← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100610.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 10 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100610.15 Rolnummer: 2008/AB/051564 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-10-12 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-01 13:11 Fiche Om een werknemer op grond van art. 54, eerste lid van het werkloosheidsbesluit uitkeringen te kunnen weigeren is vereist dat de dienstbetrekking die hij heeft verlaten, een passende dienstbetrekking was. Niet passend is de dienstbetrekking die een verplaatsing van meer dan 4 uur per dag inhoudt. Geen wettelijke bepaling beperkt of kan het recht van de werknemer beperken om een gezin te stichten en zich daarvoor te vestigen op een andere verblijfplaats, in casu op de verblijfplaats van de vrouw (vriendin), die daar een betrekking heeft. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden - Afwezigheid arbeid Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID - KB 25/11/1991, art. 54. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 54 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder V A N (KB 25/11/1991), art. 54. Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 10 juni 2010 7 e KAMER SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - werkloosheid tegensprekelijk definitief kennisgeving artikel 580,2°(

  1. b)Ger.W. In de zaak: 1. RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan, 7, appellant, vertegenwoordigd door mr. KEYMIS L. loco mr. LECOUTRE Rudi, advocaat te 2018 ANTWERPEN, De Damhouderestraat 13 Tegen: 1. D.R. , wonende te [xxx], geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. WIJNS Pascale, advocaat te 2200 HERENTALS, Wipstraat 17 *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 17-03-2006 door de arbeidsrechtbank te Turnhout, 2e kamer (AR nr. 27.734); - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest, uitgesproken op tegenspraak op 11 januari 2007 door het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, vierde kamer, (AR nr. 2060241); - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest, uitgesproken op 10 december 2007 door de derde kamer van het Hof van Casatie (S.07.0037.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071210.6/1), - de dagvaarding na cassatie, betekend op 24 oktober 2008 en neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 1 december 2008; - de conclusies voor de beide partijen; - de voorgelegde stukken; De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 22 april 2010, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 28 april 2010 zijn schriftelijk advies ter griffie neergelegd. De repliektermijn verstreek op 14 mei 2010, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden. *** * I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING. 1. De heer D.R. verhuisde op 25 december 2004 om zijn vriendin te volgen met wie hij wenste te gaan samenwonen. Omwille van de lange afstand tussen zijn nieuwe woonplaats en zijn arbeidsplaats verliet hij op 7 januari 2004 vrijwillig zijn dienstbetrekking bij de NV Spindoor International. Van 10 tot en met 14 januari 2004 werkte hij als arbeider voor Randstad Interim. Op 17 januari 2005 sloot hij met de NV Glacio een overeenkomst voor beroepsopleiding af en vroeg hij, in het kader daarvan, werkloosheidsuitkeringen aan. Bij beslissing van 20 mei 2005 heeft de Gewestelijke Directeur van het werkloosheidsbureau te Turnhout de heer D.R. uitgesloten van het recht op werkloosheidsuitkeringen gedurende de periode van 17 januari 2005 tot 6 februari 2005. De Gewestelijk Directeur oordeelde dat, in toepassing van artikel 54 eerste lid van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (verder genoemd het werkloosheidsbesluit), de heer D.R. geen uitkeringen kon genieten gedurende een periode van vier weken omdat hij een passende dienstbetrekking verlaten had (zij het om een andere passende dienstbetrekking uit te oefenen). 2. Bij verzoekschrift van 25 mei 2005 heeft de heer D.R. deze beslissing betwist voor de arbeidsrechtbank te Turnhout. Bij vonnis van 17 maart 2006 heeft de arbeidsrechtbank te Turnhout de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard en de bestreden beslissing vernietigd. Bij verzoekschrift van 10 april 2006 heeft de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis. Bij arrest van 11 januari 2007 heeft het arbeidshof te Antwerpen het hoger beroep ontvankelijk en gegrond verklaard. De heer D.R. werd aldus afgewezen van zijn vordering tot vernietiging van de administratieve beslissing van 20 mei 2005. 3. Bij exploot van 13 april 2007 heeft de heer D.R. een cassatievoorziening ingesteld tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen. Bij arrest van 10 december 2007 heeft het Hof van Cassatie het arrest van het arbeidshof te Antwerpen verbroken, behalve in zoverre het oordeelde over de ontvankelijkheid van het hoger beroep, en de aldus beperkte zaak verwezen voor dit hof. 4. Bij exploot van 24 oktober 2008 heeft de heer D.R. het arrest van het Hof van cassatie betekend en heeft hij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening gedagvaard voor dit hof ten einde verder uitspraak te horen doen over het hoger beroep van de Rijksdienst tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het hoger beroep van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werd door het arbeidshof te Antwerpen reeds ontvankelijk verklaard. De zaak werd na Cassatie rechtsgeldig aanhangig gemaakt voor dit hof. III. BEOORDELING. 1. De arbeidsrechtbank volgde de stelling van de heer D.R. dat de dienstbetrekking die hij verlaten had, ingevolge zijn verhuis om te gaan samenwonen met zijn vriendin, vanaf dat ogenblik geen passende betrekking meer was gelet op het feit dat hij vanuit zijn nieuwe woonplaats meer dan 4 uur per dag nodig had om het traject naar en van het werk uit te voeren. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening stelt dat voor de toepassing van artikel 54 zonder belang is dat de betrekking die verlaten wordt al dan niet een passende betrekking is. Volgens de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dient de toepassing van artikel 54 duidelijk onderscheiden te worden van de toepassing van de artikelen 52 en 52 bis van het werkloosheidsbesluit die betrekking hebben op de situaties van vrijwillige werkloosheid. Artikel 54, aldus de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, voorziet een carenstijd van vier weken, voor de werknemer die vrijwillig een betrekking verlaat. De toepassing van de carensperiode gebeurt automatisch vanaf het moment dat er sprake is van het verlaten van een passende betrekking en ongeacht of daarvoor een wettige reden aanwezig is of niet. 2. Overeenkomstig artikel 44 van het Werkloosheidsbesluit moet de werkloze om uitkeringen te kunnen genieten, wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn. Overeenkomstig artikel 51, §1, eerste lid, van voormeld besluit, kan de werknemer die werkloos is of wordt wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil, uitgesloten worden van het genot van de uitkeringen overeenkomstig de artikelen 52 tot 54. Onder "werkloosheid wegens omstandigheden afhankelijk van de wil van de werknemer" wordt krachtens artikel 51, § 1, tweede lid, 1°, van dit besluit onder meer verstaan: het verlaten van een passende dienstbetrekking zonder wettige reden. Overeenkomstig artikel 51, § 2, 1°, van het Werkloosheidsbesluit bepaalt de Minister, na advies van het beheerscomité, de criteria van de passende dienstbetrekking. Krachtens artikel 25, §1, eerste lid, van het Ministerieel Besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering, wordt een dienstbetrekking als niet passend beschouwd indien zij een gewone dagelijkse afwezigheid uit de gewone verblijfplaats ten gevolge heeft van meer dan 12 uur of indien de dagelijkse duur van de verplaatsing gewoonlijk meer dan 4 uur bedraagt. Overeenkomstig artikel 54, eerste lid, van het Werkloosheidsbesluit wordt geen uitkering toegekend gedurende vier weken te rekenen vanaf de verandering van dienstbetrekking aan de werknemer die, zonder uitkeringen aan te vragen, een passende dienstbetrekking heeft verlaten om een andere uit te oefenen, tenzij hij in de loop van deze vier weken tijdelijk werkloos wordt gesteld of zijn nieuwe dienstbetrekking verliest ten gevolge van overmacht. 3. Om een werknemer op grond van artikel 54, eerste lid uitkeringen te kunnen weigeren is, volgens de duidelijke tekst van deze bepaling in de eerste plaats vereist dat de dienstbetrekking die hij heeft verlaten, een passende dienstbetrekking was. De stelling van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dat artikel 54 van het Werkloosheidsbesluit, in tegenstelling met de bepalingen van artikel 52 van het Werkloosheidsbesluit, een automatische sanctie van vier weken (een zogenaamde carenstijd) zou invoeren, kan enkel gelden als het gaat om het verlaten van een passende dienstbetrekking. Een andere interpretatie vindt geen steun in de wettelijke bepalingen noch in enig ander document waarnaar de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening verwijst. Geen argument kan geput worden uit het cassatiearrest van 2 maart 1987 (RW, 1987-88, 442) waarnaar de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening verwijst. In dit arrest besliste het Hof van Cassatie dat uit de enkele omstandigheid dat een werkloze de voorwaarden vervult voor de toepassing van artikel 54 (het vroegere artikel 150 van het Koninklijk Besluit van 20 december 1963) niet kan worden afgeleid dat hij ook de vereiste vervult voor de toepassing van artikel 51 § 1, tweede lid van het werkloosheidsbesluit, aangezien het voor de toepassing van artikel 54 (het vroegere artikel 150) onverschillig is of de dienstbetrekking werd verlaten om een wettige of onwettige reden. Het hof beoordeelde aldus een omgekeerde vraagstelling en sprak zich niet uit over de voorwaarde in art. 54 dat het moet gaan om het verlaten van een passende dienstbetrekking. 4. Niet betwist wordt dat de heer D.R., na zijn verhuis, een dagelijkse duur van verplaatsing had van meer dan 4 uur om zich naar zijn oorspronkelijke werkplaats te begeven en dat aldus zijn oorspronkelijke betrekking niet meer beantwoordde aan de vereiste van een passende dienstbetrekking, in de zin van artikel 54 van het werkloosheidsbesluit en artikel 25 § 1, eerste lid van het Ministerieel Besluit van 26 november 1991. Geen wettelijke bepaling beperkt of kan het recht van de werknemer betwisten om een gezin te stichten en zich daarvoor te vestigen op een andere verblijfplaats, in casu op de verblijfsplaats van de vrouw (vriendin), die daar een andere betrekking had. 5. Zoals het Openbaar Ministerie terecht opmerkt in zijn advies, beaamt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening zelf deze stelling aangezien men onder voetnoot 439 van de gecommentarieerde reglementering kan lezen dat de Rijksdienst in geval van werkverlating ingevolge huwelijk rekening houdt met de conclusies van de advocaat-generaal in de zaak Bergerman (H. v. Justitie 22 september 1988, nr. 236/87), waarin het volgende wordt gesteld: "Uit het samenstel van deze voorschriften kan geen rechtsbeginsel worden afgeleid, volgens hetwelk een echtgenoot steeds aanspraak heeft op werklozensteun, wanneer zijn werkloosheid terug te voeren is op een verhuizing om gezinsredenen. Niettemin lijkt men het er nagenoeg over eens te zijn, dat een werknemer die ontslag neemt om met zijn echtgenoot een gemeenschappelijke huishouding te kunnen vestigen of behouden, niet van werkloosheidsuitkeringen mag worden uitgesloten". Er zijn geen redenen om aan te nemen dat het standpunt dat hier wordt verwoord niet eveneens geldt voor niet gehuwde samenwonenden. 6. Het hoger beroep is aldus ongegrond. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean-Jacques André, advocaat-generaal, Verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout. Veroordeelt, overeenkomstig artikel 1017 al.2 van het Gerechtelijk Wetboek, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tot de kosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van de heer D.R. op 145,78 euro rechtsplegingsvergoeding, 9 euro als kosten van expeditie van het cassatiearrest en 177,13 euro als kosten van betekening van het cassatiearrest met dagvaarding voor dit hof. Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel: Fernand KENIS, raadsheer, voorzitter Christian LAURIERS, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Jean-Pierre VAN CONINGSLOO, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider, bijgestaan door : Sven VAN DER HOEVEN, griffier. . Sven VAN DER HOEVEN, Jean-Pierre VAN CONINGSLOO, Christian LAURIERS, Fernand KENIS, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 10 juni 2010 door: Fernand KENIS, raadsheer, bijgestaan door Sven VAN DER HOEVEN, griffier. Sven VAN DER HOEVEN, Fernand KENIS, PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100610.15 Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071210.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.