id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 21 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100521.5 Rolnummer: 2009/AB/52238 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-06-17 Raadplegingen: 138 - laatst gezien 2026-07-01 13:00 Fiche Een directielid, dat lid blijft van het directiecomité en wiens nieuwe functie een vergelijkbaar groeipotentieel heeft dan zijn vorige functie, wordt niet gedegradeerd, zodat er geen aanzienlijke wijziging plaatsvond van een essentieel bestanddeel van zijn arbeidsovereenkomst, temeer daar in zijn arbeidsovereenkomst een wijzigingsbeding was opgenomen voor elk werk dat verenigbaar is met zijn beroepsbekwaamheden. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Eenzijdige wijziging Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Bedienden - Impliciet ontslag - Geen aanzienlijke wijziging. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 32 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 21 mei 2010 3 e KAMER ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende Artikel 578,1°(b) Ger.W. tegensprekelijk definitief In de zaak: S. , wonende te [xxx], appellant, vertegenwoordigd door mr. HOFKENS Jan, advocaat te 1000 BRUSSEL, Havenlaan 86C b
- Tegen: OCE BELGIUM NV, met maatschappelijke zetel te 1140 BRUSSEL, Jules Bordetlaan, 32, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. VANAVERBEKE Luc, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Graanmarkt
- *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 3 april 2009 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 5166/08). het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 19 juni 2009; de conclusies voor de appellant, neergelegd ter griffie op 15 januari 2010, de conclusie voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 30 november 2009 en 2 maart 2010; de voorgelegde stukken; De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 16 april 2010, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. *** * I. FEITEN EN RECHTSPLEGING
- Op 13 april 2004 ondertekenden de heer S. en de NV OCE Belgium een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd voor bediende, waardoor de heer S. met ingang van 14 juni 2004 werd aangeworven als Business Group Manager. In artikel 1 van deze overeenkomst wordt bepaald: De BEDIENDE geeft uitdrukkelijk zijn akkoord om ieder ander werk te verrichten, verenigbaar met zijn beroepsbekwaamheden, of in een andere zetel tewerkgesteld te worden iedere keer als de noodzaak zich in het bedrijf voordoet. Op 29 november 2004 werd een bijvoegsel bij deze arbeidsovereenkomst ondertekend waarin de heer S. benoemd werd tot Business Unit Director DDS en waarbij zijn geldelijke regeling hieraan werd aangepast. DDS staat voor Digital Document Systems en bestond op dat ogenblik uit twee afdelingen: Corporate Printing en Commercial Printing; vanaf 1 december 2007 werden deze benamingen respectievelijk gewijzigd in Production Printing en Document Printing. In deze functie was de heer S. lid van het directiecomité; als directeur van de DDS-unit had hij aanvankelijk de leiding over de "Service Organisatie" (dienstverlening na verkoop) en over de "Professional Services" ( verbinding van verschillende printers). Tussen 1 september 2006 en 1 oktober 2007 werd de "Service Organisatie" ondergebracht in een aparte eenheid met als directeur de heer Cleemput; wanneer deze laatste vanaf 1 oktober 2007 werd overgeplaatst naar het hoofdkantoor te Venlo, werd deze eenheid terug onder de leiding van de heer S. ondergebracht.
- Binnen de OCE-groep werkte men aan een wereldwijde reorganisatie, die samengevat werd onder de naam Project Vanguard. Dit project werd in meerdere directievergaderingen besproken, onder meer op 11 juli 2007 en 4/5 oktober 2007 en resulteerde uiteindelijk in een opsplitsing van de afdelingen Production Printing en Document Printing als onafhankelijke units, waardoor de heer S. verantwoordelijke zou worden voor Document Printing. Deze structuurwijziging werd verder intern besproken; op 8 november 2007 liet de heer S. per e-mail weten dat deze bespreking niet wilde zeggen dat hij hiermee akkoord ging. Deze nieuwe structuur werd geïmplementeerd op 1 december 2007 en bij aangetekende brief van 3 december 2007 verzette de heer S. zich uitdrukkelijk tegen deze wijziging, die hij beschouwde als een degradatie naar een kleinere activiteit met aanzienlijk minder verantwoordelijkheden en minder groei, wat volgens hem een aanzienlijke wijziging uitmaakte van een essentieel bestanddeel van zijn arbeidsovereenkomst. Hij nodigde zijn werkgever dan ook uit om hem ten laatste op 10 december 2007 in zijn vroegere functie te herstellen, waardoor hij opnieuw de leiding zou bekomen over zowel Document Printing als Production Printing met hiërarchische bevoegdheid over de groepen Service en Professional Service. Op 10 december 2007 antwoordde de werkgever: Zoals u zelf weet is met ingang van 1 december 2007 een wereldwijde nieuwe organisatiestructuur geïntroduceerd. Het is de bedoeling van de Océ groep om één en dezelfde organisatiestructuur in alle landen te implementeren; een organisatie die afgestemd is op de structuur in de Headquarters. Binnen Océ Belgium heeft deze nieuwe organisatiestructuur structurele gevolgen in het bijzonder dat de Business Unit DDS ophoudt te bestaan. Voortaan kennen wij nog de Business Unit Production Printing, de Business Unit Document Printing, de Business Unit WFPS en de Business Unit OBS. Het bedrijf wenst met deze organisatie een grotere focus te leggen op de verschillende markten. U zelf heeft de verantwoordelijkheid van onze grootste Business Unit namelijk Document Printing. We rekenen dan ook op uw volle inzet en medewerking om de groei en het succes van deze Business Unit te verwezenlijken. Op 14 december 2007 betwistte de heer S. dit standpunt en handhaafde hij de inhoud van zijn schrijven van 3 december 2007, waarbij hij een laatste maal verzocht om uiterlijk op 26 december 2007 de beslissing te herzien en hem te herstellen in zijn volledige verantwoordelijkheden; gelet op zijn vakantie van 27 december tot 16 januari 2008 zou hij gebeurlijk op 17 januari 2008 de eenzijdige wijziging van een essentiële arbeidsvoorwaarde vaststellen en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst inroepen. Bij aangetekende brief van 20 december 2007, aan de heer S. in zijn afwezigheid aangeboden op 26 december 2007 met melding dat de brief ter beschikking lag op het postkantoor vanaf 27 december 2007, verzocht de werkgever hem zich in te schrijven in de nieuwe organisatiestructuur, omdat er geen eenzijdige wijziging was, daar hij juist de kans kreeg om zich exclusief te focussen op de verdere ontwikkeling van Document Printing en daar in zijn oorspronkelijke arbeidsovereenkomst een akkoord ingesloten was om ieder ander werk te aanvaarden, terwijl hij lid bleef van het directiecomité en alle loons- en arbeidsvoorwaarden behouden bleven. Inmiddels werd de heer S. ook uitgenodigd voor een gesprek bij zijn terugkomst uit vakantie op 17 of ten laatste 18 januari 2008 in de hoofdzetel te Venlo. Dit gesprek van 18 januari 2008 leidde niet tot een oplossing, zodat de heer S. op 21 januari 2008 de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst door Océ vaststelde wegens eenzijdige substantiële wijziging van zijn essentiële arbeidsvoorwaarden. Bij schrijven van zijn raadsman van 19 februari 2008 vorderde de heer S. een opzeggingsvergoeding van 12 maanden door hem becijferd op euro 269.269,48 een saldo bonus van euro 77.896,54, een aanbod voor outplacement, afrekening van vertrekvakantiegeld en pro rata eindejaarspremie en voorlegging van documenten in verband met een aandelenplan.
- Partijen vonden geen oplossing en op 28 maart 2008 dagvaardde de heer S. zijn werkgever in betaling van: een opzeggingsvergoeding van euro 255.135,77, ondergeschikt van euro 217.085,87 een achterstallige bonus van euro 10.936,95 en het vakantiegeld hierop van euro 1.677,73 te vermeerderen met de wettelijke, moratoire en gerechtelijke intresten plus de kosten. Bij besluiten van 15 oktober 2008 stelde de werkgever een tegenvordering in betaling van een opzeggingsvergoeding van euro 19.735,07, te vermeerderen met de kosten. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 3 april 2009 werd de hoofdvordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard in de zin dat de werkgever werd veroordeeld tot betaling van de gevraagde achterstallige bonus en het vakantiegeld hierop, vermeerderd met interesten; wat betreft de opzeggingsvergoeding werd de hoofdvordering ongegrond verklaard. De tegenvordering werd ontvankelijk en gegrond verklaard in de zin dat de heer S. veroordeeld werd tot betaling van een opzeggingsvergoeding die herleid wordt tot euro 0, en waarbij elke partij veroordeeld werd tot betaling van zijn eigen kosten en tot de helft van de rechtsplegingsvergoeding. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 19 juni 2009, tekende de heer S. hoger beroep aan en hernam hij zijn vordering met betrekking tot de opzeggingsvergoeding; in ondergeschikte orde bood hij een getuigenverhoor aan. De werkgever tekende geen incidenteel beroep aan en aanvaardde de respectievelijke veroordelingen door de eerste rechter. II. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. De beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
- In zijn schrijven van 21 januari 2008 heeft de heer S., na voorafgaandelijke ingebrekestellingen, het impliciet ontslag ingeroepen lastens zijn werkgever wegens wijziging van de functie als essentieel bestanddeel van de overeenkomst. Opdat er sprake kan zijn van een éénzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst die gelijk staat met een onregelmatige beëindiging, moet de heer S. aantonen dat er sprake is van a. een effectieve wijziging, minstens een definitieve beslissing (Cass., 30 november 1998, Arr. Cass. 1998, 496). b. een aanzienlijke wijziging van een essentieel bestanddeel, c. een éénzijdige wijziging (vgl. Cass., 4 februari 2002, JTT 2002, 121; Cass., 23 juni 1997, JTT 1997, 333; Cass., 30 november 1998, JTT 1999, 150; Cass., 20 december 1993, JTT 1994, 443 en Soc. Kron. 1994, 105, noot). Na een dergelijke wijziging kan de werknemer, ofwel onmiddellijk de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst inroepen, ofwel de overeenkomst tijdelijk verder zetten in de nieuwe omstandigheden en de werkgever binnen redelijke termijn in gebreke stellen de wijziging binnen de gestelde termijn ongedaan te maken, bij gebreke waaraan de werknemer de arbeidsovereenkomst als beëindigd zal beschouwen ( Cass., 7 mei 2007, RW 2007-08, 1673 met noot).
- Gelet op de tijdlijn, toegelicht in Feiten en rechtspleging, randnummer 2, is het arbeidshof van mening dat de heer S. tijdig zijn werkgever in gebreke heeft gesteld om de door hem niet aanvaarde wijziging ongedaan te maken en dat hij gelet op zijn vakantie en de daaropvolgende bespreking van 18 januari 2008, binnen een redelijke termijn op 21 januari 2008 de beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft ingeroepen.
- Partijen hebben geen betwisting dat het zgn. Project Vanguard effectief op 1 december 2007 wereldwijd door de werkgever geïmplementeerd werd en dat de nieuwe organisatiestructuur een eenzijdige wijziging inhield van de voorheen geldende functie van de heer S.. Vraag is of hierdoor een aanzienlijke wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst van de heer S. totstandkwam in de zin dat hij hierdoor gedegradeerd werd.
- Samen met de eerste rechter beantwoordt het arbeidshof deze vraag negatief en weerhoudt hierbij dat: in de nieuwe organisatiestructuur de heer S. zijn directiefunctie behield en rechtstreeks bleef rapporteren aan de managing director Marc Van Mierlo; hij deel bleef uitmaken van het directiecomité; hij in de nieuwe structuur de verantwoordelijkheid bekwam over de grootste business unit, met name Document Printing: deze structuurwijziging gericht was op het leggen van een grotere focus op de verschillende markten, waarbij de verkoop van kleinere toestellen, gericht op het zelf printen van documenten, een groeimarkt was, onder meer gelet op de overname van Imagistics; hierdoor het wegvallen van de door de heer S. aangeduide vroegere deelopdrachten gecompenseerd kon worden, zodat de herschikking geen degradatie inhield; de herschikking het gevolg was van een wereldwijde reorganisatie, waarvan geïntimeerde aantoont dat ze ook in andere landen heeft plaatsgevonden, zodat ze gesteund was op een economische keuze van de werkgever; de heer S. in zijn brieven van 3 en 14 december 2007 niet heeft ingeroepen dat deze reorganisatie een impact zou hebben op zijn verloning en de latere opmerkingen hierover tijdens de procedure louter speculatief zijn, daar ze geen rekening houden met het groeipotentieel van zijn unit; de heer S. in artikel 1 van zijn arbeidsovereenkomst akkoord ging om ieder ander werk te verrichten, verenigbaar met zijn beroepsbekwaamheden, of in een andere zetel tewerkgesteld te worden iedere keer als de noodzaak zich in het bedrijf voordoet; de wijziging niet onverenigbaar is met zijn beroepsbekwaamheden, zoals deze blijken uit zijn eerdere taak en functie. Deze elementen volstaan om vast te stellen dat er geen aanzienlijke wijziging plaatsvond van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst van de heer S. in de mate dat hierdoor zijn arbeidsovereenkomst onrechtmatig zou beëindigd zijn door de werkgever. Het arbeidshof ziet in de structuurwijziging geen argumenten om een reële degradatie van de heer S. te aanvaarden. De overige elementen die de heer S. aanbrengt, kunnen hieraan geen afbreuk doen en het getuigenaanbod is niet ter zake dienend, daar de appreciatie van de impact van de herstructurering op de functie van de heer S. niet aan de getuigen toekomt, doch wel aan het arbeidshof en het getuigenaanbod onvoldoende feitelijke elementen inhoudt om bovenvermelde vaststellingen te ontkrachten.
- De bepaling van artikel 1 van de arbeidsovereenkomst heeft geen betrekking op een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst en is zodoende niet in strijd met artikel 25 van de arbeidsovereenkomstenwet (vgl; Cass. 14 oktober 1991, Arr.Cass. 1991-92, 145, concl. Openbaar Ministerie; , JTT 1991, 464, noot); het wijzigingsbeding is immers beperkt tot werk, verenigbaar met de beroepsbekwaamheden en beperkt zich tot de gevallen die binnen het bedrijf noodzakelijk zijn; gelet op de herstructurering binnen de groep en de bekwaamheden van de heer S. werd het beding te goeder trouw ingeroepen; uit wat in randnummer 4 werd aangehaald, volgt immers dat de functie niet in zijn essentiële bestanddelen werd aangepast. (Ph. François, Kan de arbeidsovereenkomst nog eenzijdig gewijzigd worden?, TBBR 2001, 90-92) Het hoger beroep is dan ook ongegrond.
- Als in beroep in het ongelijk gestelde partij vallen de gerechtskosten van het hoger beroep ten laste van de heer S.; er is geen reden om de rechtsplegingsvergoeding te verminderen onder het basisbedrag; het van 30 augustus 2008 daterende bericht van de VDAB zegt niets over de huidige financiële situatie van de heer S.. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis. Veroordeelt de heer S. tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van geïntimeerde begroot op rechtsplegingsvergoeding hoger beroep basisbedrag euro 7.000 en voor zover als nodig aan zijn zijde begroot op rechtsplegingsvergoeding hoger beroep basisbedrag euro 7.000 Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, Lieven LENAERTS, raadsheer, Paul DEPRETER, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Roger VANDENPUT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door : Luc COEN, griffier-hoofd van dienst. Lieven LENAERTS, Luc COEN, Paul DEPRETER, ,Roger VANDENPUT, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 21 mei 2010 door: Lieven LENAERTS, raadsheer, bijgestaan door Luc COEN, griffier-hoofd van dienst. Lieven LENAERTS, Luc COEN, PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100521.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div