id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 27 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100527.13 Rolnummer: 2001/AB/42162 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-06-08 Raadplegingen: 143 - laatst gezien 2026-07-01 13:01 Fiches 1 - 3 Wanneer een werknemer ingevolge een aantrekkelijk sociaal plan door zijn werkgever aangespoord wordt om zelf het bedrijf te verlaten en hijzelf een aanvraag doet om het bedrijf te verlaten, is hij vrijwillig werkloos omwille van werkverlating, wanneer hij niet aantoont dat hij hierbij geen andere keuze had. Er kan daarbij niet aanvaard worden dat hij met opzet werkloosheidsuitkeringen heeft aangevraagd in de zin van artikel 52 bis §2, eerste lid, 10 van het werkloosheidsbesluit. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden - Onvrijwillig Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 44 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder V A N art.
- Eveneens gerangschikt onder V A N artt. 51 § 1, 2e lid en 52bis § 2, 2e lid. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 51,§1,L2 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder V A N art. 51 § 1, 2e lid. Eveneens gerangschikt onder V A N artt. 44 en 52bis § 2, 2e lid. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 52bis,§2,L2 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder V A N art. 52bis § 2, 2e lid. Eveneens gerangschikt onder V A N artt. 44 en 51 § 1, 2e lid. Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 27 mei 2010 7 e KAMER SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - werkloosheid Artikel 580,2°(b) Ger.W. tegensprekelijk Heropening der debatten In de zaak: RVA, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan, 7, appellant, vertegenwoordigd door mr. SWENNEN Remi, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan
- Tegen: U. W., wonende te [xxx], geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. BIESEMANS Bart, advocaat te 1080 BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat 29 B
- *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 3 september 2001 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 20e kamer (A.R. 1035, 1036 & 1597/99). het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 9 oktober 2001; de conclusies voor de appellant, neergelegd ter griffie op 10 april 2002, 13 januari 2005 en 28 oktober
- de conclusie voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 14 december 2004 en 25 juli 2005; het schriftelijk advies van het openbaar ministerie ontvangen ter griffie op 1 april 2010; de replieken van de appellant en geïntimeerde ontvangen ter griffie op 26 april en 28 april 2010.; de voorgelegde stukken; De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 25 maart 2010, waarna de debatten werden gesloten. De zaak voor schriftelijk advies werd meegedeeld aan het openbaar ministerie tegen uiterlijk 8 april 2010, waarop beide partijen hebben gerepliceerd, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. *** * I. FEITEN EN RECHTSPLEGING
- De heer W. U. (° 18 maart 1943) was tewerkgesteld bij de voormalige ASLK van 8 maart 1971 tot 31 maart 1998, laatst in de functie van adjunct zaakgelastigde. Ingevolge een voordelige uitstapregeling en de daaraan aangepaste bepalingen van het groepsverzekeringsreglement, werd de arbeidsovereenkomst van de heer U. in onderling akkoord beëindigd op 31 maart 1998 zonder opzeg noch opzeggingsvergoeding. In uitvoering van het groepsverzekeringsreglement ontving hij naast het hem toekomende kapitaal nog een maandelijkse rente van 36.032 frank bruto ( euro 893,20) en dit vanaf zijn 55e jaar tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van 60 jaar, zijnde van 1 april 1998 tot 31 maart
- Op 1 april 2003 bekwam de heer U. zijn wettelijk pensioen.
- Voordien deed hij evenwel een uitkeringsaanvraag voor werkloosheidsuitkeringen vanaf 23 oktober
- Na een verhoor op 30 april 1999 besliste de directeur van het werkloosheidsbureau Vilvoorde van de RVA op 4 mei 1999 om de heer U. uit te sluiten van het recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 10 mei 1999 tot hij opnieuw voldeed aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden gesteld door de artikelen 30 tot 34 van het KB van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna genoemd het werkloosheidbesluit). Deze beslissing was gesteund op het feit dat betrokkene het werk als bediende bij ASLK Bank had verlaten zonder wettige reden in de zin van artikel 51 van het werkloosheidbesluit, zodat hij geacht werd werkloos te zijn wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil. Tevens werd vastgesteld dat de heer U., gelet op zijn vervroegde pensionering, met opzet uitkeringen had aangevraagd, zodat hij bij toepassing van artikel 52bis van het werkloosheidbesluit met ingang van 10 mei 1999 werd uitgesloten tot hij opnieuw voldeed aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden. In een tweede beslissing, eveneens van 4 mei 1999 werd aan de heer U. het recht op uitkeringen ontzegd vanaf 23 oktober 1998, met aankondiging dat de onrechtmatig ontvangen uitkeringen zouden worden teruggevorderd, omdat hij ingevolge artikel 44 van het werkloosheidbesluit ingevolge zijn tewerkstelling bij ASLK Bank vanaf 23 oktober 1998 loon had ontvangen in de vorm van de uitkeringen van het vervroegd pensioen, wat niet cumuleerbaar is met werkloosheidsuitkeringen. Op 3 juli 1999 herzag de directeur van het werkloosheidsbureau Vilvoorde deze laatste beslissing in de zin dat de uitsluiting en de aangekondigde terugvordering slechts inging vanaf 10 mei
- Bij verzoekschriften, neergelegd bij de griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel op 18 en 24 juni 1999, vocht de heer U. bovenvermelde beslissingen aan. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 3 september 2001 werden de vorderingen, ingeleid met de respectievelijke verzoekschriften, samengevoegd. De vorderingen werden gegrond verklaard en de beslissingen van de RVA vernietigd.
- Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 9 oktober 2001, tekende de RVA hoger beroep aan tegen dit vonnis en vroeg dat de administratieve beslissingen van de RVA zouden worden hersteld. II. BEOORDELING Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, wat overigens niet wordt betwist. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Onvrijwillig werkloos?
- Krachtens artikel 7, §1, derde lid, i van de Besluitwet van 28 december 1944 dient de RVA aan de onvrijwillig werklozen en aan hun gezin de uitbetaling van de hen verschuldigde uitkeringen te verzekeren. Dit brengt mee dat aan vrijwillig werklozen geen uitkeringen kunnen worden toegekend. Dit basisbeginsel wordt verder bevestigd in de artikelen 44 en 51 van het werkloosheidbesluit. Om uitkeringen te kunnen genieten moet de werkloze wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn ( artikel 44). In artikel 51 §1, tweede lid van het werkloosheidbesluit wordt het begrip werkloosheid wegens omstandigheden afhankelijk van de wil van de werknemer nader omschreven in de zin van o.m. 1° het verlaten van een passende dienstbetrekking zonder wettige reden. De werknemer die zelf een einde maakte aan de arbeidsovereenkomst is niet werkloos wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil, tenzij zijn ontslag het gevolg is van omstandigheden welke van die aard zijn dat van hem niet redelijkerwijze kan worden gevergd de dienstbetrekking te laten voortduren. De vraag is of dergelijke omstandigheden hier aanwezig zijn.
- Bij KB van 29 september 1993 werd de ASLK omgevormd tot een privaatrechtelijke vennootschap en hierdoor zouden de personeelsleden vanaf 1 mei 1994 van een statutair naar een contractueel regime overgaan. Om dit te begeleiden hebben de ASLK Bank NV en de ASLK Verzekeringen NV samen met de vakorganisaties op 28 mei 1993 een bedrijfs-CAO afgesloten, waarbij een regime van disponibiliteit werd ingevoerd. Ingevolge artikel 2 van deze CAO stond dit stelsel open voor: de statutaire personeelsleden, met minstens 10 jaar werkelijke dienst, die niet in aanmerking komen voor pensionering wegens invaliditeit en die beantwoorden aan een van de twee hiernavolgende voorwaarden : minstens 52 jaar zijn en rekening houdende met de behoeften van het bedrijf, niet in aanmerking komen voor een passende functie disfunctioneren, d.w.z. systematisch en voortdurend ontoereikende prestaties leveren waarbij evenwel erkend wordt dat die toestand door de algemene gezondheidsproblemen van psychische, fysische of sociale aard veroorzaakt wordt. Artikel 3 vermeldt dan verder: De beslissing tot in disponibiliteitstelling wordt genomen door het voor personeelszaken bevoegde lid van het directiecomité, op gemotiveerd voorstel van de H.R.-directeur of zijn vertegenwoordiger. Deze beslissing heeft slechts uitwerking indien het betrokken personeelslid ermee instemt. Deze instemming van het personeelslid wordt in diverse documenten als voorwaarde benadrukt ( vgl. dienstorder 2680 van 16 februari 1993, p. 2; nota intersyndicale ASLK 15 december 1993) Het stelsel houdt in dat het personeelslid tot de leeftijd van 55 jaar vrijgesteld wordt van prestaties met de betaling van een maandelijkse disponibiliteitsvergoeding die overeenkomt met 70% van de laatstgenoten maandelijkse netto wedde; na die leeftijd kan het personeelslid genieten van een vervroegd ASLK pensioen tot aan de wettelijke pensioenleeftijd van 60 jaar, uitgewerkt via de groepsverzekering.
- Tengevolge van zijn aanvraag genoot hij van de in disponibiliteitstelling van 1 april 1995 tot 31 maart
- Na die datum ontving hij de uitkering van zijn kapitaal ingevolge de groepsverzekering en een maandelijkse bruto rente van 36.032 frank ( euro 893,20) tot aan de pensioenleeftijd ( 1 april 2003)
- De wettige reden voor een werkverlating moet op objectieve wijze vastgesteld worden en kan niet afhangen van het zelfs wettig vertrouwen van de werknemer in het bestaan van een dergelijke reden ( vgl. Cass. 20 november 2000, JTT 2001, 94) Het enkele feit van het bestaan van een bedrijfs-CAO, waardoor men de mogelijkheid bekomt om in het kader van een herstructurering het bedrijf vervroegd te verlaten, is onvoldoende om een wettige reden aan te nemen, wanneer daarbij geen feiten worden vastgesteld die aantonen dat de werknemer geen andere keuze had. ( vgl. Cass. 19 januari 2004 RVA/Van Hoezen, S.03.0094.N) Samen met het Openbaar Ministerie moet vastgesteld worden dat de regeling van in disponibiliteitstelling op vrijwillige basis is geschoeid en dat de beslissing hiertoe enkel mogelijk is wanneer het betrokken personeelslid ermee instemt. ( artikel 3 van de bedrijfs-CAO van 28 mei 1993; dienstorder 2680 van 16 februari 1993, p. 2; nota intersyndicale ASLK 15 december 1993) In artikel 22D van het arbeidsreglement wordt enkel een opzegging mogelijk gemaakt wanneer het personeelslid geen gunstig gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de directie om gebruik te maken van het regime van disponibiliteit of vervroegd pensioen; dit houdt niet in dat het personeelslid de facto gedwongen is om aan het verzoek gevolg te geven en evenmin dat er een automatisme tot opzegging is, daar de opzegging enkel een mogelijkheid is. ASLK heeft er weliswaar alles aan gedaan om een aantrekkelijke uitstapregeling in het leven te roepen teneinde een aantal werknemers te overtuigen op vrijwillige basis de onderneming te verlaten. Deze regeling hield echter in dat de betrokkenen de keuze hadden om al dan niet hun dienstbetrekking te behouden. De redenen die de heer U. voor deze keuze aangeeft, gaan terug naar de achterliggende bedoelingen van het vertrekregime en beperken zich derhalve tot de oogmerken van de herstructurering van de voormalige werkgever en de voordelen die dat voor hem had. Maar de heer U. toont daarbij niet aan dat hij geen andere keuze had dan in te gaan op dit stelsel. Overeenkomstig de bedrijfs-CAO en de toelichtende documenten had hij die keuze juist wel. In die zin is de heer U. vrijwillig werkloos geworden en heeft hij een passende dienstbetrekking verlaten zonder dat hij een wettige reden in de zin van artikel 51 van het werkloosheidbesluit aantoont. Het is niet zo dat hij geen andere keuze had dan in het kader van de uitstapregeling te vertrekken. Het enkele feit dat zijn perspectieven minder aantrekkelijk werden, indien hij niet meeging in de uitstapregeling, is geen voldoende wettige reden in de zin van artikel 51 om een passende dienstbetrekking te verlaten. De toepasselijke uitsluiting.
- De werknemer die werkloos is of wordt wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil, wordt uitgesloten overeenkomstig de artikelen 52 -54 van het werkloosheidbesluit. Volgens artikel 52 bis §1, 1° van dit besluit, zoals van toepassing op 8 maart 1999, wordt de werknemer die werkloos werd in de zin van artikel 51 §1, tweede lid, tengevolge van werkverlating, uitgesloten van de uitkeringen gedurende ten minste 26 en ten hoogste 52 weken. Volgens artikel 52 bis §2, eerste lid, 1° verliest de betrokkene het recht op uitkeringen wanneer hij zijn werk verliet met het opzet werkloosheidsuitkeringen aan te vragen. Volgens het derde lid van die bepaling houdt de uitsluiting pas op wanneer de werknemer opnieuw voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden van de artikelen 30 en volgende van het werkloosheidbesluit. Het is deze laatste bepaling die ten aanzien van de heer U. werd toegepast.
- Uit wat gezegd werd in randnummer 4, volgt dat de heer U. zijn dienstbetrekking verlaten heeft ingevolge een aantrekkelijke uitstapregeling, die binnen zijn onderneming met goedkeuring van de sociale partners werd uitgewerkt omwille van een noodzakelijke herstructurering. Aldus toont de RVA niet aan dat hij zijn arbeidsrelatie heeft beëindigd met het opzet uitkeringen aan te vragen. Ingevolge artikel 52 bis §1, 1° dient de uitsluitingsbeslissing te worden beperkt in de tijd. De heer U. heeft zelf beslist om zijn dienstbetrekking te verlaten omdat hij hiertoe door zijn werkgever aangespoord werd; het blijkt niet dat zijn drijfveer lag in het bekomen van werkloosheidsuitkeringen. Gelet op de gegevens van de zaak, kan deze beperking worden bepaald op 26 weken. Het hoger beroep van de RVA is voor dit onderdeel gedeeltelijk gegrond. Werkloos zonder loon?
- Voor de resterende periode dient verder te worden nagegaan of de werkloosheidsuitkeringen konden worden gecumuleerd met de uitkeringen die de heer U. ingevolge de uitstapregeling tijdens zijn werkloosheid ontving. In de tweede beslissing van 4 mei 1999 werd geoordeeld dat deze rente loon was in de zin van de artikelen 44 en 46 van het werkloosheidsbesluit. Oordeelkundig heeft het Openbaar Ministerie geanalyseerd dat de financiering van de maandelijkse rente in deze periode mogelijk gemaakt wordt door een aanpassing van het reglement van de groepsverzekering in de zin dat het financieringsfonds met uitzonderlijke dotaties kan worden gestijfd. Er dient immers een aanvulling te worden toegekend, wanneer het wettelijk pensioen alleenstaande op 60 jaar niet volstaat om een netto rente van 70% van de laatste netto referentie werden te bereiken. De uitleg die Fortis Bank in haar verklaring van 19 november 2004 geeft is onvoldoende transparant om vast te stellen of de werkgever via het kanaal van de groepsverzekering de gevolgen van het vroegtijdig vertrek van de werknemers al dan niet gedeeltelijk ten laste neemt. Het hof sluit zich aan bij de vraag van het Openbaar Ministerie of de verklaring van Fortis Bank zo moet worden gelezen dat het daar enkel gaat over dat deel van de rente overeenstemmend met het deel van het wettelijk pensioen alleenstaande waarvan de betaling tot de pensioenleeftijd wordt gewaarborgd, met uitsluiting van de aanvulling die nodig is om 70% van de laatste nettoreferentiewedde te bereiken. Anderzijds wordt in die verklaring enkel bevestigd dat er tussen 55 en 60 jaar geen enkele dotatie van de werkgever naar de verzekeraar is geweest om de rente te financieren, maar hierdoor wordt niet uitgesloten dat deze dotatie op een ander (eerder of later) ogenblik gebeurde. Het voordeel was door de heer U. al aangevraagd bij de in disponibiliteitstelling. Het hof stelt zich daarbij de vraag welke uitbetaling groepsverzekering de betrokkene had ontvangen en op welke basis, indien hij geen gebruik had gemaakt van de uitstapregeling (disponibilitiet en vervroegd bedrijfspensioen vanaf 55 jaar). Het is dan ook noodzakelijk dat Fortis een accurate en transparante uitleg geeft over de bijkomende waarborgen die de heer U. bekwam via de groepsverzekering, en of deze geheel of gedeeltelijk al dan niet financieel werden ten laste genomen door de werkgever door bijkomende afnames uit het financieringsfonds, gecompenseerd door buitengewone dotaties, zodat een onderzoek door de RVA-diensten zich dienaangaande opdringt. De debatten worden hiertoe heropend. Vervolgens dienen partijen het debat te voeren over de vraag of de werknemer aldus vergoedingen ontvangt uit hoofde van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Gelet op het grotendeels eensluidend schriftelijk advies van advocaat-generaal Jean-Jacques André van 1 april 2010, waarop partijen hebben gerepliceerd; Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond; Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende, Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en reeds in volgende mate gegrond, Hervormt de beslissing van de RVA van 4 mei 1999 met kenmerk C29/72422/51(B)/180343/RD/587 in de zin dat ingevolge artikel 52 bis §1, 1° van het werkloosheidbesluit de uitsluiting van het recht op werkloosheidsuitkeringen van de heer U. vanaf 10 mei 1999 beperkt wordt tot een termijn van 26 weken. Bevestigt deze beslissing voor het overige. Vooraleer ten gronde uitspraak te doen over de beslissing van de RVA van 4 mei 1999 met kenmerk C29/72422/46/180343/RD/588 heropent de debatten om de redenen, vermeld in randnummer
- Bepaalt hiertoe de hiernavolgende conclusietermijnen: - De partij RVA zal haar conclusies neerleggen en overleggen tegen uiterlijk 28 februari 2011; - De partij U. zal haar antwoordconclusies neerleggen en overleggen tegen uiterlijk 6 mei 2011; - De partij RVA zal haar eventuele antwoord- én synthesebesluiten neerleggen en overleggen tegen uiterlijk 30 juni 2011; Stelt de zaak voor verdere behandeling op de openbare terechtzitting van de 7de kamer van dit Hof ( zaal 0.6) op 22 september 2011, Poelaertplein, 3 te 1000 Brussel om 14 uur 30'. Om nadien verder te oordelen als naar recht; Kosten aan te houden. Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel en ondertekend door: L. Lenaerts raadsheer, voorzitter; Ch. Lauriers, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever; H. Silon, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werknemer-arbeider; K. Cuvelier, griffier. L. Lenaerts K. Cuvelier Ch. Lauriers H. Silon en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 mei tweeduizend en tien van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel door: L. Lenaerts raadsheer, voorzitter; Bijgestaan door K. Cuvelier griffier. L. Lenaerts K. Cuvelier PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100527.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div