id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 03 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100603.9 Rolnummer: 2003/AB/043888 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-08-26 Raadplegingen: 129 - laatst gezien 2026-07-01 13:06 Fiche 1) Artikel 37bis van de wet van 29 juni 1981 dat, ingeval van omschakeling of een inbreng van activiteiten 'in het algemeen' in de zin van titel IX van het Wetboek van Koophandel de terugvordering van de ten onrechte ontvangen Marbelsteun mogelijk maakt ten laste van de nieuwe werkgever, vindt geen toepassing indien de nieuwe werkgever slechts bepaalde activa en passiva heeft overgenomen en toepassing heeft gemaakt van artikel 174/62 van het Wetboek van Koophandel. 2) De rechter dient daarnaast te onderzoeken of de terugvordering ten aanzien van de overnemende vennootschap niet opgelegd is door Europese regels. Wanneer de overnemer voor de overname van activa een normale marktprijs betaald heeft dient, volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, aangenomen te worden dat het steun element is geraamd tegen de marktprijs en meegerekend is in de aankoopprijs. In dat geval kan de koper niet worden geacht een voordeel te hebben genoten ten opzichte van andere marktdeelnemers. De verkoopprijs weerspiegelt dan immers de gevolgen van de vroegere steun, en de verkoper behoudt het voordeel van de steun. De vroegere situatie moet dan in de eerste plaats hersteld worden door de terugbetaling van de steun door de verkoper. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Algemeen (sociale zekerheid) - Andere Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID WERKNEEMRS - ALGEMENE BEGINSELEN VAN DE SOCIALE ZEKERHEID - Terugvordering van ten onrechte (in strijd met het recht van de EU) genoten Maribelsteun ten laste van een vennootschap die activa heeft overgenomen van de vennootschap die ten onrechte de steun heeft ontvangen. Wettelijke bepalingen: Wet - 29-06-1981 - 37bis - 02 ELI link Pub nr 1981001048 Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 3 JUNI 2010 7 e KAMER SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - bijdragen werkgevers Artikel 580,1° Ger.W. tegensprekelijk definitief In de zaak:
- PLASTUNI OPERATIONS NV, met maatschappelijke zetel te 9400 NINOVE, Pamelstraat Oost 421, appellante, vertegenwoordigd door mr. MALHERBE Philippe, advocaat te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan
- Tegen:
- RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. DE KERPEL S. loco mr. DERVEAUX Pieter, advocaat te 1930 ZAVENTEM, Parklaan
- *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 8 november 2002 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 8e kamer (A.R. 6550/01). - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 14 februari 2003; - de conclusies voor de appellante; - de conclusie voor de geïntimeerde; - de tussenarresten van het hof; - de schriftelijke adviezen van het openbaar ministerie; - de replieken van de appellante en geïntimeerde; - de voorgelegde stukken; De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 18 maart 2010, waarna de debatten werden gesloten. De zaak werd voor schriftelijk advies meegedeeld aan het openbaar ministerie tegen uiterlijk 1 april 2010, waarop beide partijen hebben gerepliceerd, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. *** * I. DE FEITEN
- De inmiddels ontbonden en vereffende nv Plastuni genoot in de periode tussen het 3e kwartaal 1993 en het 2e kwartaal 1997 een vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen op grond van de zogenaamde Maribel bis en Maribel ter operatie, uitgewerkt door de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid en de Koninklijke Besluiten van 12 februari 1993, 14 juni 1993 en 22 februari
- Bij beschikking van de Europese Commissie van 4 december 1996 werden de regelingen Maribel/bis en Maribel/ter echter beschouwd als een onrechtmatige vorm van staatssteun en werd aan de Belgische Staat de verplichting opgelegd deze staatssteun terug te vorderen. De Europese Commissie bepaalde in artikel 2 van zijn beschikking: " België dient passende maatregelen te nemen om de verhoogde vermindering van de sociale bijdragen, zoals ingevoerd bij de Maribel bis/ter regeling, zoals bedoeld in artikel 1 ongedaan te maken en dient die illegaal verleende steun bij de ontvangen ondernemingen terug te vorderen. De terugvordering dient volgens de procedures en de bepalingen van de Belgische wet te geschieden, met inbegrip van een rente tot aan de datum van de daadwerkelijke terugbetaling, te rekenen vanaf de datum van steunverlening, tegen een rentevoet gelijk aan de procentwaarde op die datum van de referentievoet voor de berekening van het nettosubsidie equivalent van de regionale steun in België" Bij arrest van 17 juni 1999 heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap het hoger beroep van de Belgische staat tegen de beslissing van de Europese Commissie als ongegrond afgewezen.
- In uitvoering van de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschap werd door de programmawet van 24 december 1999 houdende sociale en diverse bepalingen een artikel 37 bis ingevoegd in de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van sociale zekerheid. Artikel 37 bis bepaalde in zijn § 2 het bedrag van de bijdragevermindering dat door de werkgevers, die het genoten hadden, diende terugbetaald te worden. In de laatste alinea van deze paragraaf werd dan het volgende voorzien: " De terugvordering bij fusie, splitsing, omschakeling of een inbreng van activiteiten in de zin van titel IX van het Wetboek van Koophandel in het algemeen geschiedt bij de nieuwe werkgever. De terugvordering bij deze laatste is in verhouding tot het percentage van het geheel van de door hem overgenomen schulden." Overeenkomstig art. 37 bis § 4 van de wet werd de terugvordering van de ten onrechte ontvangen steun toevertrouwd aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
- De nv Plastuni, die financiële moeilijkheden kende, heeft op 30 januari 1998 een overeenkomst tot de reorganisatie afgesloten met de NV Guifra. Er werd overeengekomen dat een nieuwe vennootschap zou opgericht worden, de nv Plastuni Operations, waarin de nv Plastuni een deel van haar activiteiten en passiva zou onderbrengen (de nv Plastuni bleef eigenaar van het overige actief, essentieel een onroerend goed en schuldenaar van het overig passief, essentieel een aantal bankschulden). De waarde van de inbreng van de nv Plastuni in de nieuwe vennootschap werd geraamd op een bedrag van 3.368.000 BF (83.490,54 euro ) , zijnde het verschil tussen de waarde van de ingebrachte activa en de waarde van de ingebrachte passiva. De inbreng werd vergoed met de toekenning aan de NV Plastuni van 3368 aandelen van 1.000 BF (24,79 euro ). Op 19 februari 1998 werd de nv Plastuni in vereffening geplaatst en wijzigde ze haar naam in de nv Plast Real Estate. Op dezelfde datum werd de nv Plastuni Operations opgericht met als oprichter de nv Plast Real Estate, met 3368 aandelen en de nv 3PsBelgium met 1 aandeel. De nv Plast Real Estate heeft, zoals overeengekomen in de overeenkomst van 30 januari 1998, onmiddellijk na de oprichting haar aandelen verkocht aan de nv Guifra, voor een bedrag van 1,00 BF (0.02 euro ). De nv Guifra nam in het kader van de overeenkomst de verplichting op zich door sterkmaking dat de nieuw opgerichte vennootschap onmiddellijk een deel van de bankschulden zou aanzuiveren. Zij deed daarvoor een inbreng in de nieuwe vennootschap.
- Bij schrijven van 18 februari 2000 stelde de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de nv Plastuni Operations in kennis van de beschikking van de Europese Commissie van 4 december 1996, het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en van de nieuwe wettelijke bepaling van artikel 37 bis van de wet van 29 juni
- Met hetzelfde schrijven werd aan de nv Plastuni Operations het bedrag medegedeeld van de schuld die zij diende terug te betalen hetzij een bedrag van 102.915,82 euro (4.151.614 BF). De nv Plastuni Operations heeft deze vordering onmiddellijk betwist, doch is onder voorbehoud overgegaan tot betaling van het gevorderde bedrag in verschillende kwartaalbetalingen. II. DE RECHTSPLEGING.
- Bij dagvaarding van 9 maart 2001 heeft de nv Plastuni Operations de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gedagvaard voor de arbeidsrechtbank te Brussel. De nv Plastuni Operations vroeg de arbeidsrechtbank te zeggen voor recht dat zij niet gehouden was tot terugbetaling van de som van 102.915,82 euro BF en vorderde dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zou veroordeeld worden tot terugbetaling van de stortingen die zij reeds gedaan had, en nog zou doen, in het kader van de vordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Bij besluiten heeft de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een tegenvordering ingesteld waarbij de veroordeling gevraagd werd van de nv Plastuni Operations tot betaling van de som van 102.915,82 euro , vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke intresten.
- Bij vonnis van 8 november 2002 heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de oorspronkelijke vordering van de nv Plastuni Operations ongegrond verklaard en de tegenvordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gegrond verklaard. De nv Plastuni Operations werd veroordeeld tot betaling van de som van 102.915,82 euro , vermeerderd met de termijnintresten van 6,73 procent vanaf 18 februari 2000 tot de datum van de volledige betaling, doch onder aftrek van de gedane betalingen waarmee rekening diende gehouden te worden voor de berekening van de verschuldigde intresten.
- Bij verzoekschrift van 14 februari 2003 heeft de nv Plastuni Operations hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank. De nv Plastuni Operations vraagt de hervorming van het bestreden vonnis en de toewijzing van haar oorspronkelijke vordering, met kapitalisatie van de intresten. Zij stelt in laatste besluiten een nieuwe vordering in en vordert een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos verweerd. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. Bij arrest van 6 mei 2004 heeft het hof op verzoek van de nv Plastuni Operations de heropening van de debatten bevolen ten einde de nv Plastuni Operations toe te laten over te gaan tot de neerlegging van een nieuw stuk. Bij arrest van 30 november 2006 heeft het hof het hoger beroep van de nv Plastuni Operations ontvankelijk verklaard doch, vooraleer uitspraak te doen over de grond van de zaak, de heropening van de debatten bevolen teneinde partijen toe te laten verder te concluderen over de opportuniteit van het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, zoals gesuggereerd in het advies van het Openbaar Ministerie. Bij arrest van 18 oktober 2007 heeft het arbeidshof een deskundige aangesteld met als vraag zijn advies te geven over de vraag of de destijds door de NV Guifra betaalde prijs van 1,00 BF (0,02 euro ) voor de aandelen van de nv Plastuni Operations, overeenstemt met de marktprijs van die aandelen, dit wil zeggen de hoogste prijs die een particuliere investeerder, die onder normale mededingingsvoorwaarden handelt, bereid was voor deze vennootschap te betalen in de toestand waarin zij zich bevond. De deskundige heeft zijn verslag neergelegd ter griffie op 16 september
- In zijn verslag oordeelt de deskundige dat de door de NV betaalde prijs beantwoordde aan de normale marktwaarde van de aandelen. Na het tussenarrest en na het deskundig verslag herneemt met name de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid haar volledige argumentatie, zoals ontwikkeld in eerdere besluiten voor het hof en waaromtrent het hof nog geen uitspraak had gedaan. III. BEOORDELING.
- Het vonnis waartegen beroep. De standpunten van partijen.
- De eerste rechter steunde zijn beslissing essentieel op de overweging dat bij de inbreng van een aantal activa en passiva door de NV Plastuni (na in vereffening stelling de nv Plast Real Estate) in de nv Plastuni Operations, uitdrukkelijk overeengekomen was dat de nv Plastuni Operations de schulden ten aanzien van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid volledig zou overnemen. De eerste rechter overwoog daarbij dat vermits de nv Plastuni Operations het overgrote merendeel van het personeel van de NV Plast Real Estate had overgenomen, niet ernstig kan betwist worden dat zij de reële begunstigde was van de genoten Maribelsteun.
- De nv Plastuni Operations betwist dat, op het ogenblik van haar oprichting en de inbreng van een deel van de activa en passiva, overeengekomen zou zijn dat de nieuwe vennootschap het geheel van de schulden van de vroegere vennootschap ten aanzien van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zou overgenomen hebben. Volgens de nv Plastuni Operations blijkt integendeel uit de stukken dat het de uitdrukkelijke bedoeling was van de partijen om enkel die activa en passiva over te nemen, waarnaar verwezen werd in het verslag van de bedrijfsrevisor met betrekking tot de inbreng en in de voorafgaande overeenkomst van 30 januari
- Zij verwijst daarbij naar het feit dat, op het ogenblik dat de overeenkomst werd gesloten, zijn geen kennis had van de vordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en dat er overigens, op dat ogenblik, geen vordering bestond in hoofde van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Het was immers slechts bij wet van 31 december 1999 dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid belast werd met de terugvordering van de ten onrechte uitgekeerde staatssteun. De nv Plastuni Operations wijst er verder op dat de terugvordering tegen haar ook niet kon gebeuren op basis van artikel 37 bis § 2 van de wet van 29 juni 1981 omdat de inbreng, die heeft plaatsgevonden, geen inbreng was van een algemeenheid of van een bedrijfstak. Zij verwijst daarbij naar het feit dat, overeenkomstig artikel 174/62 van de toenmalige gecoördineerde wetten op de handelsvennootschap de betrokken vennootschappen konden besluiten de inbreng van een bedrijfstak niet te onderwerpen aan de regeling omschreven in artikel 174/56 tot 174/61 van het Wetboek van Koophandel hetgeen ook gebeurd was. Het gevolg was dat niet het geheel van de activa en passiva werden overgenomen. De nv Plastuni Operations roept verder in dat
(1)de terugvordering ten haren laste strijdig is met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen, die bepaalt dat de onrechtmatige overheidssteun in de regel enkel kan teruggevorderd worden bij de steunontvangende onderneming, hetgeen in onderhavige geval de onderneming Plast Real Estate zou zijn. Het is slechts bij uitzondering, en met name wanneer vaststaat dat de onrechtmatig genoten steun doorgespeeld werd aan een derde zonder dat deze tot een overeenstemmende tegenprestatie opzichtens de steunontvangende onderneming gehouden zou zijn, dat de terugvordering kan gebeuren ten laste van deze onderneming
(2)de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid geen hoedanigheid heeft om van haar de terugbetaling te vorderen van de ontvangen steun
(3)artikel 37 bis § 2 laatste lid van de wet van 29 juni 1981 strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. In nog meer ondergeschikte orde stelt de nv Plastuni Operations dat in ieder geval, indien artikel 37 bis § 2 laatste lid van de wet van 29 juni 1981 toepassing zou vinden, zij slechts gehouden is tot terugbetaling van de onrechtmatig toegekende overheidssteun, in verhouding tot de overgenomen schulden.
- De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is in hoofdorde van oordeel dat er wel degelijk sprake was van een conventionele overname van het geheel van de schulden die de nv Plastuni bij haar had. Zij verwijst daarbij naar de oprichtingsakte van de nieuwe vennootschap. Zij stelt dat, op het ogenblik van de inbreng en de overname, de terugbetaling van de genoten steun in het kader van de Maribelregeling wel degelijk reeds een bestaande schuld was ten zijn opzichte, vermits het ging om de terugbetaling van een bijdragevermindering die, ingevolge de beschikking van de Europese Commissie, van in den beginne als onrechtmatig en aldus als onverschuldigd diende beschouwd te worden. In ondergeschikte orde stelt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat de overname van de activiteiten van de Plastuni wel degelijk onder het toepassingsgebied valt van de laatste alinea van art. 37 §
- De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verwijt de nv Plastuni Operations dat zij doelbewust een constructie op touw heeft gezet ten einde aan de terugbetaling van de ten onrechte ontvangen steun te ontsnappen. Tenslotte verwijst de nv Plastuni Operations naar een aantal arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap waaruit zij afleidt dat, ingevolge het Europees recht zelf, en abstractie gemaakt van de bepaling van artikel 37 § 2 van de wet van 29 juni 1981,de terugvordering kon of diende te gebeuren bij de nv Plastuni Operations.
- Is er sprake van een conventionele overdracht van schulden? De eerste rechter steunt, zoals vermeld, essentieel op de bepaling van de notariële akte waarin de inbreng van de nv Plast Real Estate beschreven wordt. Volgens de notariële akte had de inbreng onder andere betrekking op "de op datum van inbreng (19 februari 1998) verschuldigde bijdragen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid met inbegrip van verwijlintresten en boeten". Terecht echter merkt de nv Plastuni Operations op dat deze bepaling dient begrepen te worden in het licht van de andere documenten die door partijen op dat ogenblik opgesteld werden en waaruit blijkt dat, volgens de bedoeling van de partijen, die niet tegengesproken wordt door de bewoordingen van de oprichtingsakte, de overname van de schulden bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid beperkt was tot een aantal gedetailleerd omschreven schulden, zoals die bekend waren op het ogenblik van de overdracht en inbreng. In de overeenkomst van 30 januari 1998 "tot reorganisatie en overdracht van aandelen" die de oprichting van de nv Plastuni Operations voorafging, wordt in artikel 7, onder de hoofding " inbreng van de fiscale en sociale schulden" voorzien in de inbreng van een totaalbedrag van 83.601.530 BF (2.072.427,79 euro ) ( volgens de waardering die daarvan gebeurd was door de bedrijfsrevisor op 31 december 1997). In dit bedrag was voor de sociale zekerheidsbijdragen alleen voorzien in een provisie van ca. 27.300.000 BF (676.749,32 euro ) voor de werkgevers en werknemersbijdragen betaalbaar einde januari 1998, van 9.500.000 BF.(235.498,85 euro ) als verwijlboetes ten gunste van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, van 9.200.000 BF (228.062,04 euro ) als saldo voor sociale zekerheidsbijdragen voor het 3e trimester en een provisie van 1.100.000 BF (27.268,29 euro )voor verwijlintresten en boetes op sociale lasten. Het verslag van de bedrijfsrevisor, dat op basis van de wettelijke verplichtingen (artikel 29 van de toenmalige gecoördineerde wetten op de handelsvennootschap) werd opgesteld, dat neergelegd werd ter griffie en waarnaar verwezen wordt in de oprichtingsakte stelt op p. 1 dat de "in te brengen activa en passiva derhalve strikt beperkt zijn tot deze beschreven onder hoofdstuk II van het verslag" (met uitzondering van deze m.b.t. de overdracht van het personeel). Het bepaalde deze schulden per 31 december 1997 als volgt: 27.297.276 BF (676.681,80 euro ) als te betalen RSZ courant, 9.182.426 BF (227.626,39 euro ) als RSZ voor het 3e kwartaal 1997, 9.461.268 BF (234.538,71 euro als intresten en bijdrageopslagen en 1.118.243 BF (27.720.52 euro ) als voorziening voor de bijdrageopslag voor het 3e kwartaal van het jaar
- Overigens wordt ook verder in de oprichtingsakte onder de rubriek "voorwaarden" herhaald dat de inbrengende vennootschap gehouden bleef tot alle schulden die niet uitdrukkelijk werden ingebracht. Dat het de werkelijke bedoeling van de partijen was (en het is deze bedoeling die de basis interpretatieregel uitmaakt bij de uitlegging van overeenkomsten, zoals voorzien door art. 1156 van het Burgerlijk Wetboek) om enkel rekening te houden met de op dat ogenblik bekende schulden bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid blijkt ook uit het feit dat de inbreng, die gebeurde in de nieuwe vennootschap voor een bedrag van 3.368.000 BF (83.490,54 euro ) het mathematisch verschil uitmaakte tussen de waarde van de ingebrachte activa en de waarde van de overgenomen schulden. In artikel 23 A. 5 van de oprichtingsakte wordt overigens eveneens het limitatief karakter van de overgenomen schulden bevestigd. Geen argument kan geput worden uit de bepaling op p.12 van de oprichtingsakte, onder nr. 4, waarin voorzien wordt dat de beschreven inbrengen gewaardeerd worden op de grondslag van een toestand afgesloten op 31 december 1997 en dat de waardeverschuivingen, die het gevolg zouden zijn van een wijziging die sinds die datum is opgetreden in de samenstelling van de goederen en schulden, ten goede of ten laste komen van de opgerichte vennootschap. De draagwijdte van deze bepaling is enkel om rekening te houden met een waardeverschuiving die zich voordoet tussen het ogenblik van de evaluatie van de activa en passiva en de effectieve oprichting van de vennootschap. Ongeacht de vraag op welk ogenblik de schuldvordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid ten aanzien van de nv Plastuni Operations is ontstaan, is het zeker dat deze niet ontstaan is tussen 31 december 1997 en de oprichting van de vennootschap op 19 februari
- Anders dan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voorhoudt blijkt ook geenszins dat, op het ogenblik van de inbreng, de nv Plastuni Operations kennis had van de verplichting om de genoten Maribelsteun terug te betalen. Deze kennis kan met name niet afgeleid worden uit het feit dat in besluiten verwezen wordt naar bepaalde documenten en persartikelen van voor de overname. Uit het citeren van deze documenten kan enkel afgeleid worden dat de nv Plastuni Operations, of haar raadsman, daarvan kennis had op het ogenblik van de redactie van de besluiten.
- Is de nv Plastuni Operations gehouden tot terugbetaling op basis van art. 37 bis van de wet van 29 juni 1981? 3.
- Artikel 37 bis § 2, laatste alinea van de wet van 29 juni 1981, zoals ingelast door de wet van 24 december 1999, bepaalt: " De terugvordering bij fusie, splitsing, omschakeling of een inbreng van activiteit in de zin van titel IX van het Wetboek van Koophandel in het algemeen geschiedt bij de nieuwe werkgever. De terugvordering bij deze laatste is in verhouding tot het percentage van het geheel van de door hem overgenomen schulden". Met de nv Plastuni Operations dient aangenomen te worden dat met een "inbreng van activiteit" in deze bepaling verwezen wordt naar een "inbreng van bedrijfstak" in de zin van art. 174/54 van het Wetboek van Koophandel, zoals van toepassing op het ogenblik van de inbreng en de totstandkoming van de bepaling van artikel 37 bis. Overeenkomstig artikel 174/54 is de inbreng van een bedrijfstak de rechtshandeling waarbij een vennootschap, zonder ontbinding, een bedrijfstak alsmede de daaraan verbonden activa en passiva overdraagt aan een andere vennootschap tegen een vergoeding die uitsluitend bestaat in aandelen van de verkrijgende vennootschap. Een bedrijfstak wordt daarbij verder gedefinieerd als een geheel dat op technisch en organisatorisch gebied een autonome activiteit uitoefent en op eigen kracht kan werken. Het Wetboek van Koophandel kent niet het begrip "inbreng van activiteit". Overeenkomstig artikel 174/55 1e lid heeft een inbreng van een algemeenheid van rechtswege tot gevolg dat het geheel van de activa en passiva van de vennootschap, die de inbreng heeft gedaan, wordt overgedragen aan de verkrijgende vennootschap. Overeenkomstig artikel 174/55 2e lid heeft de inbreng van een bedrijfstak van rechtswege tot gevolg dat de daaraan verbonden activa en passiva worden overgedragen aan de verkrijgende vennootschap. Overeenkomstig artikel 174/62 van het Wetboek van Koophandel kunnen de betrokken vennootschappen bij een inbreng van een bedrijfstak besluiten de inbreng niet te onderwerpen aan de regeling omschreven in de artikelen 174/55 tot 174/61, op voorwaarde dat daarvan melding wordt gemaakt in de akte van inbreng. Het gevolg daarvan is dat dan een inbreng kan gebeuren zonder dat het geheel van de schulden en activa wordt overgedragen. In de oprichtingsakte van nv Plastuni Operations wordt uitdrukkelijk bepaald dat de inbreng niet onderworpen is aan de bepalingen van artikel 174/55 tot 174/
- 3.
- Noch uit de bepaling van artikel 37 bis, noch uit de voorbereidende werken van de wet, kan worden afgeleid dat de wetgever heeft willen afwijken van de toepassing van artikel 174/62 en alle mogelijke inbrengen heeft willen viseren van een "algemeenheid". Integendeel verwijst de nv Plastuni Operations terecht naar het document " protocolakkoord" dat de Belgische staat aan de Europese Gemeenschap overmaakte in het kader van de uitvoering van de beslissing van de commissie (en waarvan artikel 37 bis de uitvoering uitmaakt) en waarin bepaald werd: " In het Belgisch rechtsstelsel moet de overheid de steun terugvorderen van de rechtspersoon die de steun heeft ontvangen. Een terugvordering van een derde is slechts mogelijk indien die derde de schulden van de oorspronkelijke ontvanger heeft overgenomen. Dit is het geval bij fusie, splitsing, inbreng van bedrijfstak of van algemeenheid. Buiten deze omstandigheden kan de overheid de steun niet terugvorderen van een andere groepslid dan de rechtspersoon die de steun ontvangen heeft". In deze tekst wordt dus duidelijk uitgegaan van de hypothese dat de derde de schulden van de oorspronkelijke ontvanger heeft overgenomen, hetgeen in casu ingevolge de toepassing van art.174/62 niet het geval was. Alhoewel het theoretisch denkbaar is dat de wetgever, voor de toepassing van artikel 37 bis, de toepassing van artikel 174/55 van het Wetboek van Koophandel had kunnen uitsluiten, dan kan het hof slechts vaststellen dat dit niet gebeurd is. Derhalve kan, onder voorbehoud van hetgeen verder gezegd wordt in verband met de toepassing van de bepalingen van het EG verdrag en de verplichting van de rechter om een bepaling te interpreteren en toe te passen zodanig dat ze conform is met Europese regelgeving, niet geoordeeld worden dat de nv Plastuni Operations tot betaling van de Maribel schuld gehouden is op basis van artikel 37 bis § 2 van de wet van 29 juni
- 3.
- De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bewijst geenszins dat de nv Plastuni Operations doelbewust de overnameconstructie zou opgezet hebben met het oog om aan de verplichting tot terugbetaling van de Maribel schuld te ontsnappen. Uit de overeenkomst tot herstructurering van de vennootschap en de overdracht van aandelen van 19 januari 1998 blijkt duidelijk dat het opzet van de overeenkomst was om de vennootschap Plastuni, die sinds jaren kampte met zware verliezen (er was per 31.12.1997 volgens de balans een verlies van 249.411.000 BF ( 6.182.737,19 euro ) - bovendien waren de bankkredieten geblokkeerd), van een faillissement te redden en maximaal de werkgelegenheid van de werknemers veilig te stellen door een operatie waarbij, zonder fraude, een deel van de activa en passiva werden ingebracht in een nieuwe vennootschap. Uit de overeenkomst blijkt dat weliswaar in de vroegere vennootschap een aanzienlijk actief gebleven is in de vorm van een onroerend goed, maar dat daartegenover ook bankschulden stonden die niet werden ingebracht (p.4 bovenaan sub D) en die ca. 258.000.000 BF ( 6.395.652,94 euro ) beliepen en waarvoor het onroerend gehypothekeerd was. Verder blijkt uit dezelfde overeenkomst dat de nv Guifra er zich toe verbond binnen de 30 dagen na de oprichting van de vennootschap een belangrijke financiële injectie te doen in de vorm van enerzijds een kapitaalsverhoging van 40.000.000 BF (991.574,10 euro ) en van anderzijds een lening courant 34.500.000 BF (855.232.66 euro ) (zie ook deskundig verslag p.9). Het opzet van de reddingsoperatie was derhalve zo belangrijk, en ging gepaard met zo een belangrijke inbrengen en schuldherschikkingen, dat het niet aannemelijk is dat de herstructurering als bedoeling had te ontsnappen aan de terugbetaling van de Maribelsteun.
- Kan de vordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een rechtstreekse steun vinden in de toepassing van het Europees recht? 4.
- De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid merkt terecht op dat, ingevolge de rechtstreekse werking van de bepalingen van het EG. Verdrag en de voorrang die dit verdrag, en de andere Europese regels heeft op het nationale recht, de letterlijke toepassing van artikel 37 § 2 van de wet van 29 juni 1981 er niet toe kan leiden dat de nv Plastuni Operations vrijgesteld wordt van de terugbetaling van de Maribelsteun, wanneer deze terugbetaling verplicht zou zijn op basis van de regels van het Europees recht, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap. Bij een conflict tussen een norm van intern recht en een norm van internationaal verdragsrecht met rechtstreekse gevolgen moet de verdragsregel voorrang krijgen (Cass. 17.09.1987, 1987-88, 77). De nationale rechter moet afzien van de toepassing van een nationale reglementering die strijdig is met het communautaire recht (Hof van Justitie, C-13/91 4 juni 1992), Jur. H.V.J. 1992, I, 3617) Zulks wordt overigens als dusdanig niet betwist. De nv Plastuni Operations roept integendeel in dat de ruime toepassing van artikel 37 bis, zoals voorgestaan door de nv Plastuni Operations, zou leiden tot een terugvordering die ruimer is dan deze die door het Europees Recht opgelegd wordt, en die aldus ingaat tegen de regel dat principieel de steun dient teruggevorderd te worden van de onderneming die de steun ontvangen heeft. 4.
- In zijn schriftelijk advies van 25 maart 2010 heeft het Openbaar Ministerie de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap met betrekking tot terugvordering van de steun ten aanzien van de partij die de steun ontvangen heeft en eventueel ten aanzien van derden als volgt gesynthetiseerd. "Het Hof van Justitie heeft in verschillende arresten, en o.m. in zijn arresten van 20 september 2001, Commissie/H.J. Banks & Co. Ltd./The Coal Authority, C-390/98, 8 mei 2003, Italiaanse republiek/SIM 2 Multimedia SpA/Commissie, C-328/99 en C-399/00 en 29 april 2004, Bondsrepubliek Duitsland/Commissie, C-277/00, het rechtskader nader omschreven waarbinnen dient overgegaan te worden tot de terugvordering van onwettig genoten staatssteun. Volgende regels werden vooropgesteld: Wanneer de Commissie vaststelt dat de genoten steun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt volgens het gemeenschapsrecht, kan zij de lidstaat verplichten deze steun van de begunstigden terug te vorderen (vgl. o.a. H. v. J. 12 juli 1973, Commissie/Duitsland, 70/72, 20 en H. v. J. 8 mei 2003, Italië en SIM 2 MULTIMEDIA/Commissie, C-328/99 en C-399/00, overweging 65). De ongedaan making van een onwettige steun door middel van terugvordering is inderdaad het logische gevolg van de vaststelling dat de steun onwettig is (H. v. J. 20 september 2001, Commissie/H.J. Banks & Co. Ltd./The Coal Authority, C-390/98). Het hoofddoel van de terugbetaling van de onwettig betaalde staatssteun is de verstoring van de mededinging op te heffen, welke voortkomt uit het concurrentievoordeel ten gevolge van de onwettige steun. De vaststelling dat de staatssteun onwettig is moet leiden tot de opheffing en terugvordering ervan met als oogmerk het herstel in de vroegere toestand te bewerkstelligen (H. v. J. 8 mei 2003 hoger aangehaald, overweging 66). Het herstel van de situatie van vóór de betaling van een onwettige of met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steun vormt een noodzakelijke vereiste voor de handhaving van de nuttige werking van de verdragsbepalingen inzake staatssteun en de nationale rechter moet met inachtneming van de omstandigheden nagaan, of de beroepen van de justitiabelen die tot het herstel van deze vroegere toestand kunnen bijdragen, kunnen worden toegewezen ( H. v. J. 20 september 2001, Commissie/H.J. Banks & Co. Ltd./The Coal Authority, C-390/98, overweging 75). Deze doelstelling wordt geacht bereikt te zijn van zodra de steun, desgevallend vermeerderd met vertragingsrente, door de begunstigde is terugbetaald (H. v. J. 4 april 1995, Commissie/Italië, C-350/93, overweging 22), of m.a.w. door de ondernemingen die deze feitelijk hebben genoten (H. v. J. 21 maart 1991, Italië/Commissie, C-303/88, overweging 57). Door deze terugbetaling verliest de begunstigde inderdaad het voordeel dat hij op de markt ten opzichte van zijn concurrenten genoot en wordt de toestand van vóór de steunverlening hersteld (H. v. J. 4 april 1995, Commissie/Italië, overweging 22). Door de Commissie kan in dat verband geëist worden dat de terugbetaling niet beperkt blijft tot de oorspronkelijke onderneming maar uitgebreid wordt tot de onderneming die met de overgedragen productiemiddelen de activiteit van de oorspronkelijke onderneming verder zet en er economische continuïteit tussen ondernemingen kan vastgesteld worden met als in overweging te nemen elementen, het voorwerp van de overdracht (activa en passiva, de continuïteit inzake werknemers, bundled activa), de verkoopprijs, de identiteit van de aandeelhouders of eigenaars van de overnemende onderneming en van de oorspronkelijke onderneming, het tijdstip van de overname (na het begin van het onderzoek, de inleiding van de procedure of de eindbeschikking) en de economische logica van de transactie (H. v. J. 8 mei 2003, Italië en SIM 2 MULTIMEDIA/Commissie, C-328/99 en C- 399/00). In dat verband is het evenwel vaste rechtspraak van het Hof dat, wanneer een onderneming welke onwettige staatssteun heeft genoten tegen marktprijs wordt gekocht, d.w.z. tegen de hoogste prijs die een particuliere investeerder die onder normale mededingingsvoorwaarden handelt, bereid was voor deze vennootschap te betalen in de toestand waarin zij zich bevond, m.n. na de staatssteun te hebben genoten, dit steunelement is geraamd tegen de marktprijs en meegerekend in de aankoopprijs. In dergelijke omstandigheden kan de koper niet worden geacht een voordeel te hebben genoten ten opzichte van andere marktdeelnemers ( H. v. J. 20 september 2001, Banks, C-390/98, overweging 77). In beginsel, wanneer een steunontvangende onderneming tegen marktprijs is verkocht, weerspiegelt de verkoopprijs immers de gevolgen van de vroeger steun, en behoudt de verkoper van deze onderneming het voordeel van de steun. In dat geval moet de vroegere situatie in de eerste plaats hersteld worden door de terugbetaling van de steun door de verkoper (20 september 2001, Commissie/H.J. Banks & Co. Ltd./The Coal Authority, C-390/98). Indien bijgevolg afgesplitste vennootschappen worden opgericht teneinde een deel van de activiteiten van de onderneming die de steun heeft genoten, voort te zetten, wanneer deze laatste is failliet gegaan, dan kunnen deze vennootschappen eventueel eveneens gehouden zijn de betrokken steun terug te betalen doch slechts indien bewezen is dat zij het concurrentievoordeel dat aan deze steun verbonden is, feitelijk blijven genieten. Zulks zou in het bijzonder het geval kunnen zijn indien de afgesplitste vennootschappen activa van de vennootschap in liquidatie aankopen zonder een prijs tegen de marktvoorwaarden te betalen, of wanneer bewezen is dat door de oprichting van dergelijke vennootschappen de verplichting tot terugbetaling van deze schuld wordt omzeild (H. v. J. 29 april 2004, Bondsrepubliek Duitsland/Commissie, overweging 86)." Het hof sluit zich bij deze analyse aan. 4.
- Uit het deskundig onderzoek dat door het hof bevolen werd in zijn tussenarrest van 18 oktober 2007 blijkt dat de door de nv Guifra betaalde prijs voor de overname van de aandelen van de nv Plast Real Estate in de nv Plastuni Operations overeenstemde met de marktprijs van deze aandelen tegen de hoogste prijs die een particuliere investeerder die onder normale mededingingsvoorwaarde handelt, bereid zou geweest zijn voor deze vennootschap te betalen in de toestand waarin deze zich bevond. Daaruit vloeit, volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, voort dat de ontvangen steun moet geacht worden begrepen te zijn in de betaalde aankoopprijs en dat er geen financiële middelen aan de boedel van het steun genietend bedrijf werden onttrokken. Indien de opdracht van de deskundige beperkt was tot de evaluatie van de prijs die de nv Guifra betaald heeft voor de overname van de aandelen van de nv Plast Real Estate, dan blijkt uit zijn onderzoek, en uit de documenten die hem werden voorgelegd eveneens dat de inbreng van de activa en passiva van de vroegere vennootschap Plastuni in de nieuw opgerichte vennootschap, de nv Plastuni Operations, eveneens gebeurd is aan prijs die de reële weerspiegeling was van wat economisch de firma Plastuni nog waard was per 31 december
- De deskundige zet in zijn verslag uiteen dat voor de bepaling van de overnameprijs van een onderneming voornamelijk twee methodes te onderscheiden zijn, deze van de substantiële waarde en deze van de rendementswaarde. De berekening van de substantiële waarde van een onderneming komt neer op de waarde, vanuit bedrijfseconomisch standpunt, van alle vermogensbestanddelen van de onderneming (de som van alle activa verminderd met de voorzieningen in de schulden). Deze substantiële waarde sluit aan bij de term netto actief. De berekening van de rendementswaarde steunt essentieel op de gerealiseerde of verwachte opbrengst van de onderneming als basis voor de waardebepaling. De deskundige stelt vast dat het gecumuleerd verlies van de oorspronkelijke vennootschap Plastuni op 31 december 1997 ca. 346.100.000 BF (8.579.594,89 euro ) bedroeg, en dat het eigen vermogen negatief was ten bedrage van 162.600.000 BF (4.030.748,71 euro ). Hij stelt verder vast dat de onderneming slechts kon gered worden door een afvloeiing van personeel en door bijkomende kapitaalinjecties die, na de overdracht, gebeurden door de nieuwe aandeelhouders. Voor wat de bepaling van de substantiële waarde van de onderneming op het ogenblik van de overdracht betreft aanvaardt de deskundige de waardering van de bedrijfsrevisor voor een bedrag van 3.368.000 BF (83.490,54 euro ) voor het ingebrachte actief. Hij aanvaardt verder dat, op het ogenblik van de effectieve overdracht van de aandelen in de loop van de maand februari 2008 door het aanslepend verlies, de waarde van deze inbreng herleid was tot 1,00 BF (0,02 euro ), zelfs al kan dit mathematisch niet berekend worden. Voor wat betreft de bepaling van de rendementswaarde verwijst de deskundige naar het feit dat voor de laatste drie boekjaren de resultaten van de NV Plastuni negatief waren, dat in het eerste jaar van de overname ook de resultaten van de nv Plastuni Operations nog negatief waren en dat zij in de volgende jaren slechts zeer beperkt positief waren. De deskundige merkt verder op dat het voortbestaan van de onderneming onmogelijk was zonder de twee belangrijke kapitaalsinjecties van respectievelijk 40.000.000 BF (991.574,10 euro (kapitaalsverhoging) en 34.500.000 BF (855.232,66 euro ) (onder de vorm van leningen rekening courant) die door de overnemer werden gedaan. Gelet op deze elementen was, volgens de deskundige, de rendementswaarde van de onderneming op het ogenblik van de overname negatief of nul. 4.
- In het licht van al deze elementen oordeelt het hof dat, in de concrete omstandigheden van de zaak, door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt wordt dat de nv Plastuni Operations op enige wijze het voordeel genoten heeft van de steun die vóór de overname aan de nv Plastuni gegeven werd. Anderzijds zijn de negatieve gevolgen voor de vrije concurrentie tussen de ondernemingen opgeheven door het feit dat de nv Plast Real Estate onmiddellijk in vereffening werd gesteld en geen andere activiteiten meer ontwikkeld heeft dan de verhuur aan de nv Plastuni Operations van het bedrijfsgebouw, huur die ongetwijfeld is aangewend geworden voor de afbetaling van de belangrijke bankschulden die in de in vereffening gestelde onderneming bleven.
- Besluit met betrekking tot de hoofdvordering. Uit deze overwegingen volgt dat de oorspronkelijke vordering van de nv Plastuni Operations tegen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, tot terugbetaling van de som die de nv Plastuni Operations onder voorbehoud betaalde gegrond is, en dat de oorspronkelijke tegenvordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid ongegrond is. Het bestreden vonnis dient dan ook hervormd te worden. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dient veroordeeld te worden tot terugbetaling van de ten onrechte terugbetaalde bedragen. In graad van beroep wordt niet betwist dat het in feite om een bedrag gaat van 111.744,50 euro , bedrag dat bekomen wordt door het basisbedrag van de vordering, die de eerste rechter vermeldde, te vermeerderen met de wettelijke intrest die aangerekend werd ingevolge de gespreide betaling. Dit bedrag dient vermeerderd te worden met de intresten, aan de wettelijke intrestvoet, vanaf de data van de respectieve betalingen tot op de datum van de effectieve en volledige terugbetaling en met de gerechtelijke intresten vanaf de laatste terugbetaling. De gevorderde intresten kunnen, zoals gevorderd door de nv Plastuni Operations, gekapitaliseerd worden, met dien verstande dat overeenkomstig art. 1154 van het Burgerlijk Wetboek slechts de ingebrekestellingen in aanmerking kunnen genomen worden die slaan op intresten die sedert meer dan 1 jaar vervallen zijn, hetgeen inhoudt dat de intresten slechts op hun beurt intresten opbrengen indien de aanmaning hernieuwd wordt en de hernieuwde aanmaning betrekking heeft op intresten die verschuldigd zijn voor minstens 1 jaar (Alter, C. Le point sur l'anatocisme, J.T. 2007 p. 459-462, nr. 9)
- De vordering wegens tergend en roekeloos verweer. In haar synthesebesluiten na neerlegging van het eindverslag van de deskundige vraagt de nv Plastuni Operations nog de veroordeling van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tot betaling van de som van 5.000,00 euro wegens tergend en roekeloos verweer. Deze tegenvordering steunt hierop dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, na het tussenarrest van het hof waarbij een deskundig onderzoek bevolen werd, opnieuw zijn oorspronkelijke argumentatie naar voren bracht, terwijl deze, volgens de nv Plastuni Operations, na het tussenarrest zonder voorwerp was geworden (p. 10 synthesebesluiten na expertise). Het hof heeft in zijn tussenarrest van 18 oktober 2007 een onderzoeksmaatregel bevolen die in de stand van de debatten opportuun leek, zonder voorafgaandelijk een beslissing genomen te hebben over het geschil en de door de partijen ingeroepen argumentaties. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid was derhalve gerechtigd om, na de uitvoering van de onderzoeksmaatregel, haar volledige argumentatie opnieuw aan het oordeel van het hof te onderwerpen. Er kan, in toepassing van art. 767 § 3 laatste alinea van het Gerechtelijk Wetboek geen rekening gehouden worden met de nieuwe argumentatie die door de nv Plastuni Operations wordt naar voorgebracht in haar repliekconclusies op het advies het openbaar ministerie en die niet kan beschouwd worden als een antwoord op dit advies. Voor zover als nodig voegt het hof daaraan toe dat de voorgestelde argumentatie in geen enkel geval de door de nv Plastuni gevorderde schadevergoeding kan verrechtvaardigen. De vertraging die de procedure zou opgelopen hebben door de niet medewerking van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan het deskundig onderzoek wordt voldoende vergoed door de intresten waartoe deze partij veroordeeld wordt. Dit onderdeel van de vordering wordt dan ook afgewezen.
- De kosten. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dient veroordeeld te worden tot de kosten van beide aanleggen. De kosten van de procedure voor de arbeidsrechtbank dienen begroot te worden overeenkomstig de wettelijke bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik dat het vonnis uitgesproken werd. De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen de kosten, verbonden aan de bijstand van een advocaat, vindt geen toepassing op aanleggen die afgesloten werden voor het in voege treden van de nieuwe wet. De nv Plastuni Operations vordert voor de procedure voor het arbeidshof de maximale rechtsplegingsvergoeding, zoals voorzien door art. 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd door de wet van 21 april 2007 en het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot uitvoering van deze wet en dit op grond van de complexiteit van de zaak. Overeenkomstig artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter, op verzoek van één van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing, het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding onder meer verhogen omwille de van de complexiteit van de zaak. De vraag van de nv Plastuni Operations kan, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak toegekend worden. De nv Plastuni Operations wijst erop dat zij sedert haar verzoekschrift in hoger beroep zeer uitvoerige conclusies heeft neergelegd op 11 september 2003, 14 november 2003, 25 februari 2004, 10 maart 2005, 29 mei 2006, 21 maart 2007, 21 december 2007, 9 september 2009 en 15 januari
- Zij heeft verder ook repliekconclusies opgesteld in antwoord op de verschillende uitvoerige adviezen van het Openbaar Ministerie. Het hof heeft, gelet op de complexiteit van de zaak, tweemaal een heropening van de debatten dienen te bevelen en heeft verder een deskundig onderzoek bevolen, met als gevolg dat de zaak 4 maal is gepleit worden voor het hof. Verder heeft de nv Plastuni Operations belangrijke prestaties dienen te leveren in het kader van het bevolen deskundig onderzoek. Het gevorderde bedrag van 10.000,00 euro , zijnde het maximumbedrag voor een betwisting die zich situeert tussen 100.001,00 euro en 250.000,00 euro , kan toegekend worden. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dient eveneens veroordeeld te worden tot de kosten van het deskundig onderzoek, dat noodzakelijk was voor de beslechting van de zaak, ongeacht de vraag welke partij dit deskundig onderzoek zou gesuggereerd hebben. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean-Jacques André, advocaat-generaal, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het bestreden vonnis. Wijst de oorspronkelijke vordering van de nv Plastuni Operations, zoals aangepast in besluiten toe en veroordeelt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tot terugbetaling aan de nv Plastuni Operations van het bedrag van 111.744,50 euro , alsmede tot betaling van de wettelijke intresten vanaf de data van de respectieve betalingen tot op de datum van de volledige terugbetaling, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten, bedrag te kapitaliseren krachtens de aanmaningen gegeven in het verzoekschrift tot hoger beroep van 14 februari 2003, alsmede krachtens de aanmaningen gegeven in de beroepsbesluiten van 25 februari 2004, 20 maart 2005, 30 mei 2006, 27 december 2007, 9 januari 2009 en 15 januari
- Wijst de oorspronkelijke tegenvordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid af als ongegrond. Wijst de vordering van de nv Plastuni Operations tot het bekomen van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos verweer af als ongegrond. Veroordeelt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tot de kosten van beide aanleggen, begroot in hoofde van de nv Plastuni Operations op 111,87 euro dagvaardingskosten voor de arbeidsrechtbank, 200,79 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, zoals begroot voor de arbeidsrechtbank en 10.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep. Veroordeelt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verder tot de kosten van het deskundig onderzoek, begroot op 22.535,15 euro en veroordeelt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tot terugbetaling aan de nv Plastuni Operations van het door haar voorgeschoten of gedragen aandeel van de kosten in het deskundig onderzoek. Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, Fernand KENIS, raadsheer, Jean-Marie BOULOGNE, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Hedwig SILON, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider, bijgestaan door : Kelly CUVELIER, griffier. Fernand KENIS, Kelly CUVELIER, Jean-Marie BOULOGNE, Hedwig SILON, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 3 juni 2010 door: Fernand KENIS, raadsheer, bijgestaan door Kelly CUVELIER, griffier. Fernand KENIS, Kelly CUVELIER, PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100603.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div