← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100607.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 07 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100607.7 Rolnummer: 2009/AB/052048 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-08-23 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-01 13:07 Fiche Een wettelijke vrijstelling van bijdragebetaling houdt in dat men onderworpen is aan het sociaal statuut der zelfstandigen, zodat men zich niet kan beroepen op artikel 7 van het KB van 15 maart

  1. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Zelfstandige - Sociaal statuut - Bijdragen Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN - SOCIAAL STATUUT - Betaling bijdragen - Wettelijke vrijstelling. Wettelijke bepalingen: Wet - 30-12-1992 - 91 - 40 ELI link Pub nr 1993021370 Koninklijk Besluit - 15-03-1993 - 7 - 33 ELI link Pub nr 1993016056 Nota: Gerangschikt onder VIII A (W. 30/12/1992), art. 91 - (KB 15/03/1993), art.
  2. Tekst van de beslissing AR nr. 2009/AB/52.048 1e blad. rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN JUNI TWEEDUIZEND EN TIEN. 9e KAMER bijdragen socialezekerheidsstatuut zelfstandigen tegenspraak definitief In de zaak : R.L. , wonende te [xxx], appellant op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, die ter openbare terechtzitting in persoon verschijnt, tegen : RIJKSINSTITUUT VOOR DE SOCIALE VERZEKERINGEN DER ZELFSTANDIGEN, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Jan Jacobsplein 6, ondernemingsnummer 02.080.447.09, geïntimeerde op hoofdberoep, appellant op incidenteel beroep, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester A.-M. Sobrie, advocaat te Wilsele. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : AR nr. 2009/AB/52.048 2e blad. Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak, door de derde kamer van de arbeidsrechtbank te Leuven op 6 maart 2009; - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 10 april 2009; - de conclusies, - de voorgelegde stukken; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 12 april 2010, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 21 april 2010 zijn schriftelijk advies ter griffie neergelegd. De termijn om een repliekconclusie ter griffie neer te leggen verstreek op 10 mei 2010, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden. * * * * FEITEN EN RECHTSPLEGING
  3. Het RSVZ deed bij dwangbevel een invordering van achterstallige bijdragen voor de vennootschapsbijdragen van de CVOA Socotel 2002 -2006, zijnde in totaal euro 2.527,
  4. Deze vordering was gericht enerzijds tegen de vennootschap CVOA Socotel en anderzijds tegen de heer R.L. in zijn hoedanigheid van afgevaardigd bestuurder, waardoor hij samen met de vennootschap gehouden was tot betaling van deze bijdragen. Tegen de vennootschap werd de uitvoeringsprocedure niet verder gezet omwille van een procedurele onregelmatigheid. De heer R.L. tekende verzet aan tegen het dwangbevel van 19 mei 2008 omdat hij meende vrijgesteld te zijn van bijdrageplicht als gepensioneerde, die een gratis mandaat van gedelegeerd bestuurder uitoefende. Het RSVZ stelde een tegenvordering in betaling van euro 2.660,65 wegens achterstallige bijdragen verhogingen, kosten en intresten. AR nr. 2009/AB/52.048 3e blad.
  5. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven van 6 maart 2009 werd zijn verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. De tegenvordering werd gegrond verklaard in de mate dat de heer Richard veroordeeld werd tot betaling van euro 2.551,65 wegens vervallen bijdragen, verhogingen en intresten, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op euro 2.527,50 vanaf 21 augustus
  6. De heer R.L. werd toegestaan om deze veroordeling te voldoen met afbetalingen vanaf euro 200 waarvan de eerste werd vastgesteld op 15 maart
  7. Het RSVZ werd veroordeeld tot de gerechtskosten. De eerste rechter motiveerde daarbij dat het feit dat de heer L. R.L. als gepensioneerde een gratis mandaat uitoefende geen invloed heeft op zijn solidaire gehoudenheid tot betaling van de vennootschapsbijdragen.
  8. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 10 april 2009, tekende de heer R.L. hoger beroep aan en beriep hij zich op artikel 7 van het KB van 15 maart
  9. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.
  10. Artikel 7 van het KB van 15 maart 1993 bepaalt : De personenvennootschappen, die ingeschreven zijn als handelsonderneming in de Kruispuntbank van Ondernemingen en opgericht zijn na 1 januari 1991, kunnen, gedurende de eerste drie jaar van hun onderwerping te rekenen vanaf het jaar van hun oprichting, worden vrijgesteld van de bijdrageplicht. Ze kunnen slechts van deze vrijstelling genieten wanneer hun zaakvoerder of zaakvoerders, evenals de meerderheid van hun werkende vennoten die geen zaakvoerder zijn, in de tien jaar voorafgaand aan de oprichting van de vennootschap, ten hoogste drie jaar onderworpen zijn geweest aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houden de inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. De personenvennootschappen, die van deze mogelijkheid wensen gebruik te maken, moeten aan de sociale verzekeringskas waarbij ze zijn aangesloten de bewijzen overmaken dat aan de in het eerste lid AR nr. 2009/AB/52.048 4e blad. bepaalde voorwaarden voldaan is.
  11. De heer R.L. meent voldaan te hebben aan deze bepaling en verwijst naar stukken, waaruit volgt dat hij als gepensioneerde geen bijdragen diende te betalen. Deze stukken houden wel in dat de heer R.L. onderworpen was aan het sociaal statuut der zelfstandigen, zodat hij hiermee niet aantoont dat hij voldoet aan de voorwaarden van het artikel 7 van het KB van 15 maart
  12. Artikel 2 van het KB nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen bepaalt : Aan dit besluit zijn onderworpen en, in die hoedanigheid, gehouden tot het nakomen van de verplichtingen die het oplegt : de zelfstandigen en de helpers. De heer R.L. betwist niet dat hij omwille van zijn mandaat in de vennootschap, zelfstandige is. Hierdoor is hij onderworpen aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. Artikel 13 §1 van het KB nr. 38 bepaalt : Vanaf het kwartaal tijdens hetwelk hij de pensioenleeftijd bereikt, zoals bepaald in de artikelen 3 §1 en 16 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juni 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3 §1, 4° van de wet van 26 juni 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie, of de betaling van een vervroegd rustpensioen als zelfstandige of als werknemer bekomt, is de onderworpene geen bijdrage verschuldigd indien zijn bedrijfsinkomen als zelfstandige, verworven tijdens het refertejaar bedoeld in artikel 11 §2 en geherwaardeerd overeenkomstig artikel 11 §3 niet ten minste euro 811,20 bereiken. De heer Richard stelt dat hij als gepensioneerde onder deze bepaling valt, maar dit houdt ook in dat hij onderworpen is aan het sociaal statuut van de zelfstandigen. Hieruit volgt dat de vennootschap niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 7 van het KB van 15 maart 1993 en dat derhalve de heer Richard hoofdelijk gehouden is tot betaling van de gevorderde vennootschapsbijdragen in toepassing van artikel 98 van de wet van 30 AR nr. 2009/AB/52.048 5e blad. december
  13. Gelet op zijn gering inkomen kunnen aan de heer R.L. termijnen van betaling worden toegestaan, die door de eerste rechter werden bepaald op euro 200 per maand; gelet op het maandelijks pensioen van euro 955,08 en de uitgaven die hij heeft voor zijn gehandicapte echtgenote, kunnen de maandelijkse afbetalingen worden teruggebracht tot euro
  14. Om dezelfde reden kan de rechtsplegingsvergoeding worden herleid tot het minimum. Artikel 1017, tweede lid Ger. W. is hier niet van toepassing, omdat de heer R.L. werd aangesproken als onderworpene en niet als gerechtigde of sociaal verzekerde. (Cass. 18 oktober 1999, Arr.Cass. 1999, 1274; Cass. 26 juni 1973, TSR 1974,103) Op grond van artikel 1017, eerste lid Ger. W. dienen de kosten dan ook ten laste van de heer R.L. te worden gelegd. Het incidenteel beroep is gedeeltelijk gegrond. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van advocaat-generaal Jean-Jacques André, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 21 april 2010, waarop de heer R.L. heeft gerepliceerd Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk, en gedeeltelijk gegrond; Hervormt het bestreden vonnis, in de zin dat - de heer R.L. gemachtigd wordt om het bedrag van de veroordeling te delgen met afbetalingen van euro 50 waarvan de eerste wordt vastgesteld op 21 juni 2010 en dat - de gerechtskosten ten laste van de heer R.L. worden gelegd, weliswaar beperkt tot de minimum rechtsplegingsvergoeding of euro 375; Bevestigt het vonnis voor al het overige. AR nr. 2009/AB/52.048 6e blad. Veroordeelt de heer R.L. tevens dat de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van het RSVZ begroot op euro 650, doch door het hof herleid en vereffend tot : rechtsplegingsvergoeding hoger beroep minimumbedrag euro 375 Aldus gewezen door de negende kamer van het arbeidshof en ondertekend door : B. Ceulemans, eerste voorzitter; L. Lenaerts, raadsheer, W. Reynders, raadsheer in sociale zaken, als zelfstandige; S. Van der hoeven, griffier. B. Ceulemans S. Van der hoeven L. Lenaerts W. Reynders De heer W. Reynders, raadsheer in sociale zaken, als zelfstandige, die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen. Overeenkomstig artikel 785 Gerechtelijk Wetboek wordt het arrest ondertekend door Beatrix CEULEMANS, eerste voorzitter en Lieven LENAERTS, raadsheer. S. Van der hoeven, griffier. en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de negende kamer van het arbeidshof te Brussel op zeven juni tweeduizend en tien door : AR nr. 2009/AB/52.048 7e blad. B. Ceulemans eerste voorzitter, Bijgestaan door S. Van der hoeven: griffier. B. Ceulemans S. Van der hoeven PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100607.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.