisting dat zij als bediende tewerkgesteld was, zoals door de werkgever erkend wordt in het C4-formulier. Op 16 november 1996 werd de onderneming getroffen door een brand. Net als de andere personeelsleden ontving mevrouw V. tot 31 juli 1997 werkloosheidsuitkeringen op basis van tijdelijke overmacht.
  9. Bij vonnis van 31 juli 1997 van de rechtbank van koophandel te Brussel werd de vennootschap in vereffening gesteld en werd de heer Guido Bavastro aangesteld als vereffenaar. Vanaf die datum erkende de RVA de tijdelijke overmacht niet langer.
  10. Bij brief van 15 september 1997, waarin werd verwezen naar de in vereffeningstelling, werd mevrouw V. ontslagen met onmiddellijke ingang met de aankondiging dat een opzeggingsvergoeding van 12 maanden zou worden uitbetaald. Op het C4-formulier wordt echter aangegeven dat geen opzeggingsvergoeding werd uitbetaald. Door de vakorganisatie van mevrouw V. werd de vennootschap in vereffening in gebreke gesteld in betaling van achterstallige lonen, een eindejaarspremie, vakantiegeld bij uitdiensttreding en een opzeggingsvergoeding van 18 maanden, alsook in afgifte van de sociale bescheiden. Bij aangetekend schrijven van 17 oktober 1997 van de vereffenaar deelde deze mee dat hij zich hield aan een opzeggingsvergoeding van 12 maanden en hij vroeg voor de betaling geduld tot de verzekeringsmaatschappijen een uitbetaling zouden doen.
  11. Partijen kwamen aldus niet tot overeenstemming en op 14 november 1997 dagvaardde mevrouw V. de vennootschap in vereffening samen met de vereffenaar in betaling van: een opzeggingsvergoeding van 18 maanden of 1.439.136 frank ( thans euro 35.675,25) achterstallig loon voor de periode van 1 tot 15 november 1996, 31 juli 1997, augustus 1997 en een tot 15 september 1997 of 142.167 frank ( thans euro 3.524,23) pro rata eindejaarspremie 1996 -97 62.143 frank ( thans euro 1.540,48) vakantiegeld bij uitdiensttreding of 130.389 frank ( thans euro 3.232,26) te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten op netto en in afgifte van de overeenstemmende sociale en fiscale documenten. Bij dagvaarding van 31 juli 1998 dagvaardde mevrouw V. de vennootschap in vereffening en de heer Bavastro in betaling van een schadevergoeding gelijk aan de hier bovenvermelde bedragen wegens achterstallig loon, pro rata eindejaarspremie en vakantiegeld bij uitdiensttreding; deze dagvaarding was gesteund op de delictuele verantwoordelijkheid van de heer Bavastro, gelet op de strafbepalingen in de loonbeschermingswet en in de gecoördineerde vakantiewetten.
  12. Bij verstekvonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 29 juni 1999 werd de vordering van mevrouw V. tegen de vennootschap in vereffening, zoals ingesteld bij dagvaarding van 31 juli 1998, onontvankelijk verklaard, omdat deze identiek was met de eerdere vordering van 14 november
  13. De vordering ingesteld tegen de vereffenaar bij dagvaarding van 14 november 1997 werd ongegrond verklaard, omdat de vereffenaar de hoedanigheid van werkgever niet had en niet persoonlijk gehouden was tot betaling van de op basis van de arbeidsovereenkomst gevorderde bedragen. De vordering ingesteld bij dagvaarding van 31 juli 1998 tegen de vereffenaar werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard in zoverre ze betrekking had op de opzeggingsvergoeding en de afgifte van de sociale en fiscale documenten. De NV Europaille in vereffening werd veroordeeld tot betaling van de gevorderde opzeggingsvergoeding en de afgifte van de sociale documenten onder verbeurte van een dwangsom van 500 frank per dag en per ontbrekend document bij niet afgifte ervan binnen de maand na betekening. De NV Europaille in vereffening en de vereffenaar werden in solidum veroordeeld tot betaling van: achterstallig loon ten bedrage van 142.167 frank pro rata eindejaarspremies ten bedrage van 62.143 frank vakantiegeld bij uitdiensttreding of 130.389 frank te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten. De zaak werd voor het overige naar de bijzondere rol verzonden en de vennootschap in vereffening en de vereffenaar werden veroordeeld tot de gerechtskosten beperkt tot de dagvaardingskosten.
  14. Op 16 juli 1999 tekenden de vennootschap in vereffening en de vereffenaar verzet aan. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 16 maart 2004 werd dit verzet ontvankelijk en in volgende mate gegrond verklaard: het verstekvonnis werd tenietgedaan in zoverre het de vereffenaar in solidum veroordeelde tot betaling van het achterstallige loon, de achterstallige eindejaarspremie en het vakantiegeld bij uitdiensttreding; het verstekvonnis werd voor het overige bevestigd ieder van de partijen werd veroordeeld tot de door haar gedragen kosten van de verzetprocedure. Dit vonnis werd naar zeggen van mevrouw V. betekend op 11 mei 2009
  15. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 10 juni 2009, tekende de vennootschap in vereffening hoger beroep aan en vroeg dat het vonnis van 16 maart 2004 zou worden tenietgedaan en dat de opzeggingsvergoeding van 18 maanden zou worden herleid naar 12 maanden. Mevrouw V. tekende incidenteel beroep aan wat betreft de beslissing van de eerste rechter aangaande de vereffenaar en zij vroeg dat deze samen met de vennootschap in vereffening solidair en in solidum, minstens de ene bij gebrek aan de andere zou worden veroordeeld tot betaling van de weerhouden bedragen. II. BEOORDELING Gelet op de voorgehouden betekening van het bestreden vonnis op 11 mei 2009, werd het hoger beroep op 10 juni 2009 alleszins tijdig ingesteld. Het is regelmatig naar vorm. Voor het beroep tegen de opzeggingsvergoeding is aan de ontvankelijkheidvereisten voldaan. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep. Tijdens de pleidooien wordt aangehaald dat omwille van de overmacht naast de oorspronkelijke vordering betreffende de opzeggingsvergoeding ook het overige gedeelte van de vordering ongegrond zou zijn. Met uitzondering van het geval waarin het hoger beroep bij conclusie wordt ingesteld, bevat de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid, de uiteenzetting van de grieven, en dit ingevolge artikel 1057, 7° Ger. W.; voor de nakoming van die verplichting is het noodzakelijk dat appellanten hun bezwaren tegen de bestreden beslissing vermelden; die vermelding moet klaar en duidelijk genoeg zijn om de geïntimeerde in staat te stellen zijn conclusie voor te bereiden en om de appelrechter in staat te stellen de draagwijdte ervan na te gaan ( Cass., 2 mei 2005, JTT 2005, 364; , Pas. 2005, 978; , RABG 2005, 1690; , RW 2006-07, 1237 ). Het verzoekschrift bevat enkel grieven over de opzeggingsvergoeding; wat betreft het overige, voldoet het verzoekschrift tot hoger beroep niet aan deze verplichte vermeldingen, zodat het verzoekschrift op dit punt nietig is en het hoger beroep op dit punt onontvankelijk. Overmacht?
  16. Overeenkomstig artikel 26 van de arbeidsovereenkomstenwet hebben de door overmacht ontstane gebeurtenissen de beëindiging van de overeenkomst niet tot gevolg, indien ze slechts tijdelijk de uitvoering van de overeenkomst schorsen. Blijvende overmacht maakt de uitvoering van de overeenkomst definitief onmogelijk en beëindigt de arbeidsovereenkomst, zoals bepaald in artikel 32,5° van de arbeidsovereenkomstenwet. Overmacht is de situatie waarin een partij haar verbintenissen niet meer kan uitvoeren door een optreden van een vreemde oorzaak die niet kon worden voorzien, noch voorkomen en die haar niet kan worden toegerekend. Opdat blijvende overmacht een einde zou stellen aan de overeenkomst dient zij te worden ingeroepen en bewezen door de partij die erdoor getroffen wordt.
  17. De vennootschap in vereffening heeft zich niet op overmacht beroepen op het ogenblik dat een einde werd gesteld aan de arbeidsovereenkomst op 15 september 1997, integendeel zij heeft dan met verwijzing naar de vereffening de uitbetaling van een opzeggingsvergoeding aangekondigd. Er wordt door de vennootschap in vereffening geen enkel stuk neergelegd in verband met de brand, zodat door haar niet bewezen wordt dat er zich een situatie van beëindigende overmacht had voorgedaan. Partijen verhalen wel dat er een strafrechterlijke procedure in verband met de brand is geweest, doch ook hierover wordt geen enkel stuk voorgelegd. De eerste rechter heeft overigens verwezen naar andere rechterlijke uitspraken in verband met deze brand, waarin reeds geoordeeld werd dat deze geen overmachtsituatie uitmaakte, onder meer omdat de vennootschap in vereffening haar activiteiten in andere lokalen had kunnen voortzetten. Ook omtrent deze feitelijkheid wordt geen enkele precisering of nadere toelichting gegeven, er wordt geen enkel stuk voorgebracht. De situatie van beëindigende overmacht, waarop de vennootschap in vereffening zich thans wil steunen, wordt door appellante dan ook niet bewezen. Er zijn geen gegevens waaruit kan afgeleid worden dat er een definitieve onmogelijkheid was om de arbeidsovereenkomst verder te zetten.
  18. Daar het bewijs van definitieve overmacht niet geleverd wordt, heeft mevrouw V. recht op een opzeggingsvergoeding, die gelijk is aan het lopende loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, JTT 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen ( Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153). Mevrouw V. had op het ogenblik van het ontslag de leeftijd van 36 jaar en 9 maanden; ze had een anciënniteit van 17 jaar en 6 maanden in een verantwoordelijke functie met een jaarloon van euro 23.779,
  19. Rekening houdend met deze elementen werd de opzeggingsvergoeding terecht op 18 maanden vastgesteld. Het hoger beroep is op dit punt ongegrond. Incidenteel beroep - veroordeling in solidum van de heer Bavastro.
  20. De eerste rechter heeft het verzet gegrond verklaard in zoverre het verstekvonnis van 29 juni 1999 de heer Bavastro in solidum met de vennootschap in vereffening veroordeelde tot betaling van het achterstallig loon, de achterstallige eindejaarspremies en het vakantiegeld bij uitdiensttreding. Voor deze onderdelen kon mevrouw V. een vordering ex delicto stellen, daar het niet betalen van loon strafrechtelijk gesanctioneerd wordt door artikel 42 van de loonbeschermingswet en het niet betalen van vakantiegeld strafbaar wordt gesteld door artikel 54 van de gecoördineerde wetten op de jaarlijkse vakantie van 28 juni
  21. Deze strafbepalingen sanctioneren de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber. In het sociaal strafrecht worden de aangestelden en de lasthebbers geviseerd omwille van hun bijzondere bevoegdheid als toezichthouder op de naleving van de wet en worden zij bestraft omdat zij bepaalde inbreuken kunnen en moeten voorkomen. ( P. Waeterinckx, De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van enkele toezichthouders op de non conformiteit als middel van een behoorlijk bestuur van ondernemingen, R.W. 2003 -04, 1647 -1664; Cass. 15 september 1981, R.W. 1981 -82, 1123) De wetgever gaat ervan uit dat zij hun gezag dienen aan te wenden om de totstandkoming van misdrijven te verhinderen. ( F. Deruyck, De rechtspersoon in het strafrecht, Gent 1996, nr. 31) Voor de ingeroepen strafrechterlijke misdrijven is geen bijzonder opzet vereist, zodat het volstaat dat het misdrijf uit onachtzaamheid wordt gepleegd, hetgeen betekent dat de inbreuk op de strafwet niet doelbewust gebeurt, doch uit een gebrek aan voorzichtigheid. Het ontbreken van het moreel bestanddeel van het misdrijf kan nochtans voortvloeien uit het aannemelijk maken door de dader van een schuldverschoningsgrond, in welk geval de benadeelde de afwezigheid van deze schuldopheffingsgrond moet aantonen. Dwaling, overmacht en noodtoestand kunnen als dergelijke rechtvaardigingsgrond worden ingeroepen.
  22. De eerste rechter verwees oordeelkundig naar de bovenvermelde beginselen en stelde vast dat de niet betaling van loon klaarblijkelijk het gevolg is van de onmogelijkheid van de vennootschap, ingevolge haar in vereffeningstelling (die op haar beurt het gevolg is van de brand en de afwezigheid van tussenkomst van de brandverzekering) om haar verplichtingen na te komen. De heer Bavastro haalt dezelfde elementen aan als schuldverschoningsgrond in verband met zijn mogelijkheden om de inbreuken te vermijden en te voorkomen. Het feitelijk gegeven van de brand en van de in vereffeningstelling wordt als dusdanig door niemand betwist. De ingeroepen rechtvaardigingsgrond is aldus voldoende aannemelijk, waardoor de bewijslast omtrent het moreel bestanddeel van het misdrijf en het niet aanwezig zijn van een daadwerkelijke verschoningsgrond naar de benadeelde verschuift. Mevrouw V. moet in die omstandigheden aantonen dat de ingeroepen rechtvaardigingsgrond geen relevantie heeft. Voor de ontvankelijkheid van haar delictuele vordering verwijst ze enkel naar de strafbepalingen, voor de grond beperkt ze zich tot de becijfering van haar vordering en een verwijzing naar het niet meer betalen van werkloosheidsuitkeringen door de RVA. Mevrouw V. brengt op die wijze geen enkel gegeven aan waaruit zou kunnen volgen dat de brand en de vereffening geen verband kunnen houden met de mogelijkheden van de heer Bavastro om de sociaalrechterlijke misdrijven te vermijden. Terecht heeft de eerste rechter dan ook vastgesteld dat het moreel bestanddeel van het misdrijf niet aangetoond is en op die gronden het verzet ongegrond verklaard. Het incidenteel beroep is aldus ongegrond. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep wat betreft het onderdeel van de opzeggingsvergoeding ontvankelijk doch ongegrond; verklaart het hoger beroep voor het overige onontvankelijk. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis, Zegt dat elke partij haar eigen kosten in hoger beroep zal dragen. Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, Lieven LENAERTS, raadsheer, Paul DEPRETER, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Roger VANDENPUT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door : Luc COEN, griffier-hoofd van dienst. Lieven LENAERTS, Luc COEN, Paul DEPRETER, , Roger VANDENPUT, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 21 mei 2010 door: Lieven LENAERTS, raadsheer, bijgestaan door Luc COEN, griffier-hoofd van dienst. Lieven LENAERTS, Luc COEN, PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100521.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.