id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 04 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100604.3 Rolnummer: 2009/AB/52277 Rechtsgebied: Bestuursrecht - Arbeidsrecht - Insolventierecht Invoerdatum: 2010-08-19 Raadplegingen: 140 - laatst gezien 2026-07-01 13:07 Fiches 1 - 2 Artikel 3, 2° van het KB van 10 oktober 1978 voorziet dat Sabena voor de dienstorders en onderrichtingen aan haar personeel ook andere dan de door de taalwetgeving voorgeschreven talen mag gebruiken. Met 'taalwetgeving' wordt overeenkomstig artikel 1a van dit KB echter bedoeld 'de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966'. Sabena kon derhalve in een bestuursrechtelijke context afwijken van deze taalwetgeving, Als bestuursrechtelijk reglement regelen de administratieve protocollen immers niet de sociale betrekkingen tussen werkgever en de werknemers, zodat artikel 10 van het taaldecreet van 19 juli 1973 niet van toepassing IS. Dit is wel het geval voor een overeenkomst tussen Sabena en één van haar werknemers over een conventionele schorsing van de arbeidsovereenkomst, maar de nietigheid van artikel1 O kan geen nadeel toebrengen aan de werknemer. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - TAAL IN BESTUURSZAKEN - Algemeen (taal in bestuurszaken) Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - TAALWET IN BESTUURSZAKEN - K.B. 10 oktober 1978 met betrekking tot Sabena. Wettelijke bepalingen: Wet - 18-07-1976 - 3 - ** Link Justel databank 19760718-** Koninklijk Besluit - 10-10-1978 - - - ZZ Link Justel databank 19781010-ZZ Nota: Gerangschikt onder I F (KB 10/10/1978 m.b.t. Sabena). Eveneens gerangschikt onder I FA (decreet 19/07/1973), art.
- Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder II AAN art. 38 en I H (Wet 08/08/1997), art.
- Cassatieberoep verworpen door Hof van cassatie 30.5.2011, S.10.0110.N. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Taalgebruik in sociale zaken Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - DECRETEN - Taaldecreet 19 juli 1973, art.
- Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 19-07-1973 - 10 - 01 ELI link Pub nr 1973071902 Nota: Gerangschikt onder I FA (decreet 19/07/1973), art.
- Eveneens gerangschikt onder I F (Wet 18/07/1976), art. 3 en K.B. 10/10/1978 m.b.t. Sabena. Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder II AAN art. 38 en I H (Wet 08/08/1997), art.
- Cassatieberoep verworpen door Hof van cassatie 30.5.2011, S.10.0110.N. Fiche 3 Bij een conventionele schorsing van de arbeidsovereenkomst bepalen werkgever en werknemer niet enkel de duur van de schorsing maar ook de mate waarin zij hun verbintenissen niet zullen moeten nakomen. De overeenkomst tot schorsing is niet aan enig vormvoorschrift onderworpen. Zolang aan de voorwaarden van schorsing voldaan is, mag een partij weigeren de arbeidsovereenkomst opnieuw uit te voeren en kan uit deze weigering geen wil tot ontslag worden afgeleid. Een schorsing van onbepaalde tijd kan slechte een einde nemen volgens de vastgelegde afspraken en of bij gebreke daaraan in onderling akkoord. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Schorsing (arbeidsovereenkoms) Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Conventionele schorsing. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 38 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN art.
- Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder I F (Wet 18/07/1976), art. 3 (KB 10/10/1978 m.b.t. Sabena); I FA (Decreet 19/07/1973), art. 10; I H (Wet 08/08/1997), art.
- Cassatieberoep verworpen door Hof van cassatie 30.5.2011, S.10.0110.N. Fiche 4 De curator kan de rechten van de gefailleerde slechts uitvoeren onder de voorwaarden en met de beperkingen waardoor de gefailleerde zelf gebonden was. Er bestaat geen bijzonder stelsel van contractenrecht na faillissement. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Algemeen Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - HANDELSRECHT - Faillissementswet van 8/08/1997, art.
- Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1997 - 46 - 80 ELI link Pub nr 1997009766 Nota: Gerangschikt onder I H (Wet van 08/08/1997), art.
- Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder I F (Wet 18/07/1976), art. 3 (KB 10/10/1978 m.b.t. Sabena); I FA (Decreet 19/07/1973), art. 10; II AAN art.
- Cassatieberoep verworpen door Hof van cassatie 30.5.2011, S.10.0110.N. Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 04 juni 2010 3 e KAMER ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende Artikel 578,1°(b) Ger.W. tegensprekelijk definitief In de zaak:
- L. F. , wonende te [xxx], appellant, vertegenwoordigd door mr. LAMAL Guido en mr LEENAERTS Els, advocaten te 1932 SINT-STEVENS-WOLUWE, Leuvensesteenweg 369 Tegen:
- D'IETEREN Alain, qq, advocaat,
- VAN BUGGENHOUT Christiaan, qq, advocaat,
- VAN de MIEROP Ilse, qq, advocaat, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan, 106 in hun hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV SABENA met maatschappelijk zetel te 1200 BRUSSEL, E. Mounierlaan, 2, aangesteld bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel dd. 7 november 2001; geïntimeerden, verschijnend bij Mr VAN de MIEROP Ilse, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan, 106 *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 28-05-2009 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 24e kamer (A.R. 1261/07 - 09/11595). - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 29 juni 2009; - de conclusies voor de appellant, neergelegd ter griffie op 15 februari 2010, - de conclusie voor de geïntimeerden, neergelegd ter griffie op 16 november 2009 en hun tweede en synthese beroepsconclusie neergelegd ter griffie op 12 april 2010 ; - de voorgelegde stukken; De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 07 mei 2010, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. *** * FEITEN EN RECHTSPLEGING
- De heer L. F. kwam op 29 oktober 1971 in dienst bij de NV Sabena als piloot. Bij de NV Sabena en de NV Sobelair bestond een zgn. senioriteitslijst, waardoor de piloten volgens bepaalde voorwaarden konden overgaan van de ene luchtvaartmaatschappij naar de andere. Deze afspraken zijn opgenomen in : - een protocol van 1 april 1979, getiteld Liste de seniorité commune Sabena - Sobelair - een protocol van 18 januari 1985, getiteld Protocol d'accord - Liste de seniorité commune Sabena - Sobelair, modalités d' application. Ingevolge dit stelsel nam de heer L. F. deel aan een ‘bieding' voor een vacante betrekking als gezagvoerder bij Sobelair. Hij werd geselecteerd en er werd een arbeidsovereenkomst als gezagvoerder bij Sobelair ondertekend.
- Met een uitdrukkelijke verwijzing naar deze protocolbepalingen bevestigde Sabena bij aangetekende brief van 30 augustus 2001 dat hierdoor zijn arbeidscontract vanaf 30 juli 2001 voor een onbepaalde tijd werd opgeschort en dat gedurende zijn tewerkstelling bij Sobelair, Sabena alle voordelen resulterend uit zijn arbeidsovereenkomst van vliegend meesterpersoneel zal behouden, met uitzondering van de bijlagen gaande over barema's, prestaties en verplaatsingsvergoedingen. Bij zijn terugkeer bij Sabena, zal het Sabena-arbeidscontract terug in voege treden en zal de periode van tewerkstelling bij Sobelair beschouwd worden als effectieve dienst bij Sabena.
- Op 7 november 2001 ging Sabena failliet. De heer L. F. bleef tewerkgesteld bij Sobelair en deed toen geen aangifte van een schuldvordering in het faillissement van Sabena. Hij beriep zich evenmin ingevolge artikel 46 van de faillissementswet op het voortbestaan van enig arbeidscontract met Sabena. Op 26 november 2003 bevestigden de curatoren van Sabena de opschorting van de overeenkomst van de heer L. F. met Sabena en ze wezen erop dat het ging om een schorsing van onbepaalde tijd, zodat beide partijen terug akkoord moesten zijn om de schorsing van de overeenkomst te doen ophouden. Gelet op het faillissement werd aan de heer L. F. meegedeeld dat hij de heropname niet meer zou kunnen vragen en dat hij geen schuldvordering in het faillissement kon doen gelden. Op 19 januari 2004 ging ook Sobelair failliet en de curatoren van deze maatschappij stelden een einde aan de arbeidsovereenkomst van de heer L. F.. Het faillissement van Sobelair werd aangevochten, maar het ontslag van de heer L. F. bleef gehandhaafd. Er werd een dading afgesloten, waarbij de heer L. F. een opzeggingsvergoeding bekwam, die klaarblijkelijk rekening hield met de bij Sobelair verworven anciënniteit.
- Op 20 februari 2004 bevestigde de raadsman van de heer L. F. aan de curatele van Sabena dat zijn cliënt niet meer tewerkgesteld was door Sobelair. Hij wees op de geschorste arbeidsovereenkomst met Sabena, maar hij stelde vast dat het er prima facie niet naar uitzag dat Sabena in faling in staat zou zijn om zijn cliënt verder te werk te stellen. Teneinde alle twijfel weg te nemen over het lot van de geschorste arbeidsovereenkomst van mijn cliënt, verzoek ik u formeel mij binnen 15 dagen mede te delen of u mijn cliënt al dan niet te werk zult stellen. Indien u mijn cliënt binnen 15 dagen na ontvangst van dit schrijven niet weder tewerkstelt, ga ik ervan uit dat de curatele zijn arbeidsovereenkomst heeft verbroken. Op 24 februari 2004 antwoordde de curatele dat ze geen kennis had van de CAO's die terzake zouden gesloten zijn en vroeg ze kopie ervan. In zoverre 30 maanden na het faillissement nog gezinspeeld werd op de toepassing van artikel 46 van de faillissementswet, betwistte de curatele deze mogelijkheid, omdat het voor eenieder duidelijk was dat er door de stopzetting van de luchtvaartactiviteiten en de intrekking van de AOC van Sabena geen enkele tewerkstelling van piloten meer mogelijk was, en uiteraard ook niet onder curatele. Ze wezen alle aanspraken van de piloten af. De partijen wisselden hun uiteenlopende standpunten uit in over en weer gaande correspondentie. Deze briefwisseling werd op 23 maart 2004 door de raadsman van de piloten afgesloten met een verwijzing naar de ingebrekestelling voor een verdere tewerkstelling, waaraan binnen de gestelde termijn geen gevolg was gegeven, zodat men de beëindiging van de arbeidsovereenkomst lastens Sabena vaststelde en een provisionele opzeggingsvergoeding van euro 1 vorderde voor opname in het bevoorrecht passief.
- Op 5 november 2004 dagvaardde de heer L. F. de curatele voor de rechtbank van koophandel te Brussel, die bij vonnis van 25 april 2006 de betwisting omtrent de opname van een opzeggingsvergoeding in het bevoorrecht passief, doorverwees naar de arbeidsrechtbank te Brussel. Het hoger beroep van de curatele tegen dit vonnis werd door het hof van beroep te Brussel op 28 november 2006 als onontvankelijk afgewezen. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 28 mei 2009 werd de vordering tot veroordeling van de N.V. Sabena in faling tot betaling van een opzeggingsvergoeding en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank van koophandel te Brussel om het toegewezen bedrag te zien opnemen in het bevoorrecht passief, afgewezen als zijnde ongegrond. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 29 juni 2009, tekende de heer L. F. hoger beroep aan en hernam hij zijn oorspronkelijke vordering. In ondergeschikte orde vroeg hij de voorlegging van een aantal documenten in verband met andere werknemers wiens arbeidsovereenkomst bij Sabena was geschorst. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Bestond er begin 2004 nog een ( geschorste) arbeidsovereenkomst met Sabena?
- Bij de aanwerving door Sobelair bevestigde Sabena schriftelijk dat de bestaande arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werd opgeschort en dat bij de terugkeer van de piloot zijn Sabena-contract terug in voege zou treden, waarbij de periode van tewerkstelling bij Sobelair zou beschouwd worden als effectieve dienst bij Sabena. Beide partijen verwijzen in verband met de modaliteiten van schorsing van de arbeidsovereenkomst bij Sabena naar de protocolakkoorden betreffende de senioriteitslijst. In de bevestigingsbrief van Sabena worden geen (opschortende) voorwaarden in verband met de schorsing van de arbeidsovereenkomst bij Sabena opgenomen. Het betreft dan ook geen voorwaardelijke overeenkomst, zoals geïntimeerden thans voorhouden. Wel worden in de protocolakkoorden betreffende de senioriteitslijst de modaliteiten van tewerkstelling bij Sobelair en Sabena bepaald samen met de afspraken in verband met de terugkeer naar Sabena en de toepassing van deze lijst bij stopzetting van de activiteiten. Deze afspraken hielden voorwaarden voor het einde van de schorsing in, maar dit brengt nog niet mee dat de schorsing zelf voorwaardelijk werd. De schorsing ging immers onmiddellijk in bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst met Sobelair en gold voor onbepaalde tijd.
- Naast de wettelijke schorsingsgronden, kunnen de partijen bij een arbeidsovereenkomst immers in onderlinge overeenstemming beslissen om de uitvoering van een overeenkomst geheel of gedeeltelijk te schorsen. Dit is een logisch uitvloeisel van het beginsel van de wilsautonomie, wat met zich brengt dat de modaliteiten van de schorsing vrij door de partijen worden bepaald. Een schorsing van onbepaalde tijd kan slechte een einde nemen volgens de vastgelegde afspraken en of bij gebreke daaraan in onderling akkoord( J. Herman, Schorsing van de individuele arbeidsovereenkomst, ICA nr. 5, die Keure, Brugge 2005, 6-7, nr. 14 en 16) Werkgever en werknemer bepalen niet enkel de duur van de schorsing maar ook de mate waarin zij hun verbintenissen niet zullen moeten nakomen. De overeenkomst tot schorsing is niet aan enig vormvoorschrift onderworpen. Zolang aan de voorwaarden van schorsing voldaan is, mag een partij weigeren de arbeidsovereenkomst opnieuw uit te voeren en kan uit deze weigering geen wil tot ontslag worden afgeleid. ( vgl. J. Herman, a.w., p. 16, nr. 33) De geldigheid en de waarde van de protocolakkoorden in verband met de schorsing van de arbeidsovereenkomst van appellant
- Appellant meent ten onrechte dat deze protocolakkoorden de waarde hebben van een CAO, omwille van het enkele feit dat ze mede door de vertegenwoordigers van de vakorganisaties zijn ondertekend. Er wordt echter niet betwist dat deze protocolakkoorden ingevolge artikel 18 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités ( hierna aangeduid als CAO-wet) niet als CAO zijn neergelegd bij de Dienst collectieve arbeidsbetrekkingen van het Ministerie van Werk. Door het ontbreken van neerlegging, konden de geldigheidvoorwaarden van de artikelen 13, 14 en 16 van de CAO-wet niet worden nagegaan door de betrokken dienst en het hof dient vast te stellen dat de akkoorden ook niet voldoen aan deze geldigheidsvoorwaarden. De protocolakkoorden zijn geen CAO's, maar wel bestuursrechtelijke akkoorden.
- Appellant houdt voor dat deze in het Frans opgestelde protocolakkoorden nietig zijn bij toepassing van artikel 10 van het taaldecreet van 19 juni 1973, maar dat deze ambtshalve nietigheid geen nadeel aan hem mag berokkenen. Geïntimeerden wijzen van hun kant op het KB van 10 oktober 1978 tot vaststelling van de bijzondere maatregelen om de toepassing van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, bij de Belgische naamloze vennootschap tot exploitatie van het luchtverkeer ( Sabena) te regelen ( B. S. 29 november 1978). Appellant gedraagt zich ter zitting op dit punt naar de wijsheid van het hof. Artikel 3, 2° van het KB van 10 oktober 1978 voorziet inderdaad dat Sabena voor de dienstorders en onderrichtingen aan haar personeel ook andere dan de door de taalwetgeving voorgeschreven talen mag gebruiken. Met taalwetgeving wordt overeenkomstig artikel 1a van dit KB echter bedoeld de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli
- Sabena kon derhalve in een bestuursrechtelijke context afwijken van deze taalwetgeving, ( vgl. Arb. Brussel 21 december 1984, JTT 1985, 315). Als bestuursrechtelijk reglement regelen de protocollen immers niet de sociale betrekkingen tussen werkgever en de werknemers. Voor de modaliteiten van de schorsing steunen partijen op de met de taalwetgeving overeenstemmende protocolakkoorden. Niets verhindert dat partijen in een privaatrechtelijke context conventioneel een regeling overnemen, die opgesteld werd in een bestuurlijke context. De conventionele schorsing van de arbeidsovereenkomst daarentegen betreft wel de sociale betrekkingen tussen werkgever en de werknemers en hierbij dient het taaldecreet van 19 juli 1973 in acht te worden genomen. (Arbh. Brussel 21 juni 1988, RW 1988-89, 891) De bevestiging van de schorsing gebeurde in het Frans. Op grond van artikel 10 van het taaldecreet is deze brief nietig, wat ambtshalve moet worden vastgesteld.Terecht stelt appellant dat een dergelijke nietigheid hem geen nadeel mag berokkenen. Aangezien appellant zich op dit stuk steunt om de schorsing van zijn arbeidsovereenkomst met Sabena te staven, zou deze nietigheid tot gevolg hebben dat hij de rechtsgrond van zijn vordering verliest, wat hem nadeel zou berokkenen. De nietigheid blijft dus zonder gevolg. De modaliteiten van de schorsing van de arbeidsovereenkomst bij Sabena.
- In artikel 1 van het protocolakkoord van 1 april 1979 wordt de gemeenschappelijke senioriteitslijst van Sabena en Sobelair opgesteld en wordt de overgang van piloten van de ene maatschappij naar de andere geregeld op basis van een zogenaamde bieding. Artikel 1d voegt hieraan toe : Ingeval van een vermindering van het personeelsbestand, van stopzetting van de activiteit van de ene of de andere maatschappij of van fusie van deze, zal de gezamenlijke senioriteitslijst strikt worden toegepast. Dit kan niet anders gelezen worden dan dat bij een vermindering van het personeelsbestand of bij de stopzetting van de activiteit van een van de beide maatschappijen, de piloten slechts in dienst konden blijven volgens de rangorde van deze lijst. Dit houdt meteen in dat ook het recht van terugkeer in die omstandigheden niet steeds kon worden toegepast, daar dit afhing van de overblijvende activiteit en de rangorde op de senioriteitslijst. Deze bepaling had dus reeds moeten worden toegepast bij de stopzetting van de activiteiten van Sabena, maar klaarblijkelijk had de gezamenlijke senioriteitslijst op dat ogenblik nog geen ongunstig effect op de tewerkstelling van appellant bij Sobelair. Wanneer vervolgens ook bij Sobelair de activiteit wegviel, werd appellant aldaar ontslagen, maar de rangorde op de senioriteitslijst maakte het niet mogelijk hem verder bij Sabena tewerk te stellen, omdat er ook daar geen overblijvende activiteit meer was. Appellant verwees in zijn aangetekende brief van 27 februari 2004 zelf naar het feit dat Sabena in faling ‘prima facie' hem niet verder zou kunnen tewerkstellen en er is thans evenmin betwisting over het feit dat door de intrekking van de vliegvergunning na het faillissement er voor de gefailleerde maatschappij geen enkele vliegactiviteit meer mogelijk was. De door geïntimeerden opgeworpen vraag of Sabena en Sobelair voor de in acht te nemen anciënniteit niet als een zelfde werkgever moeten worden beschouwd voor de berekening van de opzeggingsvergoeding bij Sobelair is in dit geding niet aan de orde.
- Artikel 2 van het protocolakkoord van 1 april 1979 regelt het contractueel statuut van de Sabena-agenten die overgingen naar Sobelair. Wat betreft de terugkeer naar Sabena voorziet artikel 2d : Na vijf jaar, kan de geïnteresseerde zijn reïntegratie vragen bij Sabena voor iedere vacante arbeidsplaats, aan de loonsvoorwaarden die eraan verbonden zijn. Deze termijn zal beperkt worden tot drie jaar voor een gelijkwaardige of hogere vacante betrekking dan deze betrokken bij Sobelair. In ieder geval zal de opzeggingstermijn een jaar zijn. Terecht leiden de geïntimeerden hieruit af dat de terugkeer naar Sabena, waarnaar in de bevestigingsbrief wordt verwezen, gebonden was aan voorwaarden, met name het voor handen zijn van een vacante betrekking en het in acht nemen van een opzeggingstermijn van een jaar. Hieraan kan toegevoegd worden dat de terugkeer ook gekoppeld is aan de voorwaarde van een eerdere tewerkstelling bij Sobelair van 5 of 3 jaar.
- Uit de artikelen 1d en 2d van dit protocol volgt dan ook dat appellant zich ten onrechte beroept op een automatisch terugkeerrecht naar Sabena, wat overigens ook reeds strijdt met de vermelding in de brief van 30 augustus 2001 dat de schorsing voor onbepaalde tijd gold en dus niet voor een bepaalde termijn in de zin van de duur van de tewerkstelling bij Sobelair. Een automatisch terugkeerrecht volgt ook niet uit artikel 1.3 van de bijlage 4 van het protocolakkoord van 23 januari
- Dit artikel regelt immers enkel de schorsing van het arbeidscontract van Sabena en de modaliteiten van het arbeidscontract van Sobelair tijdens deze schorsing, zonder enige regeling betreffende de duur of het einde van de schorsing. Geïntimeerde betwist dat er bij het stopzetten van de tewerkstelling bij Sobelair een automatisch terugkeerrecht naar Sabena zou zijn. Appellanten steunen zich op de conventionele schorsing van de arbeidsovereenkomst met Sabena, maar gelet op de betwisting over de regeling van de duur en het einde van de schorsing, is het aan appellanten om de afspraken hierrond aan te tonen. Uit de analyse van de bovenstaande bepalingen van de protocolakkoorden in verband met de senioriteitslijst, waarvan de schorsingsovereenkomst de regeling overneemt, volgt echter dat het automatische terugkeerrecht naar Sabena bij het einde van de arbeidsovereenkomst met Sobelair, niet overeengekomen was, daar dit recht van terugkeer gekoppeld was aan de bepalingen van de artikelen 1d en 2d van het protocolakkoord van 1 april
- Aan deze bepalingen was niet voldaan. Er was bij Sabena geen vacante plaats en er werd voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van Sobelair geen opzegging van één jaar in acht genomen. Bovendien hield het strikt in acht nemen van de senioriteitslijst bij het stopzetten van de activiteiten van zowel Sabena als van Sobelair in dat bij geen van beide ondernemingen nog piloten konden tewerkgesteld worden. In de bevestigingsbrief van de schorsing door Sabena ter gelegenheid van de in dienst name bij Sobelair, wordt weliswaar over een terugkeer gesproken, maar hierin wordt niet gezegd dat het om een automatische terugkeer gaat; vanuit de protocolakkoorden, die als basis golden voor de schorsingsmodaliteiten, weten we dat de terugkeer aan voorwaarden gekoppeld was. Artikel 46 van de faillissementswet
- Artikel 46 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 luidde op 27 februari 2004 als volgt : Na hun ambtsaanvaarding beslissen de curators onverwijld of zij de overeenkomsten die gesloten zijn voor de datum van het vonnis van faillietverklaring en waaraan door dat vonnis geen einde wordt gemaakt, al dan niet verder uitvoeren. De partij die de overeenkomst met de gefailleerde heeft gesloten, kan de curators aanmanen om die beslissing binnen 15 dagen te nemen. Indien geen verlenging van termijn is overeengekomen of indien de curators geen beslissing nemen, wordt de overeenkomst geacht door toedoen van de curators te zijn verbroken vanaf het verstrijken van deze termijn; de schuldvordering van de schade die eventueel verschuldigd zou zijn aan de medecontractant wegens de niet uitvoering, wordt opgenomen in de boedel. Indien de curators beslissen de overeenkomst uit te voeren, heeft de medecontractant recht ten laste van de boedel, op de uitvoering van de verbintenis in zoverre zij betrekking heeft op prestaties geleverd na het faillissement. Op 27 februari 2004 stelde de raadsman van de piloten de curators van Sabena in gebreke om de piloten, ontslagen bij Sobelair, bij Sabena verder tewerk te stellen.
- Ongeacht de vraag of de aanmaning om de overeenkomst verder uit te voeren, onverwijld na de ambtsaanvaarding van de curators dient te gebeuren, is het alleszins zo dat de curator de rechten van de gefailleerde slechts kan uitvoeren onder de voorwaarden en met de beperkingen waardoor de gefailleerde zelf gebonden was. ( A. Zenner en I. Peeters, Tegenwerpelijkheid van samenloopvermijdende contractuele waarborgmechanismen, RW 2004-05, 484; S. Brijs, Artikel 46 faillissementswet : is de curator van de failliete verhuurder een tovenaar?, noot onder Cass. 24 juni 2004, RW 2005-06, 55). Ons recht kent immers geen bijzonder stelsel van contractenrecht na faillissement. ( S. Brijs, a.w., 56) De verdere tewerkstelling van de piloten bij Sabena na de beëindiging van hun tewerkstelling bij Sobelair kon dan ook slechts aan de curators gevraagd worden, wanneer de duur en het einde van de conventionele schorsing van hun arbeidsovereenkomsten bij Sabena volgens de afspraken gerealiseerd was. Uit randnummer 7 volgt dat aan de artikelen 1d en 2d van het protocolakkoord van 1 april 1979 niet werd voldaan, zodat de piloten zich ten onrechte op verdere tewerkstelling bij Sabena beriepen. Terecht hebben de curatoren dan ook geantwoord dat de piloten zich niet op artikel 46 faillissementswet konden beroepen en hebben ze aan de raadsman van de piloten gevraagd aan te tonen op welke overeenkomst en/of CAO ze zich wensten te steunen.
- Na het over en weer betwisten van elkaars standpunten heeft de raadsman van de piloten in zijn brief van 23 maart 2004 ingeroepen dat door de weigering tot verdere tewerkstelling Sabena in faling de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd, waardoor zij aanspraak konden maken op een provisioneel geraamde opzeggingsvergoeding, die in het bevoorrecht passief van het faillissement diende te worden opgenomen. Er was op 23 maart 2004 geen plicht tot verdere tewerkstelling, zodat de piloten ten onrechte de contractbreuk lastens Sabena hebben ingeroepen en hierdoor zelf de arbeidsovereenkomst hebben beëindigd. Zij kunnen dan ook geen aanspraak maken op een opzeggingsvergoeding lastens Sabena in faling. De vordering van appellant is dan ook ongegrond. De overige middelen van appellant kunnen aan deze vaststelling geen afbreuk doen; de vordering in ondergeschikte orde tot voorlegging van de ontslagbrieven van andere personeelsleden, wiens arbeidsovereenkomst was geschorst, is in dezelfde zin overbodig en niet ter zake dienend. Gerechtskosten
- Terecht stelt appellant dat een curator geen aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding, aangezien hij geen advocaat is die een partij bijstaat in de zin van artikel 1022 Ger. W. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis. Zegt voor recht dat geïntimeerden als curators geen aanspraak kunnen maken op een rechtsplegingsvergoeding en vereffent derhalve hun gerechtskosten op nihil. Aldus gewezen door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door de heren L. LENAERTS, Raadsheer, voorzitter, P. DEPRETER, Raadsheer in sociale zaken, werkgever, R. VANDEPUT, Raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door : K. CUVELIER, Griffier, Lenaerts L., Cuvelier K., . Depreter P., Vandenput R. , , en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 04 juni 2010 door: BALIS G., Kamervoorzitter, bijgestaan door CUVELIER K., Griffier Balis G. Cuvelier K. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100604.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div