← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100528.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 28 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100528.9 Rolnummer: 2007/AB/49411 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-06-17 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-01 13:03 Fiches 1 - 2 Voor het vaststellen van het beroepsverleden komt de in het buitenland verrichte arbeid in aanmerking wanneer hij verricht werd in een dienstbetrekking die in België aanleiding zou geven tot inhoudingen voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de sector werkloosheid. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Brugpensioen - Voltijds Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - BRUGPENSIOEN - KB van 7/12/1992 art. 2 § 4 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen ingeval van een conventioneel brugpension. Wettelijke bepalingen: Wet - 01-08-1985 - 132 - 31 ELI link Pub nr 1985023620 Koninklijk Besluit - 07-12-1992 - 2,§4 - 30 ELI link Pub nr 1992012977 Nota: Gerangschikt onder V J (KB 7/12/1992), art. 2 §

  1. Eveneens gerangschikt onder V A N art. 37 §
  2. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Brugpensioen - Voltijds - Werkloosheidsuitkering Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID - Artikel 37 § 2 van het werkloosheidsbesluit. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 37,§2 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder V A N art. 37 §
  3. Eveneens gerangschikt onder V J (KB 7/12/1992), art. 2 §
  4. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 28 MEI
  5. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: Mevrouw W. , wonende te [xxx], Appellante, vertegenwoordigd door Mter M.-A. Dedeurwaerdere, advocaat te 8200 Sint-Andries; Tegen : DE V.Z.W. FEDERATION EUROPEENNE DES PORT INTERIEURS, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Redersplein, 6, Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter L. De Smet loco Mter J. Vanden Eynde, advocaat te 1050 Brussel;   Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank van Brussel (2de kamer ) op de openbare terechtzitting van 6 november 2006; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 17 januari 2007; - het tussenarrest van dit hof d.d. 23 oktober 2009; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 30 april 2010; waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.  
  6. Het hof kan verwijzen naar de feiten en rechtspleging, zoals weergegeven in het tussenarrest van 23 oktober
  7. In dit tussenarrest werd reeds vastgesteld dat de vordering van mevrouw W. niet verjaard was. Wat betreft haar aanspraken op het conventioneel brugpensioen werd vastgesteld dat de RVA in de brief van 15 december 2006 dit recht erkent, maar hierbij enkel spreekt over de leeftijdvoorwaarde en verder geen gegevens verstrekt over de loopbaanvereiste, zoals vastgesteld in artikel 2 §4 van het KB van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen ingeval van een conventioneel brugpensioen. Om hierover nadere gegevens te bekomen heeft het hof de RVA bevolen om een afschrift van het dossier werkloosheid/brugpensioen van mevrouw W. neer te leggen, eventueel vergezeld van een aanvullende nota in verband met de vervulling van de loopbaanvereiste. VERDERE BEOORDELING
  8. Artikel 2 §4 van het KB van 7 december 1992 verwijst voor de loopbaanvereiste naar artikel 114 §4, tweede lid van het KB van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering ( hierna aangeduid als het werkloosheidbesluit). Het in dat laatste artikel bedoelde begrip beroeps-verleden wordt uitgewerkt in artikel 70 van het MB van 26 november 1991, waarin voor de omschrijving van de arbeidsdagen op zijn beurt wordt verwezen naar artikel 37 van het werkloosheidbesluit. In artikel 70 §2 wordt hieraan toegevoegd : Het bekomen aantal arbeids - en gelijkgestelde dagen, gedeeld door 312, geeft het aantal jaren beroeps-verleden als loontrekkende. Indien de rest 156 of meer bedraagt, wordt het aantal jaren beroepsverleden met een eenheid verhoogd. Een rest van minder dan 156 komt niet in aanmerking. In verband met de arbeidsdagen wordt in artikel 37 §2 van het werkloosheidbesluit bepaald : De in het buitenland verrichte arbeid komt in aanmerking wanneer hij verricht werd in een dienstbetrekking die in België aanleiding zou geven tot inhoudingen voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de sector werkloosheid.
  9. Geïntimeerde leidt uit de stukken, die door de RVA worden voorgebracht, af dat mevrouw W. voor de jaren 1963 tot 2003 4.038 arbeidsdagen en 1.411 gelijkgestelde dagen bewijst, hetzij in totaal 5.449 dagen, wat volgens haar berekening slechts leidt tot een beroepsverleden van 17,46 jaar, hetzij minder dan 20 jaar.
  10. Geïntimeerde maakt hierbij een foutieve toepassing van het aantal dagen voor het jaar 1978, dat zij slechts in aanmerking neemt voor 31 arbeidsdagen en 38 gelijkgestelde dagen, hetzij in totaal 69 dagen, terwijl uit het dossier van de RVA blijkt dat dit respectievelijk 64 en 138 dagen dient te zijn, zijnde in totaal 202 dagen, of een verschil van 133 dagen. Voor het jaar 2003 kan slechts rekening gehouden worden met de periode van 1 januari tot 31 maart 2003 of 312 dagen x 3/12 = 78 dagen, terwijl geïntimeerde hier 104 dagen aanrekent, zijnde een teveel van 26 dagen. Deze rekenfouten leidden ertoe dat geïntimeerde een tekort van 133 dagen - 26 dagen = 107 dagen in rekening brengt, zodat het juiste bedrag 5.449 + 107 = 5.556 dagen bedraagt.
  11. Terecht wijst mevrouw W. erop dat op die wijze nog geen rekening wordt gehouden met de prestaties die zij in het buitenland heeft verricht van 1 augustus 1960 tot 30 september
  12. Uit het attest van het Bundesversicherungsanstalt, toegekomen bij de RVA op 10 december 2003, volgt dat voor deze periode bijdragen werden betaald, zodat het gaat om arbeid verricht in een dienstbetrekking die in België aanleiding zou geven tot inhoudingen voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de sector werkloosheid. Terecht berekent mevrouw W. deze prestaties op 676 dagen. Ze bewijst aldus 5.556 + 676 = 6.232 dagen. Dit geeft een beroepsverleden van 19 jaar en 304 dagen of volgens de afronding van artikel 70 § 2 van het MB van 26 november 1991 20 jaar.
  13. Aldus toont mevrouw W. aan dat ze voldoet aan de loopbaanvereiste, zoals bedoeld in artikel 2 § 4 van het KB van 7 december
  14. Alhoewel de RVA aanvanke-lijk geen precisering had gegeven over de loopbaan-vereiste volgt uit het door de RVA voorgelegde dossier dat zij terecht bevestigd heeft dat mevrouw W. gerechtigd was op werkloosheidsuitkeringen in het kader van brugpensioen. Mevrouw W. vraagt in die omstandigheden terecht afgifte van de vereiste sociale en fiscale documenten, waaronder het formulier C17, alsook betaling van de achterstallige aanvullende vergoedingen. Zij vraagt dat de afgifte van de documenten zou gebeuren onder verbeurte van een dwangsom van euro 250 dag vertraging; deze dient billijk herleid te worden tot euro 25 per dag vertraging.
  15. Mevrouw W. meent dat geïntimeerde rechtsmisbruik heeft gepleegd wegens het moedwillig niet toekennen van brugpensioen. Dit kan niet weerhouden worden, daar uit de bovenvermelde volgt dat de RVA aanvankelijk geen nuttige precisering had gegeven betreffende de loopbaanvereiste. Bovendien bereikte mevrouw W. slechts de beroepsloopbaan van 20 jaar omwille van haar prestaties in het buitenland, die slechts konden geverifieerd worden dankzij het door het hof bij de RVA opgevraagde dossier. De vordering van mevrouw W. en haar hoger beroep zijn op dit punt ongegrond.
  16. Tenslotte vraagt zij nog achterstallig loon voor de dagen van 1 tot 7 april 2003, terwijl uit het C4-formulier in het dossier van de RVA volgt dat zij slechts gewerkt heeft tot 31 maart 2003 en dat haar een opzeggingsvergoeding werd uitbetaald voor de periode van 1 april 2003 tot 31 oktober
  17. Ook op dit punt is haar vordering en haar hoger beroep ongegrond.   OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Het tussenarrest van 23 oktober 2009 verder uitwerkend, Verklaart het hoger beroep gedeeltelijk gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende, Verklaart de oorspronkelijke vordering van mevrouw W. ontvankelijk en in volgende mate gegrond, Veroordeelt de VZW Fédération Européenne des Ports Intérieurs tot de afgifte aan mevrouw W. van de vereiste sociale en fiscale documenten tot het bekomen van het conventioneel brugpensioen, waaronder het formulier C17, en dit onder verbeurte van een dwangsom van euro 25 per dag vertraging na 10 dagen na de betekening van dit arrest; Veroordeelt de VZW Fédération Européenne des Ports Intérieurs tot betaling aan mevrouw W. van de achterstallige aanvullende vergoedingen ten bedrage van euro 1 provisioneel, meer de verwijlintresten vanaf 1 november 2003 en de gerechtelijke intresten. Wijst al het meergevorderde af. Veroordeelt de VZW Fédération Européenne des Ports Intérieurs tot betaling van de gerechtskosten van beide aanleggen, deze aan de zijde van mevrouw W. begroot op dagvaarding euro 82,73 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 109,32 rechtsplegingsvergoeding beroep euro 291,50 totaal euro 482,55 en voor zover als nodig aan de zijde van geïntimeerde begroot op rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank euro 218,64   Aldus gewezen door de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : L. LENAERTS : Raadsheer, S. ALAERTS : Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, A. LEURS : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende, En bijgestaan door : S. VAN LANDUYT: Gedelegeerd grif­fier, S. ALAERTS A. LEURS S. VAN LANDUYT L. LENAERTS En uitgesproken op de openbare te­rechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 28 mei 2010 door : De heer L. LENAERTS : Raadsheer, En bijgestaan door : S. VAN LANDUYT: Gedelegeerd grif­fier, S. VAN LANDUYT L. LENAERTS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100528.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.